En het was leuk!
dinsdag 22 februari 2011
Dingen die ik nooit alleen zou doen (20 november 2010)
En het was leuk!
Labels:
Ferrari,
foto,
herfstvakantie,
Italië,
Maranello,
persoonlijk,
vader en zoon
Waar de kinderen slapen (4 november 2010)
De foto's zijn ooit gemaakt met een Kodak. Niet digitaal, niet bijgewerkt, de ene keer wat overbelicht, een andere keer wat donker. Het rolletje ontwikkeld, in in de loop van de jaren steeds fletser geworden levensechte kleuren afgedrukt op glanzend fotopapier. Met een wit randje eromheen.
Het zijn de foto's van mijn slaapkamertje waar ik vanuit mijn wiegje het donker van de nacht vulde met de rustige ademhaling van een nieuwe wereldburger die de toekomst met vertrouwen vooruit ziet. Totdat er zich iets op begon te spelen wat ik nog geen naam kon geven, maar wat, zoals later bleek, honger heette en ik de halve Bernhardstraat bij elkaar brulde.
Het kamertje en de wieg zijn eenvoudig. Zachte kleuren; mijn vader had zelfs de deur in een lichtgeel jasje gekwast. De gordijnen, de commode, zelfs de pot, alles in een rustgevend en geruststellend pastel. Dezelfde kleuren die ik 32 jaar later tegenkwam in het met zorg ingerichte slaapkamertje van mijn pasgeboren zoon.
Voor iedere ouder is de slaapkamer van een nieuwkomer uniek, maar meestal is het tegendeel werkelijkheid. De zuigeling die in zijn bedje op zijn of haar duim ligt te sabbelen, die is uniek. Maar de slaapkamertjes waarin de wiegjes staan zijn vaak - om in de sfeer te blijven - één pot nat en een spiegel van wat de bladzijden van de thematijdschriften vult.
Pas na verloop van jaren krijgt het kamertje karakter. Babykamer wordt kinderkamer, kinderkamer wordt tienerkamer, tienerkamer wordt puberkamer, en geleidelijk wordt zichtbaar wie daar werkelijk leeft. Niet de ouders, niet de hoofdredacteur van 'Ouders van nu', maar een jong leven dat zijn of haar karakter vormt, zijn of haar interesses ontwikkelt en die bijstelt op het moment dat dat uitkomt.
Op mijn kamertje herinner ik me vaag de eerste platen van Pluto, Donald Duck en Dombo. Helderder is de periode dat ik op het voetballen ging en de striphelden plaats maakten voor alle elftallen van de eredivisie, waarvan er uiteindelijk één club overbleef. Gefiguurzaagde (of is het figuurgezaagde?) vliegtuigjes aan het plafond en op de boekenplank. Totdat de muziek zijn intrede deed. The Sweet en The Osmonds (inclusief Mary!) waren mijn eerste groepen. Gelukkig kreeg ik snel door dat er meer onder de zon was en de glitterpop-posters gingen van de muur die van een oogverblindend paars behangetje en Jim Morrison, Jimmy Hendrickx, The Stones, Che Guevara werd voorzien. Schaars geklede dames wurmden zich na verloop van tijd tussen deze groten der aarde en het hele stel begeleidde me door de pubertijd heen.
Mijn kamer had karakter gekregen, mijn karakter.
In zijn boek "Where children sleep", dat deze maand ook in Italië uitkomt, heeft James Mallison (in 1973 geboren in Kenya, opgegroeid in Engeland en sinds 2003 woonachtig in Venetië) 56 kinderen uit 24 landen gefotografeerd, en daarbij hun slaapkamer. Een hele mooie serie, waarin de fotograaf niet alleen de slaapkamer aan haar bewoner koppelt maar ook aan het land en de omstandigheden waarin het kind opgroeit.
,,Ik hoop dat de foto's en de verhalen daarbij vooral kinderen aanspreken zodat gelukkige kinderen (zoals ik was) misschien meer waarderen wat ze hebben'', zegt Mallison in zijn voorwoord. ,,Maar ik hoop vooral dat het boek de kinderen aanzet om over de ongelijkheid in de wereld te denken.''
Hieronder enkele foto's uit "How children sleep" en de bijbehorende tekst.
Kaya, four, lives with her parents in a small apartment in Tokyo, Japan. Her bedroom is lined from floor to ceiling with clothes and dolls. Kaya’s mother makes all her dresses – Kaya has 30 dresses and coats, 30 pairs of shoes and numerous wigs. When she goes to school, she has to wear a school uniform. Her favourite foods are meat, potatoes, strawberries and peaches. She wants to be a cartoonist when she grows up.
Jasmine (‘Jazzy’), four, lives in a big house in Kentucky, USA, with her parents and three brothers. Her house is in the countryside, surrounded by farmland. Her bedroom is full of crowns and sashes that she has won in beauty pageants. She has entered more than 100 competitions. Her spare time is taken up with rehearsal. She practises her stage routines every day with a trainer. Jazzy would like to be a rock star when she grows up.
Home for this boy and his family is a mattress in a field on the outskirts of Rome, Italy. The family came from Romania by bus, after begging for money to pay for their tickets. When they arrived in Rome, they camped on private land, but the police threw them off. They have no identity papers, so cannot obtain legal work. The boy’s parents clean car windscreens at traffic lights. No one from his family has ever been to school.
Dong, nine, lives in Yunnan province in south-west China with his parents, sister and grandfather. He shares a room with his sister and parents. The family own just enough land to grow their own rice and sugarcane. Dong’s school is 20 minutes’ walk away. He enjoys writing and singing. Most evenings, he spends one hour doing his homework and one hour watching television. When he is older, Dong would like to be a policeman.
Indira, seven, lives with her parents, brother and sister near Kathmandu in Nepal. Her house has only one room, with one bed and one mattress. At bedtime, the children share the mattress on the floor. Indira has worked at the local granite quarry since she was three. The family is very poor so everyone has to work. There are 150 other children working at the quarry. Indira works six hours a day and then helps her mother with household chores. She also attends school, 30 minutes’ walk away. Her favourite food is noodles. She would like to be a dancer when she grows up.
Roathy, eight, lives on the outskirts of Phnom Penh, Cambodia. His home sits on a huge rubbish dump. Roathy’s mattress is made from old tyres. Five thousand people live and work here. At six every morning, Roathy and hundreds of other children are given a shower at a local charity centre before they start work, scavenging for cans and plastic bottles, which are sold to a recycling company. Breakfast is often the only meal of the day.
Thais, 11, lives with her parents and sister on the third floor of a block of flats in Rio de Janeiro, Brazil. She shares a bedroom with her sister. They live in the Cidade de Deus (‘City of God’) neighbourhood, which used to be notorious for its gang rivalry and drug use. Since the 2002 film City of God, it has undergone major improvements. Thais is a fan of Felipe Dylon, a pop singer, and has posters of him on her wall. She would like to be a model.
Nantio, 15, is a member of the Rendille tribe in northern Kenya. She has two brothers and two sisters. Her home is a tent-like dome made from cattle hide and plastic, with little room to stand. There is a fire in the middle, around which the family sleep. Nantio’s chores include looking after the goats, chopping firewood and fetching water. She went to the village school for a few years but decided not to continue. Nantio is hoping a moran (warrior) will select her for marriage. She has a boyfriend now, but it is not unusual for a Rendille woman to have several boyfriends before marriage. First, she will have to undergo circumcision, as is the custom.
Douha, 10, lives with her parents and 11 siblings in a Palestinian refugee camp in Hebron, in the West Bank. She shares a room with her five sisters. Douha attends a school 10 minutes’ walk away and wants to be a paediatrician. Her brother, Mohammed, killed himself and 23 civilians in a suicide attack against the Israelis in 1996. Afterwards the Israeli military destroyed the family home. Douha has a poster of Mohammed on her wall.
Tzvika, nine, lives in an apartment block in Beitar Illit, an Israeli settlement in the West Bank. It is a gated community of 36,000 Haredi (Orthodox) Jews. Televisions and newspapers are banned from the settlement. The average family has nine children, but Tzvika has only one sister and two brothers, with whom he shares his room. He is taken by car to school, a two-minute drive. Sport is banned from the curriculum. Tzvika goes to the library every day and enjoys reading the holy scriptures. He also likes to play religious games on his computer. He wants to become a rabbi, and his favourite food is schnitzel and chips.
Lamine (above), 12, lives in Senegal. He is a pupil at the village Koranic school, where no girls are allowed. He shares a room with several other boys. The beds are basic, some supported by bricks for legs. At six every morning the boys begin work on the school farm, where they learn how to dig, harvest maize and plough the fields using donkeys. In the afternoon they study the Koran. In his free time Lamine likes to play football with his friends.
Joey (below), 11, lives in Kentucky, USA, with his parents and older sister. He regularly accompanies his father on hunts. He owns two shotguns and a crossbow and made his first kill – a deer – at the age of seven. He is hoping to use his crossbow during the next hunting season as he has become tired of using a gun. He loves the outdoor life and hopes to continue hunting into adulthood. His family always cook and eat the meat from the animal they have shot. Joey does not agree that an animal should be killed just for sport. When he is not out hunting, Joey attends school and enjoys watching television with his pet bearded dragon lizard, Lily.
Bronnen:
- La Repubblica
- Telegraph
Het zijn de foto's van mijn slaapkamertje waar ik vanuit mijn wiegje het donker van de nacht vulde met de rustige ademhaling van een nieuwe wereldburger die de toekomst met vertrouwen vooruit ziet. Totdat er zich iets op begon te spelen wat ik nog geen naam kon geven, maar wat, zoals later bleek, honger heette en ik de halve Bernhardstraat bij elkaar brulde.
Het kamertje en de wieg zijn eenvoudig. Zachte kleuren; mijn vader had zelfs de deur in een lichtgeel jasje gekwast. De gordijnen, de commode, zelfs de pot, alles in een rustgevend en geruststellend pastel. Dezelfde kleuren die ik 32 jaar later tegenkwam in het met zorg ingerichte slaapkamertje van mijn pasgeboren zoon.
Voor iedere ouder is de slaapkamer van een nieuwkomer uniek, maar meestal is het tegendeel werkelijkheid. De zuigeling die in zijn bedje op zijn of haar duim ligt te sabbelen, die is uniek. Maar de slaapkamertjes waarin de wiegjes staan zijn vaak - om in de sfeer te blijven - één pot nat en een spiegel van wat de bladzijden van de thematijdschriften vult.
Pas na verloop van jaren krijgt het kamertje karakter. Babykamer wordt kinderkamer, kinderkamer wordt tienerkamer, tienerkamer wordt puberkamer, en geleidelijk wordt zichtbaar wie daar werkelijk leeft. Niet de ouders, niet de hoofdredacteur van 'Ouders van nu', maar een jong leven dat zijn of haar karakter vormt, zijn of haar interesses ontwikkelt en die bijstelt op het moment dat dat uitkomt.
Op mijn kamertje herinner ik me vaag de eerste platen van Pluto, Donald Duck en Dombo. Helderder is de periode dat ik op het voetballen ging en de striphelden plaats maakten voor alle elftallen van de eredivisie, waarvan er uiteindelijk één club overbleef. Gefiguurzaagde (of is het figuurgezaagde?) vliegtuigjes aan het plafond en op de boekenplank. Totdat de muziek zijn intrede deed. The Sweet en The Osmonds (inclusief Mary!) waren mijn eerste groepen. Gelukkig kreeg ik snel door dat er meer onder de zon was en de glitterpop-posters gingen van de muur die van een oogverblindend paars behangetje en Jim Morrison, Jimmy Hendrickx, The Stones, Che Guevara werd voorzien. Schaars geklede dames wurmden zich na verloop van tijd tussen deze groten der aarde en het hele stel begeleidde me door de pubertijd heen.
Mijn kamer had karakter gekregen, mijn karakter.
,,Ik hoop dat de foto's en de verhalen daarbij vooral kinderen aanspreken zodat gelukkige kinderen (zoals ik was) misschien meer waarderen wat ze hebben'', zegt Mallison in zijn voorwoord. ,,Maar ik hoop vooral dat het boek de kinderen aanzet om over de ongelijkheid in de wereld te denken.''
Hieronder enkele foto's uit "How children sleep" en de bijbehorende tekst.
Bronnen:
- La Repubblica
- Telegraph
Labels:
fotografie,
James Mollison,
kinderen,
kinderrechten,
ongelijkheid,
persoonlijk,
slaapkamer,
Where children sleep
Aperitivo (8 augustus 2010)
Zaterdag, boodschappen gedaan, krantjes gekocht. Als het een beetje meezit blijft er nog wat tijd over voordat we gaan eten. Tijd voor een aperitivo.
Piazza Duomo in Trento. Wellicht vind je er niet de beste aperitivo van Italië, maar je zit er wel op een van de mooiste stadspleinen die het land rijk is. Dat is heel wat, en bovendien is het met een glas Altemasi uitstekend 'behelpen'. Belletjes stijgen op naar het oppervlak, en de mensen komen voorbij...
Sommigen op de fiets...





Meer fietsers...




Piazza Duomo in Trento. Wellicht vind je er niet de beste aperitivo van Italië, maar je zit er wel op een van de mooiste stadspleinen die het land rijk is. Dat is heel wat, en bovendien is het met een glas Altemasi uitstekend 'behelpen'. Belletjes stijgen op naar het oppervlak, en de mensen komen voorbij...
Sommigen op de fiets...
Een foto...
... die dan toch weer niet blijkt te zijn wat je ervan had verwacht.
Meer fietsers...
Tijd voor een ijsje bij Grom, de beste ijsboer van de stad...
... en eigenlijk geen tijd voor de krant.
Maar weer wel voor een boek...
vrijdag 18 februari 2011
Oranje naar de finale, met dank aan Renato Borghetti? (7 juli 2010)
Italianen zijn erg gelovig. En nog meer dan gelovig zijn ze bijgelovig. Bijna alles heeft wel een betekenis. Positief (een duif die in vogelvlucht juist jou weet te treffen met zijn uitwerpselen) of negatief. Gelukkig is er voor de meeste negatieve voorbodes een tegenmiddel om het lot te keren. Bijna dagelijks wordt ik geconfronteerd met een huisgenote die wat korrels zout over haar schouder naar achteren werpt als ze per ongeluk wat zout heeft gemorst bij het bereiden van de pasta.
Bijgeloof heeft niets met intelligentie te maken, of het gebrek daaraan. Iedereen heeft wel een tik, ongeacht in welke laag van de maatschappij hij of zij zich doorgaans beweegt. Ik ben er na ruim tien jaar in Italië gewend aan geraakt. Erger nog, ik heb er iets van overgenomen.
In mijn vorige bijdrage meldde ik al dat ik het Nederlands elftal nog niet had zien spelen op het WK. Niet omdat ik niet wil kijken, maar de eerste drie wedstijden werden gewonnen tijdens mijn vakantie zonder dat ik daarbij op afstand toeschouwer van was. Ik heb het beste met onze jongens voor, en daar kwam dus dat Italiaanse bijgeloof-duiveltje om de bocht kijken. Ik keek niet naar Nederland-Slovenië, en Oranje won. Ik keek niet naar Nederland-Brazilië, en Oranje won. En gisteren keek ik niet naar Nederland-Uruguay, en Oranje won. Ik begin me zo langzamerhand een echte octopus te voelen, heb er zelfs al even over nagedacht om mijn naam in Paul te veranderen.
Niet kijken was tot gisteren niet eens zo moeilijk. Tijdens de groepswedstrijden was ik immers op vakantie, en tijdens de achtste en de kwart finales was ik aan het werk. Maar gisteravond zou ik dus thuis zijn geweest. Lichte paniek. Wat moet ik doen? Eerst had ik het plan opgevat om naar de bioscoop te gaan, maar uitgerekend eergisteren was “mijn” Cinema Astra aan haar zomerreces begonnen. Victoria of Modena waren een alternatief, maar de weeїge geur van popcorn die daar in de zalen hangt ruik ik de volgende dag nog. Op de culturele agenda van Trento zie ik dat er een concert is in Piazza Battisti. Dan daar maar naartoe. Ook al zegt de naam van de groep me niets, een snelle blik op internet is veelbelovend...
Piazza Battisti is een plein dat aan de achterkant aan het Teatro Sociale grenst. Het is niet groot, maar imponeert. Vooral door de typische stijl van de gebouwen die het plein omgeven die bijna allemaal in de fascistische periode zijn opgetrokken. Rechte lijnen. Strak. Niet de meest romantische plaats van Trento.
Toch zijn de terrasjes van de twee café’s aan de noordzijde altijd druk bezet. Ook nu. Er wordt gelachen, gepraat, gediscusseerd over het voetbal, ook al ligt Italië er al lang uit. Voor het podium zit en staat een paar honderd koppend tellend publiek te wachten op wat komen gaat. Als Renato Borghetti om iets over half tien samen met zijn Quartet het licht van de schijnwerpers instapt klinkt applaus. Op de terrasjes kwebbelt men rustig voort. En dan begint Berghettinho, zoals hij door zijn fans genoemd wordt, te spelen. De eerste tonen die uit zijn ‘gaita ponto’ opstijgen zijn traag, fladderen als vlinders de zwoele zomeravondlucht in. Zijn kompanen vallen in, klarinet, piano en gitaar. Een rondreis door de, door Borghetti eigentijds ingekleurde volksmuziek van de Rio Grando do Sul, de meest zuidelijke van Brazilië's 26 deelstaten, begint. Het duurt niet lang of zelfs de drukste stemmen op het terras zijn verstomd. 'Magia', noemt men dat hier, magie.
Rio Grando do Sul, het grensgebied tussen Brazilië en Argentinië. De Milonga heerst er, de chamamé, de chacarera, de tango, en de samba natuurlijk. Toen de in 1963 in Porto Alegre geboren Borghetti op 16-jarige leeftijd de 'gaita ponto' (de Braziliaanse kleine versie van de knop-accordeon) begon te bespelen had hij na verloop van tijd eenvoudig in de anonieme massa van locale artiesten kunnen verdwijnen. Maar het liep anders, want hij had talent. En niet alleen dat. Hij wilde niet enkel de traditionele volksmuziek spelen, maar er een persoonlijke klank aan geven. En zo begon hij dus te componeren, creëerde een mix van de verschillende populaire muzikale stromingen uit zijn geboortestreek. Niet alleen met elkaar, maar ook met de jazz. Het verrassende was dat Borghetti's muziek, die duidelijk verwijst naar zijn roots, maar nergens puur folk wordt, geaccepteerd wordt. Sterker nog, zijn eerste cd, 'Gaita Ponto' uit 1984, gaat meer dan 200.000 keer de toonbank over. Het levert hem als eerste Braziliaanse artiest een gouden plaat op voor een album waarop slechts één enkel instrument te horen is. In zijn Rio Grando do Sul wordt hij op handen gedragen, en hij wordt als een van 's werelds beste accordeonspelers beschouwd. Sommigen vergelijken zijn werk als componist met dat van de grote Ástor Piazzola die de nuevo tango creëerde.
Het Renato Borghetti Quartet brengt moeiteloos de speciale mix van Zuidamerikaanse folk en jazz over op het publiek in Trento. Het wordt nergens te 'jazzy' voor de toevallige passant of de, zoals ik, nieuwsgierige bezoeker. Het wordt nergens zo 'folky' dat het publiek het publiek mee gaat klappen. Borghetti is vanzelfsprekend het centrale punt. Het typische geluid van de accordeon valt naadloos in op de momenten dat een vleugje 'pepe' gewenst is. Hij bespeelt de 'gaita' als Danny Boodman T.D. Lemon in Alessandro Baricco's “Novecento: la leggenda del pianista sull'oceano”.
Pedro Figueiredo is op sax, clarinet en dwarsfluit de tweede pijler. Zijn spel en dat van Borghetti sluiten heel mooi op elkaar aan. Gitarist Daniel Sá en pianist Vitor Peixoto zijn onhoorbaar aanwezig en zijn juist daardoor twee onmisbare elementen. Toch krijgen ze de ruimte die ze verdienen. Hun “duetten” met de 'gaita ponto' zijn pareltjes.
Tussen het laatste nummer en de 'bis' gaat Lief nog twee pilsjes halen. ,,Mag ik je het goeie nieuws vertellen'', vraagt ze als ze terugkomt. Ik heb werkelijk geen idee waar ze het over heeft.
,,Nederland heeft met 3-2 gewonnen!''
Ik was de wedstrijd compleet vergeten. Dat maakt het nieuws er niet minder leuk om. En de 'bis' is een mooie afsluiting.
Tijd om te bedenken waar ik zondagavond eens naartoe zou kunnen gaan.
Het Renato Borghetti Quartet treedt op 10 juli om 16.30 uur op tijdens het Brosella Festival in Brussel.
Labels:
bijgeloof,
Brazilië,
concert,
folk,
Italië,
jazz,
Nederlands elftal,
Renato Borghetti,
Trento,
voetbal,
WK 2010
Put-toerist (24 mei 2010)
In Amsterdam wordt gewerkt. Altijd.
Als we het Centraal Station uitlopen is er eerst De Put. Het gat van Amsterdam. Ik kom zowat elk jaar voor een paar dagen of een weekje naar Amsterdam, en ik begin eraan gehecht te raken. De Put lijkt te leven, verandert van vorm, en als ik het goed heb zelfs af een toe een beetje van plaats. De Put is bijna het visitekaartje van Amsterdam, en daar bedoel ik niets negatiefs mee. Geloof me, een toerist heeft er helemaal geen problemen mee.
De Put is één. Maar ook elders wordt gewerkt, dus her en der kom je in Amsterdam putten tegen. Kleinere putten, dus kleine p's. Ze hebben niet zoveel als De Put, maar desondanks stralen ze iets van de werklust van de immer bezige Nederlander uit. Nederlanders zijn noeste werkers. Dijken bouwen, land veroveren op de zee en op, in of met dat land iets nuttigs doen. Een put graven lijkt nutteloos, maar in Amsterdam graaft men niet voor niks. Diepte op korte termijn is er vooruitgang op lange termijn.
Een put is op zich echter een lelijk ding en past dus niet echt in Amsterdam. Maar ook daar wordt aan gewerkt. Op het Rokin zie ik afbeeldingen van bukkende mensen rond een put, op weg naar kantoor, boodschappen doend of spelend met vriendjes en vriendinnetjes.
Op de kruising van de Utrechtsestraat en de Herengracht liggen twee prachtgaten. Het zijn de putten van de beste vrienden van de mens...
Ga er maar eens kijken als je in de buurt bent. Er hangen nog veel meer foto's.
Mooie putten in mooi Amsterdam. Ze hebben er het put-toerisme uitgevonden.
Labels:
Amsterdam,
beste vrienden,
dieren,
foto,
fotografie,
Nederland,
put,
putten,
reizen,
Thomas Schlijper,
toerisme
Manuel Álvarez Bravo, revolutionair of surrealist (7 mei 2010)
Hoewel de Mexicaanse revolutie altijd een geliefde achtergrond is geweest waartegen veel spaghettiwesterns zich hebben afgespeeld, is de strijd van de Mexicaanse massa tegen het Porfiriaat in onze geschiedenisboeken altijd in de schaduw gebleven van die andere grote wereldbrand uit het begin van de twintigste eeuw, de eerste wereldoorlog. Toch kwamen bij het omverwerpen van de macht van president Porfirio Díaz in 1910, na een dictatuur van 34 jaar, en de daaropvolgende machtstrijd binnen de revolutionaire bewegingen naar schatting één miljoen mensen om het leven. Pas halverwege de jaren dertig kwam Mexico in een enigszins stabiele situatie terecht.
Manuel Álvarez Bravo werd op 4 februari 1902 in Mexico Stad geboren en groeide dus min of meer op met de revolutie. Hij kwam uit een familie van artiesten en schrijvers, en wellicht was het niet meer dan logisch dat hij in 1918 schildertechniek en muziek ging studeren aan de Academia Nacional de Bellas Artes in San Carlos. In 1923 ontmoette hij de Duitse fotograaf Hugo Brehme die hem overtuigde een camera aan te schaffen. En zo werd Bravo, mede dankzij zijn vele contacten met revolutionaire kunstenaars de fotograaf van de Mexicaanse revolutie. Hij had die 'titel' vooral te danken aan de foto waarmee hij in 1934 beroemd werd, 'Obrero en huelga, asesinado' (staker, vermoord).
Obrere en huelga, asesinado (1934)
Toch zou het te ver gaan om Manuel Álvarez Bravo een politieke of revolutionaire fotograaf te noemen. Hij fotografeerde weliswaar op straat, daar waar de revolutie woedde en armoe heerste, maar hij bekeek zijn onderwerpen eerst en vooral vanuit een artistiek oogpunt. Hij was een meester in het vinden van een zekere balans, een symetrie in de onderwerpen die hij vastlegde.
Calabaza y caracol (1928)
Muchacha viendo pàjaros (1931)
Gorrión, claro (1939)
Daarnaast slaagde hij er vaak in een ietwat dromerige sfeer te creëren die min of meer een kenmerk voor Bravo's werk is geworden. Hij wist de werkelijkheid op die momenten iets van fantasie te geven, iets onwerkelijks misschien. Surrealistisch, volgens velen.
El ensueño (1931)
Retrato de lo eterno (1935)
La buena fama durmiendo (1938)
Manuel Álvarez Bravo overleed op 19 oktober 2002, honderd jaar oud, in zijn geboorteplaats Mexico Stad. De pionier voor van de Zuidamerikaanse fotografie is zijn hele leven lang blijven fotograferen, steeds op zoek naar de schoonheid in de gewone dingen. En tot het laatst bijna altijd in zwart-wit, op een enkele uitzondering na zoals de foto met de toepasselijke titel “El color”.
Acto primero (1975)
Los adioses (1984)
Uki (1986)
El color
Bronnen:
Labels:
fotografie,
Manuel Álvarez Bravo,
Mexicaanse revolutie,
Mexico
Eenvoudig gesnater (3 mei 2010)
Achter wat in onze mensenoren als eenvoudig gesnater klinkt gaan dikwijls hele diepzinnige gesprekken schuil van eend tot eend. Hele filosofieën, over hemel en aarde, water en lucht, leven en dood...
,,Mam.''
,,....''
,,Ma-am!''
,,...''
,,Ma-aaaaaaam!''
,,Ja, wat is er jongen?''
,,...''
,,Nou?''
,,Ja, nou weet ik het niet meer.''
,,...''
,,...''
,,...''
,,O ja. Waar gaan wij naartoe als we doodgaan?''
,,Naar de hemel, jongen. Dat heb ik je toch al eens gezegd.''
,,O ja.''
,,...''
,,Is er ook water in de hemel?''
,,Ja jongen. Er is ook water in de hemel.''
,,In een sloot?''
,,Ja, in een sloot. Waar anders?''
,,Nou, in een vijver.''
,,Daar heb ik nog nooit iets over gehoord. Maar ik denk dat er ook wel vijvers zijn in de hemel, hoor.''
,,Net als hier?''
,,Ja, net als hier. Maar dan in spiegelbeeld.''
,,In spiegelbeeld?''
,,Ja, in spiegelbeeld. Dat is hetzelfde wat je ziet als je hier in het water naar beneden kijkt. Maar dan net andersom.''
,,Dus in de hemel moet ik naar boven kijken om mezelf te zien?''
,,...''
,,Mam!''
,,Uh. Ja, ik denk het wel.''
,,En zijn er ook vissen in de hemel, mam?''
,,Ja, natuurlijk zijn er ook vissen in de hemel.''
,,En vliegen die?''
,,Nee, die vliegen niet. Heb je ooit al eens een vis zien vliegen?''
,,Uh... Nee.''
,,Nou dan.''
,,Dus de vissen in de hemel zwemmen?''
,,Ja.''
,,In spiegelbeeld.''
,,Ja.''
,,Maar zwemmen ze dan boven ons of onder ons?''
,,Boven ons. Dat lijkt me logisch. Niet?''
,,Uh... Ik denk het wel.''
,,...''
,,Mam.''
,,....''
,,Ma-am!''
,,...''
,,Ma-aaaaaaam!''
,,Ja, wat nou weer jongen?''
,,Zijn er ook mensen in de hemel?''
,,Ja, jongen. Er zijn ook mensen in de hemel. Maar niet veel.''
,,Niet veel?''
,,Nee. In de hemel zijn alleen maar mensen die de eendjes voeren.''
Bij het “opbergen” en terugkijken van wat foto's draaide ik deze per ongeluk 180 graden. Ik moest meteen aan Bart denken, en aan wat eendjes zoal onder elkaar te vertellen hebben.
Labels:
Bart,
eendjes,
fiction,
foto,
hemel,
leven en dood,
sloot,
spiegelbeeld
Abonneren op:
Posts (Atom)