Posts tonen met het label jeugdherinneringen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugdherinneringen. Alle posts tonen

vrijdag 18 februari 2011

Eindhoven, zondagmorgen (14 april 2010)

Eindhoven. Ben ik er ooit al eens geweest? Ik dacht het wel, maar weet het niet meer zeker. Ergens in een achterkamertje van mijn geheugen heb ik een impressie hangen van de binnenkant van het Evoluon. De entreehal. In zwart-wit, dus het kan best een foto uit een tijdschrift zijn geweest dat ik als kleine jochie door heb zitten te bladeren.

Het feest was leuk, en het werd dus laat. Dit, in combinatie met het begin van de zomertijd, laat alles nog vroeger aanvoelen dan dat het al is. Een douche en een ouderwets Hollands ontbijt (krentenbrood met kaas en beschuit met hagelslag) doen me echter aangenaam, als een eend dobberend op de korte golfjes van een vijver, het ritme van de vroege zondagmorgen aannemen. Ohé en Laak. De zon schijnt laag door het raam. Op een boerderij in de buurt kraait een haan. Nog een kop thee. Ik heb honger, neem ook een zacht gekookt eitje.
Het station in Echt, wachten tot het rode licht gedoofd is, er kan nog een trein komen. Niemand wacht. Echt slaapt nog of wordt pas wakker. Overstappen in Roermond, spoor 3 wordt spoor 2. Overstappen in Weert, spoor 2 wordt weer spoor 3. Station Eindhoven. Net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.

En lijn 401 brengt ons van het station naar het vliegveld. Ook net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.
Eindhoven en Philips zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het korte busritje door de stad laat ook aan de toeristen, dikwijls op doorreis van of naar Amsterdam, weinig aan duidelijkheid over. Ook mijn jeugd en Philips waren met elkaar verstrengeld, als de draadjes van de oordopjes van een ipod of een walkman. Mijn vader werkte bij Philips, en dus droeg de gloeilampengigant, als je het goed bekijkt, financieel direkt bij aan mijn opvoeding en opleiding. Indirekt zou je misschien heel ver door kunnen doorborduren en zelfs tot de conclusie komen dat dit stukje dankzij Philips tot stand is gekomen.
Mijn vader werkte op de flitslampen-afdeling in Terneuzen. Flitslampen waren kleine glazen kogeltjes met een blauwe glans erin. Aan de onderkant staken er twee draadjes uit, die je in een zogenaamd flitsapparaat duwde. Dit apparaat zat op zijn beurt weer met een stekkertje verbonden aan het fototoestel, die het glazen kogeltje in de flitser fel deed oplichten op het moment dat je de ontspanner indrukte. Daarna gooide je de flitslamp weg. Aan de buitenkant leek het glas met brandblaren overdekt en je kon het geen tweede keer gebruiken. Hetzelfde gold overigens voor het filmrolletje: eenmaal vol bracht je het naar de fotograaf die er negatieven van maakte en daar vervolgens foto's van afdrukte. Je moest daarna een nieuw rolletje kopen, want het oude was niet herbruikbaar. De rolletjes waren er in drie formaten: 12, 24 of 36 foto's.
Het was de tijd dat wachten nog gewoon was, net als geduld. Een rolletje laten ontwikkelen en er foto's van laten afdrukken duurde op z'n minst een aantal dagen. Als je ze daarna ging halen rukte ze je meteen uit de enveloppe om ze te bekijken. Het resultaat viel dikwijls tegen, omdat bepaalde dingen zich niet laten vangen in een klik, of heel eenvoudig omdat een bepaalde sfeer niet houdbaar blijkt te zijn op papier. De foto's werden dan thuis nog een keer uit de enveloppe gehaald, maar belandden daarna al snel in een la waar ze vervolgens jarenlang stofferig lagen te worden.
Onze flitslampjes waren dus van Philips, maar ook de batterijen, de gloeilampen, de radio, de televisie, de pick-up, de bandrecorder, de koelkast, de wasmachine, de broodrooster en, toen mijn vader dicht tegen zijn pensioen aanzat, de eerste spaarlampen die zowat een kilo wogen. Een geldstroom in een vrijwel gesloten circuit. Het was dat we ook aten, anders was mijn vader's salaris een perpetuum mobile geweest. En het was dat Philips geen auto's maakte, want anders zouden we ongetwijfeld in een Philips rond gereden hebben. Maar we bleven in de buurt. Mijn ouders zwoeren namelijk bij de volautomaat, de Daf, het unieke produkt van de Van Doornes Autofabrieken die net als Philips hun hoofdvestiging in Eindhoven hadden.

Eindhoven trekt als een enorm doek langs de ingelijste panoramavensters van de bus. Eindhoven op zondagmorgen. Er is weinig volk op straat.
Oude fabriekshallen ademen op een verder bijna braakliggend terrein nog iets van de oude glorie uit. De zestiger jaren, gevangen in de industriële archtectuur van die tijd, en een eindje verder in een woonwijk. Vijf hoog, zes hoog, kleine ramen waarachter ooit de Philips-gezinnen hun aardappelen met jus aten aan het eind van de werkdag. De vensters geven nu de indruk dat er studenten achter wonen. We zijn in de buurt van het Philips-stadion.
Halte Philips-stadion. Lief schrijft na de Arena, de Kuip, de Galgenwaard en het RBC-stadion een vijfde Nederlands voetbal-mekka bij op haar lijstje. Met uitleg. Voor het stadion staan de standbeelden van de topschutters van de club: Coen Dillen en Willy van der Kuijlen.




De eerste was van voor mijn tijd, de tweede viel precies in de periode dat ik mijn voetbalplaatjes verzamelde. Ik heb hem wel honderd keer gezien, want hij was elk seizoen één van die vele dubbele die je in de zakjes van een kwartje vond. Gert Bals was er ook zo één.
We rijden verder en stoppen bij de halte Evoluon. Ondanks haar leeftijd is het nog steeds een supermodern bouwwerk. ,,Ik denk dat ik het wel eens bezocht heb, maar ben niet zeker'', zeg ik tegen Lief.


De huizen worden lager. Het zicht wordt wijder. In de richting van het vliegveld heeft het vlakke landschap plaatsgemaakt voor een al bijna even vlak landschap van één verdieping hoog. Moderne huizen, veel groen, veel ruimte.
In de bus hangt een monitor, waarop beurtelings de volgende halte, de chauffeur, de aankomsttijd op het vliegveld, de slechts bij enkele haltes open en dichtsklappende deuren, en wijzelf te zien zijn. Ik heb niet kunnen ontdekken van welk merk de monitor was.

Als we twee uur voor vertrek willen inchecken krijgen we te horen dat we nog minstens 45 minuten moeten wachten. Perfect om even de kiosk binnen te stappen.
Ik sta op het punt om De Volkskrant van de dag daarvoor te kopen, maar er de zondag-editie van La Repubblica is er al. Dus ik neem die. De dag erna lees ik op internet dat het de laatste 'grote' Volkskrant is geweest. Heel even heb ik iets van 'jammer'. Ik had een stukje historie in mijn bezit kunnen hebben.
Wat boeken betreft is er niet erg veel keus, wat het voor mij een stuk gemakkelijker maakt. Ik kies voor 'Vals licht' van Joost Zwagerman en 'Caesarion' van Tommy Wieringa. En ik besluit een mooie traditie voort te zetten en met een Bril uit Nederland terug te komen: Jongensjaren. Een verzameling verhalen over de jaren zestig en zeventig, staat er op de achterkant geschreven. Onbewust dwalen mijn gedachten af... naar Philips.


In de plassen springen (5 maart 2010)



Rutger Hauer had nog geen dingen gezien die wij, mensen, ons niet voor konden stellen. Paul Verhoeven's instinct was wellicht al 'basic', maar een rolprent daarover was nog ver weg.
Het was 1969. Acht jaar was ik, en ik keek naar Floris. Geproduceerd door Paul Verhoeven, met Rutger Hauer in de hoofdrol.




Rond dezelfde tijd was Pipi Langkous op televisie. Pippi was het bekendste geesteskind van Astrid Lindgren. Minder avontuurlijk, maar ook bij haar was ik een redelijk vaste gast. Het was een Zweedse serie, maar desondanks zagen we hem in het Nederlands. Net als Floris overigens, maar daar was dat normaal.

En dan was er ook nog een serie van een jaar eerder die 'Samen op 't eiland Zeekraai' heette. Ook naar een boek van Astrid Lindgren, en (dus) ook een Zweedse serie. Maar het grote verschil met Pipi Langkous was dat er in het gezin Melkerson wél Zweeds werd gesproken door vader Melker, dochtertje Malin en de zoontjes Nico, Johan en Pelle.
Dat maakte indruk op me. Veertig jaar na dato hoor ik Malin nog de hond roepen: ,,Bootsman, Bootsman!'' En tegen haar broertje de standaardzin: ,,Pelle, wittoewa?''



 


Als ik om iets over zeven thuiskom is op Radio3 net 'Hollywood' begonnen. De titel zegt het al, het is een programma over films. Lief vertelt me over haar werk, Oronzo en Cicia dribbelen ongeduldig rond de tafel want het is tijd voor hun rondje. Ik luister dus niet echt wat er op de radio gezegd wordt. Ik heb er dus geen idee van waarom de het-lijkt-of-ik-vlieg-muziek van Sigur Ros gedraaid wordt. Dat is ook niet echt belangrijk. Belangrijk is dat het gedraaid wordt. Het nummer heet Hoppípolla en is... hemels.




Hoppípolla is IJslands en betekent zoiets als 'in de plassen springen'. Een prachtwoord als je het mij vraagt.
Buiten is het frisjes, maar het heeft gelukkig niet geregend. We maken ons avondrondje. Ik heb de muziek van Sigur Ros in mijn hoofd en mijn gedachten dwalen af naar Bootsman, naar Pippi Langkous, naar Floris...

De tijden veranderen (22 februari 2010)

,,Heb je gezien hoe de Hollander het schaatsen heeft gewonnen?’’
Maandagmorgen, iets voor achten. Zoals elke morgen zijn we verzameld voor ‘la macchina del cafè’, het koffie-apparaat. Gisteren was een mooie dag en velen hebben ervan geprofiteerd om te gaan skieën. Skieën, de bergen, het hoort bij de Trentini zoals de sloten en het schaatsen bij de Nederlanders horen. Valentina houdt niet van skieën en heeft naar de Olympische Spelen zitten kijken. Waar ‘De Hollander’ gewonnen heeft. Een beetje beschaamd moet ik bekennen dat ik mijn landgenoot niet heb gezien. De tijden veranderen.
,,Wat voor afstand?’’, vraag ik. ,,De 1500 meter’’, zegt Valentina.
,,En hoe heet die Hollander?’’ Op die vraag moet Valentina het antwoord schuldig blijven. Ze maakt weliswaar enige schaatsbewegingen, maar er is niets in haar stijl wat me naar welke Nederlandse schaatsenrijder dan ook leidt. Niet eens naar Ard en Keessie.

De tijden veranderen. Ooit zat ik als klein jongetje de hele zaterdag en zondag voor de televisie. De PZC was nog een krant die die qua formaat driekwart van de tafel bedekte. Vier pagina’s werden ingenomen door de schema’s van de 500, de 5000, de 1500 en de 10000 meter. Tabellen met open vakjes die, naarmate de dag vorderde gevuld werden met de rondetijden van elk koppel.
Ard Schenk, Kees Verkerk, Jan Bols. Dikke ‘schaatspakken’, herkenbare schaatsmutsen. De beelden in zwart-wit. Onder in het beeld de tijd die nog eenvoudig in tienden van seconden (dat was al heel wat) met de lange slagen op het rechte eind en de pootjes-over in de bochten meeliep. Het omega-tekentje, wat voor velen de eerste aanraking met het Grieks was. Een randje sneeuw vormde de afscheiding tussen de twee banen, en een val werd nog niet veroorzaakt door een blokje.
En de stem. Nee. DE STEM. Theo Koomen die alles in een onstuitbaar enthousiasme van commentaar voorzag. Ik hoor nog zijn woorden toen Ard Schenk in 1971 op de tien kilometer voor het eerst onder de vijftien minuten (14:55.9) bleef. Een eeuwigheid, maar desondanks bleef ik aan de buis gekluisterd en werd er slechts tijdens de dweilpauzes gegeten.

Een jaar later schreef ‘de lange’ wederom historie door op de Olympische Spelen van Saporro drie maal goud te winnen. Men schaatste nog gewoon buiten. Het enige binnenijs dat we kenden was dat in het vriesvak van de koelkast. De winter verlamde Nederland nog niet. En men droomde van de Elstedentocht die na Reinier Papings overwinning in 1963 alweer acht jaar op zich liet wachten.
Om de herhaling van de beelden van Schenk te zien moesten we wachten tot 31 december in het sport-jaaroverzicht.
Het was 1972 en ik was elf jaar oud. Nog nooit had ik van Bob Dylan gehoord, laat staan van zijn ‘The times they are a-Changin’.



2010.
Nederland zucht onder een lange winter, maar droomt van een Elfstedentocht die na Henk Angenent’s overwinning in 1997 alweer 13 jaar op zich laat wachten. Het zout is op. Zelfs het kabinet glijdt uit.
2010.
Ik zoek op internet wie de 1500 meter heeft gewonnen. Het blijkt Mark Tuitert te zijn, waar ik nog nooit van gehoord heb (sorry Mark). Ik lees dat het de eerste Nederlander is die de Olympische titel op deze afstand in de wacht sleept na Ard Schenk in 1972. Schenk deed dat in een tijd van 2:02.96. Tuitert deed dat afgelopen zaterdag in 1:45.57. Op internet zie ik zijn zegetocht zo vaak als dat ik maar wil, net als die van Ireen Wüst en Sven Kramer.
2010.
Sinds ‘The times they are a-Changin’ heeft het werk van Bob Dylan de meest verrassende richtingen gekozen. Verrassend was ook zijn laatste album, ‘Christmas in the Heart’, waarop 15 kerstklassiekers in een soms meer, soms minder origineel Dylan-jasje werden gegoten.
Op 12 maart staat Uncle Bob weer gewoon op de planken. In Osaka begint hij zijn zoveelste wereld-tour.
Ik denk dat ik vanavond ‘Live at Budokan’ maar weer eens uit de kast haal.


zaterdag 5 februari 2011

... en schaatser (11 januari 2009)

Als ik zo de internet-edities van de vaderlandse dagbladen doorblader lijkt de Elfstedenkoorts weer in volle hevigheid te zijn toegeslagen. Mijn speurtocht naar het laatste nieuws over de Tocht der Tochten maakt duidelijk dat het virus tot ver over de landsgrenzen reikt. Ik neem gemakshalve aan dat ik niet de enige Nederlander in het buitenland ben die het een beetje voelt kriebelen.
Ook in Italië wordt geschaatst, maar het is mondjesmaat. Compleet dichtgevroren meren liggen er spiegelglad maar maagdelijk bij. Een dergelijke ijsvloer, die in mijn omgeving gemakkelijk tot een dikte gaat van 30-40 centimeter, zou in Nederland ongetwijfeld het podium zijn waarop een massa schaatsliefhebbers hun rondjes 36, hun Cherryflips (niet te verwarren met de sherryflip), Lutzen, Salchovs, Rittbergers en Axels ten toon zouden spreiden. Op de bevroren plassen in Trentino heerst echter een diepe, winterse rust, een enkele uitzondering daargelaten.
Het kunstrijden kent wel wat aandacht, maar "ons" hardrijden op de schaats gaat hier schuil onder een gigantische ijsberg van desinteresse. Er is één officiële 400-meter baan in Italië en die bevindt zich in Baselga di Piné, een dorp met een kleine 4500 inwoners, 18 kilometer verwijderd van Trento. Je vindt er geen files als er de nationale kampioenschappen worden verreden. De reportage van ongeveer een minuut die het regionale tv-journaal over het evenement verzorgt toont als het echt druk is een menigte van anderhalve man en een paardekop. Ofwel "un uomo e mezzo e una testa di cavallo", want het zijn tenslotte de Italiaanse nationale kampioenschappen hardrijden op de schaats. Grote namen als Roberto Sighel en Enrico Fabris (de eerste woont in Baselga di Piné, de tweede in Asiago, op het randje van de provincie Trentino) klinken als je ze in Nederland uitspreekt, maar in Italië worden wenkbrauwen vragend opgetrokken als je de wereld- en olympische kampioenen vernoemt. ,,Chi?'' ,,Wie?''

De Elfstedentocht die mij het meest bijstaat is die van 1986. En niet alleen omdat Evert van Benthem op die 26e februari geschiedenis schreef door in een tijd van 6 uur, 55 minuten en 17 seconden voor de tweede opeenvolgende keer als winnaar op de Bonkevaart in Leeuwarden over de finish te gaan. De 14 editie van de 199.600 meter lange slooptocht is voor mij vooral onvergetelijk geworden dankzij een toenmalige collega van me, die ik hier Piet zal noemen omdat hij zo heet. Piet heeft niet meegedaan, maar was na 1985 zo in de ban geraakt van de tocht dat hij een jaar later vrij wilde nemen om de hele rit rechtstreeks vanaf de bank in de behaaglijk warme huiskamer mee te maken. Helaas kon hij die donderdag geen snipperdag krijgen, maar dat was geen probleem. 's Morgens om zes uur bij de start drukte hij de ''rec'' van zijn videorecorder in en het spel kon beginnen. De televisie ging uit, er werd rustig ontbeten en met een goed gemoed vertrok Piet naar het werk. Om iets voor negen belde hij de eerste keer naar huis, voor het geval zijn echtgenote eens zou vergeten er een andere videoband in te steken. Piet was die dag een tevreden mens, en aan iedereen die het wel en niet horen wilde liet hij weten dat hij vanavond, of morgen en misschien ook nog eens zaterdag de hele tocht op zijn gemak zou kunnen bekijken. Elke meter. Om iets voor twaalven, ongeveer een uur voordat Van Benthem over de finish zou gaan, werd nog eens naar huis gebeld. En om drie uur nog eens, want Piet wilde ook de toerrijders aan zien komen. De bandenwisseling van zes uur 's avonds redde hij zelf door zich meteen na het werk met de snelheid van een in de laatste honderd meter op de hielen gezeten koploper van de Elfstedentocht naar huis te spoeden. Om negen uur werd voor de laatste keer die dag de de ''stop'' van de videorecorder ingedrukt, de ''eject'' volgde in één vloeiende beweging, heel even wachten tot de klep zich opende, band eruit, band erin, klep dicht, klik en klak, "rec". Een pitstop in de formule 1 was er niks bij.
Toen Piet de volgende morgen op het werk verscheen leek het of hij meteen om twaalf uur, aan het eind van de uitzending, aan zijn project - het in zijn geheel bekijken van de Elfstedentocht - begonnen was. Hij zag er moe uit, niet uitgeslapen en bovendien had hij een pesthumeur. Pas om een uur of tien kwam het hoge woord eruit: de Elfstedentocht was op Nederland 1 uitgezonden, maar de videorecorder had op Nederland 2 ingesteld gestaan.

Piet en ik werkten op een fabriek in Sluiskil, een fabriek die vroeger de Compagnie Neérlandaise de l'Azote heette. Vroeger betekent van 1929 tot 1963. Toen veranderde men van eigenaar en van naam. Later gebeurde dat nog twee keer, maar desondanks bleven en blijven veel oudere Zeeuws Vlamingen het bedrijf de Lazotte noemen. Dat is wel zo eenvoudig.
De Lazotte maakte vanaf het begin af aan kunstmest, en het schijnt dat je door een kleinigheidje te veranderen in het produktieproces al heel gauw en eenvoudig over kunt gaan tot de produktie van springstof. Toen Nederland in de Tweede Wereldoorlog door onze oosterburen werd bezet bleek de fabriek dan ook meer dan een gezonde dosis aan interesses op te wekken bij de Duitsers. Men wilde de fabriek maar wat graag weer opstarten, waar de Engelsen echter lucht van kregen en dus regelmatig wat bommen op de installaties uitstrooiden. Toen had men nog niet de beschikking over de uiterst geavanceerde precisiewapens die nu in omloop zijn. Het precisie-element in de bombardementen van toen was de piloot, één oog dichtgeknepen, het andere geopend en dan maar mikken. Dat ging wel eens fout natuurlijk, maar om nu te zeggen dat de resultaten tegenwoordig zoveel beter zijn dan toen. Ik heb er mijn twijfels over.
Op een mooie zomerdag in die oorlogsjaren was mijn moeder, een jaar of twaalf oud toen, er met een paar vriendinnetjes op de fiets op uitgetrokken. Vanaf Axel via de Steenovens naar Spui, en dan door de Koegorsstraat naar de Sassing en terug naar huis. Halverwege de Koegorsstraat kom je achterlangs de Lazotte, en daar barstte de hel los. Engelse vliegtuigen kwamen over en losten hun vracht, die bressen sloeg in opslagloodsen, vlammen sloeg uit ingewikkelde pijpleidingsystemen, putten sloeg in de omliggende akkers, en een anker sloeg voor het leven in de herinnering van drie meisjes. Hun fietsen lagen midden op de weg, en ze hadden beschutting gezocht in een droogstaande sloot, waar ze huilend en met de vingers in de oren afwachtten.
Toen de rust weerkeerde kropen ze uit hun schuilplaats en zonder nog een woord te zeggen fietsten ze als de wind terug naar huis. Ze konden - gelukkig - hun verhaal navertellen, en de bommen waren van de toekomstige bevrijder. Voor de rest, Sluiskil, Hamburg, Ramallah, Jerusalem, Gaza, wat is het verschil? Er liggen 65 jaar geschiedenis tussen, waarin schijnbaar weinig is geleerd en veranderd. Onschuldige burgers sneuvelen nog altijd, overal ter wereld.

Het laatste stukje op de fiets, langs de Sassing, de Grote Kreek, naar Axel. De Grote Kreek, waar ik 21 jaar later voor het eerst met de schaatsen aan op het ijs stond. Het feit dat nog eens precies 21 jaar later Van Benthem zijn tweede Elfstedentocht won mag gerust louter toeval genoemd worden.
Ook het feit dat een van de onderdelen van de kür bij het kunstschaatsen Axel genoemd wordt heeft niets te maken met het Zeeuwsvlaamse stadje waar ik ben opgegroeid, maar alles met de Noorse schaatser Axel Paulsen (1855-1938) die de sprong voor het eerst uitvoerde. De zeer eigenzinnige Paulsen was ook nog eens de beste hardrijder aan het eind van de negentiende eeuw, maar het is niet bekend of hij de sprong ook tijdens dit soort wedstrijden uitvoerde. Wel schijnt hij de de mijl eens achteruit gereden te hebben. In 1888 moet dat geweest zijn, op Hollands ijs. Zijn tijd was een meer dan verdienstelijke drie en een halve minuut.
Maar het Axel waar ik het over heb heeft nooit een stempel kunnen drukken op het kunstrijden, het hardrijden of enige andere wintersport. Ik realiseer me dat ik daar mede debet aan ben geweest. Met enige fantasie zou ik tot de conclusie kunnen komen dat ik het "klapschaatsen" heb uitgevonden (vernoemd naar het geluid waarmee ik tijdens mijn krabbelpartijen regelmatig met het zitvlak de harde ijsvloer beroerde), maar deze term komt slechts als zelfstandig naamwoord in de woordenboeken voor, en niet als werkwoord. Ik was geen talent op de gladde ijzers. Mijn rondjes 36,6 waren minuten in plaats van seconden. Het "tikkertje op ijs" was meer geliefd bij mijn vriendjes dan bij mij, waarschijnlijk omdat ik 'em altijd was en niemand te pakken wist te krijgen. Mijn grootste probleem was het stoppen, wat ik nooit onder de knie heb weten te krijgen. En dat is lastig bij het schaatsen. Je hebt dan twee keuzes. Of door blijven rijden totdat de dooi invalt of je in de walkant boren om op die manier tot stilstand te komen. Ik opteerde voor het laatste, temeer omdat ik daar na verloop van tijd wel enige bedrevenheid in kreeg. Het werd uiteindelijk mijn sterkste onderdeel van het schaatsen.

De winters uit mijn jeugd bezorgden gelukkig niet alleen ijs, maar ook sneeuw. Daar was ik meer in thuis. Op het groentje (ik geloof niet dat dat toen al zo heette) voor de deur van mijn achterbuurjongetje Kees kwam bij de eerste sneeuwval altijd een sneeuwpop te staan. Daarbij gingen we niet al te kieskeurig te werk. Het deerde ons weinig dat het egale wit van de drie bollen waarmee onder-, bovenlichaam en hoofd gevormd werden hier en daar wat donkerder kleurde dankzij de hondekeutels die zich ook op het groentje bevonden.
Bij ons iglo-project was dat anders. Hier wilden we alleen de witste sneeuw voor wat we met een kruiwagen overal vandaan haalden. Avond na avond werkten we eraan na schooltijd. Rond etenstijd kreeg het iets van een sterreclame. Bure Jannie maakte dikke witte boterhammen met pindakaas die ze ons door het raam aanreikte. Keesje en ik aten ze, gezeten op de vensterbank, op. Ze raakten geen keelgat, want honger hadden we gekregen van al dat werk. Voor ons glinsterde de basis van onze iglo in het gelige licht van de lantaarnpaal. Het zou helemaal af zijn geweest als er op dat moment iemand langs was gekomen...
,,Zo, jongens. Smaakt het?''
,,Hmm, hmm.''
,,Boterham met pindakaas zeker, hè?''
,,Ja, ze zeggen dat je er sterk van wordt, van pindakaas.''
,,Dan willen jullie vast wel architect worden, hè?''
,,En schaatser.''
,,Eet dan maar lekker door, jongens.''

Ik weet niet wat Keesje later is gaan doen voor de kost. Ik ben in ieder geval geen architect geworden. En al evenmin schaatser.