Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen

dinsdag 22 februari 2011

De kerststal blijft nog even staan (29 december 2010)

Kertmis is voorbij, maar de kerststal blijft nog even staan. In Bologna zijn er maar liefst 37 die in het kader van het jaarlijkse terugkerende "Andar per presepi in città" (een wandeling langs de kerststallen in de stad) zijn opgesteld in kerken, musea en overheidsgebouwen. De meesten zijn tot 9 januari te bezichtigen.
De mooiste kerststal is zonder twijfel die van de beeldhouwer Adelfo Galli die onder de naam "presepio fra gli uomini" (kerststal tussen de mensen) in het Palazzo Comunale van de stad te zien is. Galli heeft zijn kerststal speciaal voor het evenement gemaakt. Zijn kunstwerk bestaat geheel uit terracotta, een zee van bustes, allen gericht op een ouderpaar en hun pasgeboren nakomeling.


101223 - 1638

Maria, Josef en Jezus zijn niet echt op de traditionele manier weergegeven, zoals we gewend zijn. Ze hebben voor mij iets van 'zo moet het geweest zijn als het er geweest is', heel natuurlijk, heel echt.

En aan de ingang van het Palazzo Comunale deze prachtige engel in terracotta, ook van Adelfo Galli.



101223 - 1656

Chardin, de schilder van de stilte (25 december 2010)


Het was iets voor kerst toen ik in 1997 voor het eerst in Ferrara was. De winterzon belichtte de stad van de Estes als de set van een historische film. De lucht, koud en flinterdun, penetreerde bij elke ademhaling tot in de uiterste puntjes van mijn longen. Elk lokaal nodigde uit. Een Lambrusco, een toost, op Ferrara, op Italië, op de toekomst.
De volgende ochtend toonde de stad haar andere gezicht. Mist, wat in Ferrara enkel zo genoemd wordt omdat er geen superlatieven voor zijn. De wereld was van het ene op het andere moment zo klein geworden dat je slechts met moeite de andere kant van de straat kon zien. Een klamme, waterkoude deken die je omhult, bezit van je neemt. IJskoude vingers die zelfs het binnenste van je botten lijken te beroeren.
Het is die mist, die het antieke, rijke Ferrara tussen pakweg 1200 en 1500 construeerde. De mist verhulde, ontnam het zicht op het zichtbare wat onzichtbaar werd in het grijs. Struikrovers werden één met hun omgeving, en hadden vrij spel. De stad wapende zich tegen de misdaad door het groen zo goed als geheel uit het straatbeeld te bannen. En zo vormde Ferrara zich als een bijna "kale" stad.
Achter de ongastvrije facades van de imponente 'palazzi' gaat echter een heel andere wereld schuil. Bijna elk pand heeft een weelderige interne tuin, waar het geluid van de straat slechts van heel ver in flarden hoorbaar is en waar de stilte voor de rest enkel doorbroken wordt door het getsjilp van de vogels.

Ook het Palazzo dei Diamanti heeft haar interne tuin. Die is echter een stuk minder spectaculair als de buitenkant van het door Biagio Rosetti, in opdracht van de graaf Sigismondo d'Este ontworpen gebouw. De buitenmuren zijn opgetrokken uit ongeveer 8500 blokken van marmer, die allemaal de vorm van de punt van een diamant hebben. Toen het palazzo klaar was, in 1503, ontstond de legende dat er in elke punt een echte diamant schuil ging. Dat verklaart de vele beschadigingen van de onderste puntenrijen, veroorzaakt door goedgelovige gelukszoekers.




Vanaf 1832 is het Palazzo dei Diamanti in bezit van de gemeente Ferrara, die er een museum van gemaakt heeft. Op het ogenblik is er onder de naam 'Il pittore del silenzio' ('De schilder van de stilte') een tentoonstelling te zien van de Franse schilder Jean-Baptiste Siméon Chardin.



De eigenzinnigheid van sommige kunstenaars verdient op zich een zekere bewondering. Chardin was een van die eigenzinnige kunstenaars. Geboren op 2 november 1699 in een Parijs dat steeds nadrukkelijker de rol van episch centrum van de Europese cultuur en kunst opeiste viel hij met zijn poeperd precies in de rococo-beurre. De rococo, ook wel de late barok genoemd, kende haar bloeitijd immers van de vroeg tot de laat 18e eeuw. Wie het vroege werk van Chardin vergelijkt met dat van de trendsetters van de rococo, zoals bijvoorbeeld Jean-Antoine Watteau, kan niet anders dan concluderen dat de Parijzenaar weinig gemeen had met zijn tijdgenoten. Zijn werken misten de delicate (pastel-)kleuren, de gezochte vormen, de ornamenten en vooral de (perfecte) mensenfiguren die zo typisch waren voor die tijd. Daar waar de rococo-doeken bijna hoorbaar aanwezig zijn in een ruimte, gaan de schilderijen van Jean-Baptiste Siméon Chardin er als het ware in op. Zijn stillevens zijn realistisch. Zijn licht-schaduw-verhoudingen missen het bombastische van de rococo. Stilte, een meer passende naam had men de tentoonstelling niet kunnen geven.



Ondanks het feit dat Chardin totaal uit de toon viel bij de andere Franse kunstenaars uit zijn tijd (hij maakte geen studiereis naar Rome, de bakermat van de barok en de rococo, zoals velen deden; sterker, hij zette practisch nooit één stap buiten de wijk waar hij geboren was, Saint-Germain-des-Prés) werd hij in 1724 toegelaten aan de Académie de Saint-Luc. Vier jaar later trokken twee van zijn werken, 'La Raie' en 'Le Buffet', de aandacht van enkele leden van de Académi
 e royale en waren daarmee het opstapje naar het mekka voor Chardin: de koninklijke academie voor schilder en beeldhoudkunst.
Tot 1730 heeft de "schilder van de stilte" vast weten te houden aan zijn stijl, maar daarna begonnen de perfect uitgebalanceerde stillevens steeds meer plaats te maken voor huiselijke middelklasse-taferelen. Volgense sommige bronnen was deze overstap een nieuwe uitdaging, volgens anderen was de reden puur commercieel. Portretten betaalden immers beter, zeker als ze in opdracht gemaakt werden.



In 1756 keerde hij de mensen echter de rug toe en keerde terug naar zijn basis, stilte, stillevens. Hij kon dat zonder problemen doen, want dankzij een pensioen dat hem dankzij Louis XV was toegekend voor zijn werk als 'schatbewaarder' van het Louvre en organisator van de jaarlijkse Salon was hij minder afhankelijk van de  verkoop van zijn schilderijen. De stillevens uit deze periode zijn 'rijker' als de eerste, niet alleen wat voorwerpen betreft (Chardin's relatieve rijkdom is eruit af te lezen) maar vooral op het gebied van de compositie. De opbouw is perfect, en dient later zelfs als leidraad voor grote moderne schilders zoals Morandi, Braque, Matisse en Cézanne. In een van de brieven aan zijn broer Theo steekt ook Vincent van Gogh in 1885 zijn bewondering voor Chardin niet onder stoelen of banken. Hij vergelijkt hem zelfs met Rembrandt.




Ondanks zijn rijke carrière zijn de laatste jaren van Chardin allerminst rooskleurig. Zijn enige zoon Pierre-Jean, met kunstenaarstalent begaafd zoals zijn vader, pleegt in 1767 zelfmoord. De nieuwe directeur van de Académie Royale schroeft het pensioen van de oude meester terug die beetje bij beetje zijn aanzien bij het publiek verliest. Bovendien krijgt hij gezondheidsproblemen en is genoodzaakt over te stappen van olieverf op pastel omdat dat minder inbreuk doet op zijn gezichtsvermogen. Hoewel de portretten met die nieuwe techniek later veel bewondering wekken, worden ze op dat moment zelf met weinig gejuich ontvangen.
Op 6 december 1779, 80 jaar oud, overlijdt Jean-Baptiste Siméon Chardin in de bijna-anonimiteit in zijn Parijs dat hij bijna nooit verlaten heeft. Zijn Parijs dat het te druk heeft met zichzelf om aan de grootste schilder uit haar geschiedenis te denken. Een Parijs dat lijdt, maar allesbehalve in stilte. Tien jaar later wordt de Bastille bestormd.





De tentoonstelling 'Il pittore del silenzio' is tot 30 januari 2011 te zien in heet Palazzo dei Diamanti in Ferrara. Daarna verhuist de tentoonstelling naar Madrid. Het Museo del Prado huisvest van 28 februari tot 29 mei 2011 de prachtige collectie schilderijen van Jean-Baptiste Siméon Chardin. Een aanrader.

Foto's werken Chardin en bronnen: internet.

vrijdag 18 februari 2011

Eugenio Prati, van realisme tot symbolisme (5 april 2010)

Ooit was Palazzo delle Albere een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen voor politiek en kerkelijk Trento. De villa van de familie Mudrazzo - één van de rijkste en invloedrijkste families in de geschiedenis van de noorditaliaanse provinciehoofdstad - lag aan het westelijke eind van een immense tuin aan de oever de Adige. De oprijlaan telde na de constructie in 1550 maar liefst 600 meter, en werd omzoomd door een haag van bomen. Vandaar de naam Palazzo delle Albere, Villa van de Bomen.
Tegenwoordig ligt het vierkante landhuis er wat verloren bij. Nog steeds in de nabijheid van de rivier de Adige, dat wel, maar van de immense tuinen en van de oprijlaan is niets meer over. Aan de noordkant ligt het stadion van de lokale voetbalclub, aan de zuidkant heeft een oud industrieterrein onlangs plaats gemaakt voor een kale vlakte waar men inmiddels een compleet nieuwe wijk uit de grond aan het stampen is.
Palazzo delle Albere was gedoemd ten onder te gaan als een van die vele Italiaanse monumenten in de ongelijke strijd van de laatste decennia met het beton. Gelukkig kwam het niet zover. In 1987 werd de villa door het MART (Museo d'arte moderna e contemporanea di Trento e Rovereto) overgenomen. Na een grondige verbouwing is het een vaste stek voor tentoonstellingen geworden.

Eugenio Prati werd op 27 januari 1942 in Caldonazzo geboren, op een steenworp van Trento vandaan. Hij was de oudste van de tien kinderen van landmeter Domenico Prati en Lucia Garbari. Reeds op 12-jarige leeftijd krijgt hij op de Accademia di belli arti in Venezië zijn eerste schilderslessen. Zijn meesters zijn Michelangelo Grigoletti, Pompeo Molmenti en Karl von Blaas. Ze leggen de basis voor het realisme dat de eerste periode van het werk van Prati typeert. In Florence, waar hij in 1866 is gaan studeren, komt Prati in aanraking met verschillende andere meesters en collega's. Zijn doeken nemen iets meer afstand van de 'pure waarheid', zijn kleuren worden warmer, intenser... Heel geleidelijk ontstaat een eigen stijl die door de decennia heen steeds meer symbolisch zal worden, maar nooit volledig het realisme los zal laten. Ook zijn 'wortels' blijven zichtbaar en de berglandschappen keren herhaaldelijk terug op zijn schilderijen, zelfs als hij later in Milaan en Parijs werkt.





In 1879 trouwt Eugenio Prato en samen met zijn vrouw Ersilia Vasselai keert hij terug naar zijn Trentino. Op 8 maart 1907 overlijdt hij na een kort ziekbed in zijn geboorteplaats Caldonazzo.


 
Veel van het werk van Eugenio Prati is op het ogenblik te zien in Palazzo delle Albere in Trento. De tentoonstelling Eugenio Prati (1842-1907) fra Scapigliatura e Simbolismo” loopt nog tot 25 april.

De foto's komen van internet.

woensdag 16 februari 2011

IJsgezichten, toen en nu (24 januari 2010)

De winter was koud, grijs. Dag en nacht bestonden bijna niet. Heel anders als in de zomer, die de hemel dan weer blauw kleurde, dan weer in verschillende tinten grijs, dan weer zwart met waterige sterrenpunten of een licht vertekende halve circel van de maan. De winter betekende gewoon nacht, een hemel die varieerde van donkergrijs tot gitzwart.
Niemand ging naar school in de winter. Het gevaar in het duister de weg kwijt te raken was te groot. Ook Hyung-Bay niet. Hij was nu twee jaar oud, en overleefde de winter in de modder van de rivier. Elke beweging tot een minimum beperkend. Want bewegen betekende energie verbruiken, energie verbuiken betekende eten, en eten... Eten was er bijna niet in de winter in de rivier. Het koude water stond bijna stil. Licht drong niet door de dikke ijsvloer heen. Planten stierven af.
Eén maal in die lange winter, één maal in elke lange winter, stond het leven op de bodem van de rivier echter op z'n kop. Bewegen was energie verbruiken, maar niet bewegen was in het ongewis blijven van een van de vreemdste verschijnselen die de rivierbevolking kende. De midwinternacht.
De midwinternacht werd getypeerd door een zee van sterren die van het ene moment op het andere aan de hemel verscheen. Een verschijnsel dat veel deed discusseren, maar hoewel de verklaringen legio waren, was nog nooit echt bewezen wat er nu werkelijk achter zat. De oudsten spraken met enige eerbied over 'de kentering', een teken van de goden, dat heel geleidelijk gevolgd werd door het lichter worden van de hemel, het stijgen van de temperatuur. Een kleine groep geleerde vissen hield het op een gevolg van de vervuiling van de rivier. De 'gaten' in de hemel waren volgens hen te danken aan een extreem hoog stikstofgehalte van het water, dat juist op die ene dag in de winter, door extreme stromingen gedreven het 'dak' raakte, de ijsvloer, de hemel. En dan was er een redelijk aantal vissen die op die dag des oordeels bibberend de vinnen tegen elkaar aan vouwde en bad, bad, bad totdat de schubben ervan af vlogen. Het was immers de dag des oordeels. Oppermachtige wezens die heersten over leven en dood, over hemel, water en aarde, maakten zich klaar om het laatste oordeel uit te spreken over de populatie die leefde op de bodem van de rivier. Vreemde wezens, die leefden (ook al was leven wellicht niet het juiste woord, want een bestaan buiten het water was gewoonweg onvoorstelbaar) zonder schubben, zonder vinnen, zonder kieuwen.

Een dikke worm kwam langzaam uit de hemel omlaag gezakt en vleidde zich zacht en verleidelijk op enkele centimeters van Hyung-Bay verwijderd op het gladde modderbed van de bodem van de rivier. Hyung-Bay behoorde niet tot de groep van aanhangers van de gedachte van het laatste oordeel, maar desondanks was hij voorzichtig en keek nieuwsgierig van een afstandje naar de dikke worm. Het water liep hem in de mond. Zou hij dan toch eens een kleine hapje... Neeje. Of... Neeje. Terwijl hij zo stond te dubben kwam plotseling Hyung's buurjongetje Kim vanachter een half vergane plant en hapte gretig in de dikke worm. Op hetzelfde moment begon deze aan de terugreis naar waar hij vandaan was gekomen. Omhoog, richting hemel, richting die ene ster. Kim liet de worm niet los en volgde hem omhoog. Zijn staart sloeg wild van links naar rechts in het water. Hyung-Bay begreep niet of het van pijn, paniek, blijdschap of opwinding was.

,,Beet,'' riep het meisje. ,,Ik heb beet!''




Duizenden vissers op het bevroren oppervlakte van de rivier bij Hwacheon, in Zuid-Korea. Het plaatselijke ijsfestival, zo'n 120 kilometer ten noordwesten van Seoul, trekt elk jaar honderdduizenden bezoekers. Een van de onderdelen van het festival is de viswedstrijd op forel.

Foto: Yung Yeon-Je (AFP).
Bron: Boston.com.
 

 
Uren kan ik op dergelijke foto's blijven turen. De ijsboren die her en der karakteristiek op het ijs liggen. De manier van vissen, sommigen met een hengel op enige afstand van hun gat, anderen enkel met een lijn, soms tot met de neus bijna in het ijskoude water. Wat me opvalt is verder de eenzaamheid die ondanks de drukte uit de foto spreekt. Vissen is duidelijk een individuele sport, waar weinig ruimte is voor sociale bezigheden zoals een babbeltje met een concurrent. Zou je het daarom een “stomme” sport kunnen noemen? Waarmee ik niet doel op de intelligentie van de gemiddelde vissers, laat dat duidelijk zijn.


Bij het zien van deze foto moest ik meteen aan Hendrick Avercamp denken. De “stomme van Kampen”, zo werd de van 1585 tot 1634 levende schilder genoemd. En ook dat sloeg niet op zijn geestelijke vermogens. Avercamp kon namelijk niet praten.
De foto uit Hwacheon met de stomme vissers raakt daarmee onverwachts veel dieper het werk waarmee Avercamp in zijn periode een geheel nieuw genre neerzette.


Zijn 'ijsgezichten' zijn nog tot 15 februari te zien in de tentoonstelling Hendrick Avercamp: IJspret in het Amsterdamse Rijksmuseum.
RED, Theo/Klaverblad en Wieteke van Zeil berichtten er al eerder en uitgebreid over op het VK-blog en in de VK-kunsttips.



 
Het meisje heeft die avond een heel klein stukje van haar forel gegeten. Met een vies gezicht, want eigenlijk houdt ze helemaal niet van forel. En nu mag ze nog even buiten spelen.
Samen met haar buurjongetje heeft ze een sneeuwpop gemaakt. Hij is prachtig geworden. Een wortel als neus, een pijp in de mond, een sjaal om, een hoed op en gitzwarte ogen. Vanaf het bankje in de tuin kijken ze trots naar hun werk. Witte wolkjes adem waaieren uit hun mond de koude avondlucht in. Boven de kinderbolletjes een diepzwart hemelferment, waaraan duizenden sterren hangen te knipogen.
Yang-Su reikt naar de mok met warme chocolademelk die iemand, zonder dat ze het gezien heeft, naast haar op de tuinbank heeft neergezet. Ze pakt hem op, warmt haar handjes aan het aangenaam warme porselein. Ze blaast en neemt voorzichtig slurpend een slok...
En dan vliegt ze omhoog, richting hemel, richting die ene ster. Yang-Su laat de mok niet los. Haar beentjes spartelen en trappelen in het rond in het luchtledige. Het buurjongetje begrijpt niet of het van pijn, van paniek is, of van blijdschap en van opwinding...

721/1943 (7 januari 2010)

In de ring danste hij, zoals decennia na hem Mohamed Ali dat deed. Johann Trollmann, bijgenaamd “Rukelie”.


De, op 27 december 1907 in Wilsche geboren Trollmann begon zijn carrière midden jaren ’20. Hij was een talent en zijn ster rees. Zoals gezegd, hij danste, en won, en won. Aan het eind van de jaren ’20 was hij al een van de populairste boksers in Duitsland. Vooral bij het vrouwelijke gedeelte van het publiek, waarvoor hij zelfs tijd had om tijdens de wedstijden mee te flirten vanuit de ring.
Rukelie danste, en won, en op 9 juni 1933 stond hij in Berlijn tegenover Adolf Witt om uit te maken wie zich vanaf dat moment Duits kampioen middengewicht zou mogen noemen. De reden voor het titelgevecht was een schande: aan Eric Seeling, de kampioen van dat moment, was namelijk de titel ontnomen omdat hij jood was. En joden mochten sinds de nazi’s aan de macht waren niet meer boksen.

Ariër Adolf Witt was de gedoodvergde winnaar, maar het liep anders. Als een wesp cirkelde Trollmann om hem heen en keer op keer brak hij met vinnige stoten door de veerdediging van zijn tegenstander heen. “Rukelie” danste, en beukte Witt in een medogenloos ballet suf. Het wachten was slechts op de genadeslag. Die kwam onverwachts, maar niet vanuit de ring. De aanwezige hoogwaardigheidsbekleders wilden geen zigeuner (want Johann Trollmann was van sinti-afkomst) als kampioen en lieten de jury het gevecht voortijdig met een “no decision” eindigen voordat Witt definitief tegen het canvas zou gaan. Het publiek reageerde woedend en de jury dreigde gelyncht te worden. Daarop werd alsnog besloten “Rukelie” als winnaar uit te roepen.
Een week later verklaarde de Duitse boksbond de titel echter ongeldig omdat Trollmann zijn tranen de vrije loop had gelaten van blijdschap, en dat was volgens de gezaghebbers een bokser onwaardig. “Rukelie” kreeg een nieuwe kans, maar het gevecht op 21 juli tegen Gustav Eder (een soort van blonde hulk) was dusdanig geregiseerd dat de winnaar van tevoren bekend was. De zigeuner mocht namelijk niet dansen, mocht het midden van de ring niet verlaten, want anders zou hij zijn boks-licensie verliezen. Ook “Rukelie” kende dus de uitkomst voordat zijn tweede titelgevecht begon. Het zou logisch zijn geweest verstek te laten gaan, maar hij was present. En hoe. Trollmann had zijn zwarte krullen goudblond laten verven en hij had zijn huid met meel “blank” gemaakt, een karikatuur van de ariër, waarmee hij zijn minachting voor de rassenwetten van de nazi’s duidelijk maakte. Hij behield zijn licensie, danste niet, en bleef als een rots in het midden van de ring staan. Vijf ronden lang bleef hij overeind onder de regen van stoten van Eder. Pas daarna ging hij knock-out, en het blonde ras had gezegevierd.

“Rukelie” heeft nooit meer een eerlijke kans gekregen om zich te verdedigen. Zoals elke zigeuner in die tijd werd hij gediscrimineerd, vervolgd. Hij wist slechts aan het concentratiekamp te ontkomen door zich te laten steriliseren. Zigeuners die zich konden voortplanten waren immers een bedreiging voor de natie, en werden net als de joden uitgeroeid.
In 1939 werd Trollmann gedwongen tot de Wehrmacht toe te treden en men stuurde hem naar het oostfront, waarvan hij in 1941 gewond terugkeerde. Een jaar later, in juni 1942, werd hij door de gestapo gearresteerd.


Concentratiekamp Neuengamme, bij Hamburg. Het is 9 februari 1943. Een gevangene wordt door een groep bewakers afgeranseld. Het doet er niet toe dat zijn lichaam door de honger en de ellende gereduceerd is tot iets meer dan een geraamte. Hij heeft die dag een dubbel rantsoen gekregen om langer overeind te kunnen blijven onder het gebeuk van zijn martelaars. En een paar bokshandschoenen. ,,Verdedig je maar, zigeuner’’, schreeuwen ze terwijl ze onophoudelijk op hem inbeuken. Uiteindelijk gaat hij tegen de vlakte. Een kogel maakt een einde aan het “leven” van het uitgebluste lichaam in de modder. Op een van de armen, iets boven de rand van een van de bokshandschoenen is het nummer 721/1943 te lezen. Het is het nummer waarmee Johann Trollmann als een van de ongeveer 106.000 gevangenen van Neuengamme geregistreerd staat.


Van die 106.000 komen er 55.000 nooit meer terug. Onder hen onder ander Rein Boonsma, die drie maanden na Trollmann het leven liet. Boonsma voetbalde ooit voor Sparta en maakte deel uit van het Nederlands elftal dat op 30 april 1905 de eerste interland tegen België speelde. Tijdens de oorlog zat hij in het verzet, en hij belandde in Neuengamme nadat hij verraden was.

 




Het verhaal van Johann “Rukelie” Trollmann is lang onverteld en ongeschreven gebleven. Pas in 2003 werd hem zijn titel alsnog postuum toegekend.
Het Duitse kunstenaarsduo “Bewegung Nurr” (Alekos Hofstetter en Christian Steuer) werken op het ogenblik aan een monument ter nagedachtenis aan de bokser. Het project met de naam "721/1943" zal dit jaar gestalte krijgen in de vorm van een, half in de grond verzonken witte boksring op de Viktoriaplatz in Kreuzberg, Berlijn, op een steenworp afstand van de plaats waar “Rukelie” in 1933 de Duitse titel in het middengewicht veroverde.

Bronnen en foto's:

- l'Unità

- www.johann-trollmann.de

- Bewegung Nurr

- nl.wikipedia.org

- it.wikipedia.org

- S.C. Lurich - Berlin

 

zondag 13 februari 2011

Getuigen (14 oktober 2009)

Heel dicht onder zijn huid loopt een spoor. Een oneffen rotspad, meer is het niet. De stenen zijn echter scherp, snijden als je niet oplet het vel van je blote voeten open, waardoor voortgaan steeds moeilijker wordt. Maar je snijdt je niet, want hij is je gids. Wijst elk steen, elke punt aan, waaraan hij zich ooit verwond heeft.
Zijn huid, zijn gezicht, vertellen zijn leven. Het leven. Een blank, blind oog staart je aan en laat je zien.

Abel


In Forma, het Centro Internazionale di Fotografia in Milaan, wordt vandaag (15 oktober) om 19 uur de tentoonstelling "Testimoni/Testigos" (Getuigen) van de Franse fotograaf Pierre Gonnord geopend.
Gonnord werd in 1963 in Cholet geboren, maar woont sinds 1988 in Madrid. Hij wordt in Spanje gezien als een van de meest vooraanstaande hedendaagse fotografen, en won in 2007 dan ook de cultuurprijs van de regio Madrid. Zijn prenten zijn de getuigen van zijn leven, van zijn zoektocht naar de identiteit van de individuen in de massa. En vanzelfsprekend zijn ze de getuigen van het leven van de mensen die hij ontmoet heeft. Gevangen in een momentopname die eigenlijk geen momentopname is, maar die heel zichtbaar een levensverhaal vertelt.

Moises

Bernardo

El Manuel

In de aanloop op "Testimoni/Testigos" wordt gesproken over een hechte band met de Spaanse traditie. Gonnords onderwerpen en stijl van portretteren schijnen iets van Goya te hebben.
Persoonlijk deden het licht, de schaduwen, de kleuren en de portretten me echter onmiddellijk aan Caravaggio denken.

Caravaggio
  


De tentoonstelling "Testimoni/Testigos" duurt tot zondag, 22 november.
Je vindt Forma in Milaan, in Piazza Tito Lucrezio Caro 1. De openingstijden zijn van 10 tot 20 uur, op donderdag en vrijdag tot 22 uur. Op maandag is Forma gesloten.
De entree is gratis.



Leonardo (2 oktober 2009)

Een romantisch etentje. Kaarslicht. Een wijntje. Een compliment voor de keuze. Een kus op een hand. Een streling over een arm. Een servet dat valt en onhandig wordt opgeraapt. Bang de betovering te verbreken. Fluisterende minnewoordjes. Kleine hapjes. Een boertje verborgen achter licht opgeblazen kleurende wangen.
En dan vraagt ze hem opeens wat voor kleur ogen ze heeft. Kaarslicht. Hij buigt zich over de tafel naar haar toe en kijkt. De poppetjes in de schaduw zonder kleur. Bloedmooi, antwoordt hij. Onzeker.
Zij buigt zich over de tafel naar hem toe. Een zoen. Hij kijkt in haar ogen. Groen.




Dit is de Leonardo dining table, ontworpen in 2006 door Olivier Grégoire en Bertrand Clerc. Grégoir noemt Leonardo op zijn website een ode aan de liefde.
Ik kan het wel met hem eens zijn. Het heeft iets van een momentopname. Iets van, net zaten ze hier nog. Je kunt hun aanwezigheid nog voelen.






Olivier Grégoire is een 26-jarige Franse produkt designer, die woont en werkt in New York. In zijn werk is hij steeds op zoek naar een balans tussen kunst en industrie, vorm en inhoud, functie en emotie.
Bertrand Clerc, ook Fransman, is industrieel designer. Hij woont en werkt (voor Nokia) in London. Clerc is 27 jaar.

maandag 7 februari 2011

De raventekenaar (17 mei 2009)

In een ziekenhuis in Innsbruck is eergisteren (15 mei) Paul Flora overleden. Flora was tekenaar en tekende voor 'Die Zeit' ruim 3000 karikaturen. Ook in de 'The Times' verschenen een aantal tekeningen van Flora.
 

Paul Flora werd 86 jaar geleden geboren in Glorenza, Val Venosta (Alto Adige). Naast zijn karikaturen had hij een wijds oeuvre. Vooral zijn raven en Venetië waren echter regelmatig terugkerende onderwerpen.



zondag 6 februari 2011

Agatha (12 mei 2009)

In het Utrechtse Centraal Museum loopt tot en met 28 juni de tentoonstelling ‘Scorels Roem - Hoe een Utrechtse schilder de Renaissance naar het Noorden bracht'.

Het ‘gezicht' van de tentoonstelling is een portret dat de, voor een groot deel van zijn leven in Utrecht werkende schilder in 1529 maakte van Agatha van Schoonhoven.




Uit het gidsje dat de bezoeker aan ‘Scorels Roem' begeleid komt de onderstaande beschrijving van het schilderij:
"Scorel werd in 1528 benoemd tot kanunnik van het kapittel van Sint Marie. Hoewel het hem als geestelijke verboden was te trouwen, leefde hij wel samen met een vrouw. Zijn geliefde was Agatha van Schoonhoven. Zij woonden samen in een apart huis binnen het immuniteitsgebied van de kerk en kregen zes kinderen. Scorel portretteerde haar in 1529, toen hij zelf 34 was. Van Agatha zijn geen geboorte- en sterftedata bekend."


Tussen de talrijke werken van Jan van Scorel heeft het Centraal Museum een plekje vrijgehouden voor een gedicht. Het is speciaal voor ‘Scorels Roem' geschreven door de Utrechtse dichter Ingmar Heytze.

 
Agatha

Ik ben halverwege

als ik naar je kijk met deze ogen

mijn testament kan wachten, er is

tijd - misschien heb ik nog drieëndertig

jaar, misschien te weinig dagen om jou

beeltenis te maken. Het kan me niet veel

schelen als ik jou maar heb, mijn leven lang,

Agatha, met je naam vol aah's om te

fluisteren in de nacht, met je handen en je

lippen en het eeuwige geheim van wat er in

je om gaat als je naar me kijkt en lacht

terwijl ik laag op laag breng, heen en weer

heen zoekend naar je ware kleur. Met jou

zal ik nooit ergens anders zijn dan

halverwege, in het midden van de wereld.

Draag je mijn kinderen, later? Mijn werk is

Mijn wapen tegen de tijd; mijn schild ben jij.



Heytze droeg het gedicht voor tijdens de opening op 19 maart. Ik vind het prachtig.


Ingmar Heytze werd op 16 februari 1970 geboren in Utrecht.
Op 15 maart van dit jaar verscheen zijn elfde gedichtenbundel ‘Utrecht voor beginners'. Sinds 6 april is hij sportcolumnist voor de Volkskrant.

Een kaartje uit... Amsterdam (8 mei 2009)

Terug naar Westdorpe (1).
 



Terug naar Westdorpe. Een weekje lage landen.

Amsterdam stond aanvankelijk slechts als passage op ons programma, onderweg van Schiphol naar Westdorpe. Maar een vriendin vertelde dat we de tentoonstelling "Van Gogh en de kleuren van de nacht" niet over mochten slaan.
Het is zaterdagavond, rond de klok van zeven. In Italië viert men de bevrijding, en wij staan weer op het Stationsplein. Zoals precies een jaar geleden. Achter ons het centraal station, als een kloppend hart. Moegeshopte gezinnen, de handen vol tassen, verdwijnen door de openstaande deuren naar binnen. Toeristen en zaterdagavondstappers komen naar buiten, de voorpret en verwachting als een rode blos op de wangen. Voor ons de halte van de tram, en iets verderop aan het Damrak de put, die wat grootte en diepte weinig lijkt te hebben ingeboed ten opzichte van vorig jaar.
Welke lijn was het ook alweer, de 1 of de 11? Het blijkt uiteindelijk lijn 2 te zijn.

Het Leidseplein gonst. Een groep van vijf breakdancers (heten die nog zo?) maakt het publiek enthousiast. Achter de toeschouwers trappen wat jochies anoniem een balletje. Een ouwere passant houdt de bal even hoog als die zijn kant oprolt. De romantiek van het straatvoetbal, ook dat hoort bij Amsterdam.
We drinken een pilsje op een terras voordat we binnengaan bij Stoop & Stoop. Het is er goed, gezellig en dus altijd vol, maar na vijf minuten is er een tafeltje vrij. Naast ons twee ouders met hun zoon van een jaar of vijftien. De jongen doet me aan mijn zoon denken. Een beetje onwennig in het grote lichaam dat het nog gedeeltelijke kinderhart verbergt. Verlegen lijkt het, maar ik geloof niet dat dat het is. Als ze betaald hebben wordt hun plaats ingenomen door twee vriendinnen, die elkaar lang niet gezien hebben. Ze hebben veel te bespreken, oude liefdes, nieuwe liefdes, collega's, het werk. Ze hoeven niet te fluisteren met twee Italianen aan het tafeltjes naast zich.
Als we met een voldaan spinnende maag terug naar ons hotelletje lopen is het donker, maar de stad bruist en de terrasjes zitten vol. De breakdancers zijn vertrokken, en de voetballertjes zitten waarschijnlijk thuis te 'gamen'. Hun plaats is ingenomen door een cellist die nog moet beginnen, of misschien al klaar is met zijn optreden. Zijn instrument wacht gelaten op de dingen die komen gaan, de stok of de kist.


Al een paar keer is het ons gelukt een hotelletje bij het Vondelpark te vinden. Dat heeft iets speciaals, op de vroege ochtend door het park naar het centrum wandelen. De vogels begroeten fluitend het begin van de dag, trimmers demonstreren onverbloemd de vele stijlen van het zich in looppas voortbewegen, ieder apart uitnodigend tot wat fantasieën over hoe hij of zij buiten het trainingspak door het leven gaat. Ik neurie Acda en De Munnik.
Voor het Van Gogh Museum staat om iets over negen al een lange rij. Het miezert en we hebben weinig zin ons aan te sluiten. Er zijn vast en zeker andere musea met een kortere wachttijd.




We kiezen voor het FOAM. De vaste collectie heeft het veld moeten ruimen voor de tentoonstelling "Richard Avedon: Photographs 1946 - 2004", maar dat blijkt helemaal niet erg te zijn. Het is een schitterende collectie, waarin te zien is hoe het werk van de eigenzinnige Avedon zich in de jaren heeft ontwikkeld. Van vernieuwend modefotograaf tot zijn ontwapende portretten, waarin hij de ziel van zijn onderwerpen bloot weet te leggen.
Zien eten doet eten, zeggen ze wel eens. Dat is een beetje hetzelfde met fotograferen. Als ik na een weekje Lage Landen thuiskom blijk ik 541 fotootjes gemaakt te hebben. Ik ben min of meer een op-goed-geluk-fotograaf en ik weet, als hiervan één procent redelijk van kwaliteit is, dan is het meegenomen.

Verderop aan de Herengracht, op nummer 497, huist het KattenKabinet. Naast de kassa zit een kat, die zich gewillig laat aanhalen. Op de trap naar de eerste verdieping worden we voorbijgestoken door een tweede kat, op een bankje ligt een derde een uiltje te knappen en een vierde zit lodderig in de vensterbank naar buiten te kijken. Tot zover de levende hoofdrolspelers in dit bijzondere museum. De collectie is heel bijzonder met Picasso en Henri de Toulouse-Lautrec als meest in het oog springende namen. De kat in de kunst, in de reclame, in de literatuur. Een hele brede horizon.

De regen wijkt heel geleidelijk voor hier en daar een opklaring met zelfs af en toe een stukje blauw en een zonnestraal. Lanterfanteren in Amsterdam. De lekker dikke zaterdag-Volkskrant, sleutelhangers met klompjes voor vrienden en collega's, kaartjes, poffertjes aan de Stadhouderskade, een bundel van Martin Bril, foto's, klik, klik, klik.
























En dan Van Gogh. Kleuren van de invallende avond, kleuren van de nacht. De aardappeleters, de zaaiers,
de sterrennacht. Magie. Het eerste doek en het laatste lijken bijna niet door dezelfde persoon geschilderd. Ertussen ligt een geschiedenis, een ontwikkeling, die in de tentoonstelling prachtig in beeld wordt gebracht. Enkele fragmenten van Vincents brieven aan broer Theo geven weer hoe de schilder worstelde naar een, voor hem dikwijls minst onbevredigende eindresultaat. Ik zou hier vele uren rond kunnen lopen, maar er resten er slechts anderhalf tot aan sluitings- en etenstijd.

Van Gogh heeft weinig grote doeken geschilderd. Zijn meeste werken zouden wat oneerbiedig 'schilderijtjes' genoemd kunnen worden. Ook mijn pas aangeschafte aanwinst van Martin Bril zit vol schilderijtjes, maar dan anders. Op een terrasje blader ik "Het verdwenen kruispunt" door. Bril schrijft dorpstafereeltjes, polderlandschappen, Nederland, op een bijna tastbare manier. In Nuenen, waar Van Gogh gewoond heeft, neemt hij plaats bij het raam van Café De Zwaan.

,,In het park, tussen de lindebomen, staat een beeld van de getormenteerde schilder. Het lijkt niet, maar waarom zou het?
...
Sky Radio brengt intussen de nieuwste Madonna, twee mannen die op De aardappeleters niet zouden misstaan komen De Zwaan binnen en bestellen luidkeels 'een bokske'."


Voor ons geen 'bokske', maar een gewoon pilsje bij café Dante. De Italiaanse Lonely Planet heeft het over een galerie op de eerste verdieping met werk van Herman Brood. Ongelovig loop ik de trap op, en ja hoor, daar hangen ze. Felle kleuren, primitieve figuren alsof ze rechtstreeks uit een hallucinerende droom gestapt zijn. Was dit zijn wereld? Voor we verder gaan drinken we er nog eentje, op Herman.

Amsterdam lijkt op te houden als je de deur van het Indonesische restaurant Cilubang achter je dichttrekt. Ik ken niet veel restaurants in Amsterdam, maar van degene die ik ken is dit mijn favoriet. Het lijkt of je op bezoek bent bij een verre oom en tante, gastvrij en dichtbij. Een hand op je schouder, het omroeren van de gerechten op tafel om uit te leggen wat het precies is. Elke maaltijd lijkt speciaal voor jou bereid, met liefde, en dat proef je.
Muziek klinkt zacht op de achtergrond, maar is niet altijd afgestemd op de periode van het jaar. Nog vier dagen tot koninginnedag en halverwege de avond komt Bing Crosby op kousevoeten voorbij met 'White Christmas'. Ook dit hoort bij Cilubang.

Geen koffie na deze keer. Ook geen afzakkertje onderweg naar ons hotelletje. Morgen gaan we naar Utrecht en we willen vroeg vertrekken. Nu maar hopen dat het niet sneeuwt.

 

donderdag 3 februari 2011

Een kaartje uit... Brussel (19 december 2008)


Zoals Sjoukje al in juni al aangaf, in Brussel schijnt het dikwijls te regenen. Een dik wolkendek met een breed scala van alle kleuren grijs tikt haar neerslachtigheid met grote spatten op de voorruit van de bus die ons vanaf vliegveld Charlerois naar Gare de Midi vervoert. Brussel is tweetalig, maar op geen enkele plattegrond ontcijfer ik een naam in het Nederlands (of in het Vlaams, zoals je wilt) tussen de kleine lettertjes waarmee straten, pleinen en bezienswaardigheden worden aangeduid. Station Zuid heet dus Gare de Midi, en daar staat onze taxichauffeur ons op te wachten. Hotel Des Colonies, dat weet hij wel te vinden. Het adres is niet eens nodig. Luid mopperend op alles wat zich niet in zijn eigen taxi bevindt rijdt hij ons over rues en avenues. Belgen kunnen niet autorijden, de taxitarieven zijn te laag, en en passant krijgt ook zijn vrouw nog een aantal vegen uit de pan omdat die nergens mee naartoe wil. Naar Amsterdam zou hij willen, en Londen. Maar mevrouw De Echtgenote Van Een Veel Te Veel Pratende Taxichauffeur wil er niet van horen. Voor we het weten staan we in de Rue De Colonies, waar achter geen enkel voorpand een hotel met de naam Hotel Des Colonies schuil blijkt te gaan. Logisch, want dat staat in de Rue des Croisades. Als we daar uiteindelijk aankomen heeft onze "gids" de grenzen van het irritante al lang en breed overschreden, en hetzelfde geldt voor de taximeter in 's mans automobiel.

Ons hotel is een oase van rust na de spraakwaterval waarvan we getuige hebben moeten zijn. In de hal klatert een fonteintje, rustig. De ontvangst is vriendelijk. Des Colonies gaat weliswaar schuil achter een aantal torenhoge kantoorge-bouwen en het Sheraton Hotel, maar desondanks ademt het een bijzondere sfeer uit. Ik zou het niet koloniaal willen noemen, maar je proeft er iets van het reizen uit vervlogen tijden. De vensters op de gangen zijn "art nouveau", de hoge plafonds in de eetzaal en de bar verliezen elke eentonigheid dankzij de ornamenten en het jachtige Brussel stopt bij de dubbele deuren van de entreehal die wellicht toch iets koloniaals uitademt.
Bij de receptie legt een aardige dame ons uit hoe we bij de Grote Markt, de Grand Place, kunnen komen. In het Engels, want pas volgend jaar begint ze een cursus Nederlands. Onze jassen hoog dichtgesnoerd, trekken we erop uit.
Ook nu weer wordt ik getroffen door de relatieve kalmte die in menig Europese hoofdstad heerst, in vergelijking met Italië. Het enige nadeel is misschien de regen, die ons glimlachen doet watertanden. Geen idee of het aan mijn Engels ligt, maar in plaats van zuidwaarts richting Grote Markt volg ik een heel stuk de Boulevard Baudouin, naar het westen. De weg kwijt dus, maar dat geeft een vent nooit helemaal toe. Het lot is me gunstig gezind want als ik na een tijdje aangeef dat het tijd is om linksaf te gaan komen we bij de Vismarkt uit, waar een ijsbaantje en een hele reeks kraampjes er alles aan doen om iets van een kerstsfeer te kweken. Glühwein, pinten, wafels met slagroom en chocolade. Het ziet er heel aanlokkelijk uit, maar we weten ons in te houden. Totdat we in de Rue Sainte-Catherine langs de uitnodigende brasserie "'t Kapiteintje" komen. ,,Dit is België'', fluister ik Lief toe als we binnen zijn. Lange banken langs de muren waarop je schuilgaat achter diepe borden en grote glazen op de tafeltjes ervoor, een bar met minstens tien merken bier, en langs het plafond de kerstversiering, daar iets te lang, daar iets te kort, maar veelkleurig en heerlijk kitsch. Ik krijg een brok in mijn keel, die ik met een Leffe op perfecte temperatuur wegspoel. De ober zingt, deels in het Waals, deels in het Vlaams, en brengt me eenvoudig garnalenkroketten met brood. Het is jaren geleden dat ik die gegeten heb. Het echte watertanden is aangebroken.
Als we na deze pauze uiteindelijk op de Grote Markt aankomen knort mijn maag van tevredenheid, een geluid wat naar de achtergrond verdrongen wordt door de electronische vogelgeluiden die dit adembenemende plein vullen. Het is immers kerst, en daar horen om de een of andere reden electronische vogels bij die in tientallen allumium palen hun nestjes hebben gevonden. Als het donker wordt lichten de palen in allerlei kleuren op en komt er muziek uit. Arme vogels. Vlak bij dit futuristische gebeuren staat in het centrum van de Grand Place "De Kerstboom" van Brussel, traditioneel en zonder teveel poespas groen (de takken) en blauw (de lichtjes) te zijn. En daar weer achter een stal, met echt hooi en echte etalagepoppen. Het doet wat chaotisch aan, en het is allemaal iets teveel van het goede. En het heeft bovendien wat armoedigs. Maar wat je hier ook neerzet, het zal altijd wat armoedig blijven overkomen temidden van de schitterende panden die het plein als een kunstig bewerkte gouden lijst rondom een schilderij omkaderen.











 
Het is goed eten in België. Een tijdje geleden heb ik bij ons een boek voorbij zien komen met de bijzondere titel "Stoemp". Het is van de Belgische kok Albert Verdeyen en gaat dus over eten, en dan met name over de Brusselse stampot, ofwel de stoemp. Een leuk en interessant boek, waarin Verdeyen niet stil blijft staan bij de traditionele recepten. De stijl van eten is veranderd in de afgelopen honderd jaar, dus ook de stoemp heeft zich aangepast aan de hedendaagse smaken. Wat te denken van de Italiaanse "stoemp Fellini"! Het boek verliest desondanks dit zijn "roots" niet, en een aantal bekende Brusselaars doen dus hun favoriete stoemp uit de doeken.
Ik had me dus voorgenomen om, eenmaal in Brussel, ook eens de onvervalste stoemp te proberen. Als ik echter de ene keer de Ballekes à la Marolliene op de kaart zie staan, en de andere keer een stoverij in de Kriek Lambik, lukt het me niet om aan deze culinaire verleidingen te weerstaan. De stoemp blijft dus staan voor een volgende keer, en zo vind ik altijd wel een reden om ooit nog eens terug te kunnen gaan naar een plaats die me bevalt.
Op een avond eten we bij het sfeervolle Volle Gas op de Place Fernand Cocq, waar ook het typisch Belgische waterzooi op de kaart staat. Ik vertel mijn tafelgenotes - alle drie Italiaans - dat in de noordwestelijke hoek van Vlaanderen de waterzooi vroeger nogal eens bereid werd met bisamrat. Noodgedwongen, want er was geen geld voor wat anders, en bovendien schijnt het lekker te zijn. Ongeloof is mijn deel, en om de een of andere reden heeft niemand meer zin in een toetje. Als we buitenkomen regent het. ,,Waterzooi'', denk ik. Bus 71 brengt ons naar De Brouckere en vandaar is het niet ver naar meer naar het hotel.
Beslagen ruiten, de bedompte geur van natte kleren, een waterkoude wind die de paraplu doet overwaaien, laveren om de plassen op het trottoir... The Brussels Blues.


Ik ben de voorbije jaren een paar keer in Amsterdam geweest, maar dankzij de verbouwing van het Stedelijk Museum liep ik de werken van de Cobra-groep steeds mis. In Brussel val ik met mijn neus in de boter, want de Cobra-groep bestaat 60 jaar en ter gelegenheid daarvan is er in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten een speciale tentoonstelling ("Cobra") van Deense, Belgische en Nederlandse kunstenaars. Appel, Corneille, die natuurlijk in de eerste plaats, maar ook het werk van Carl-Henning Pedersen spreekt me aan. Kunst is dikwijls (of altijd?) reaktie, en ik geloof dat het diezelfde Pedersen was die zei: ,,Het wordt tijd dat we die lege vlakken van Mondriaan eens in gaan vullen.''

Ook de permanente collectie van het museum is meer dan de moeite waard. Men begint in de vijftiende eeuw, en daarna wordt je, verdieping na verdieping, eeuw na eeuw, steeds verder de museumkelders en de toekomst doorgeloodst. Het museum leeft, een kleuterklasje zit in de buurt van Fernand Khnopffs "De Kunst / De liefkozingen" op de grond met viltstiften tekeningen te maken, en in de rode zaal luisteren studenten bijna in dezelfde positie ademloos naar het gedreven betoog van hun professor. Achter hem rijzen engelen en gelovigen torenhoog op. We zijn onze kruistocht 's morgens om tien uur begonnen, en rond een uur of vijf blijken we nog één eeuw voor de boeg te hebben. We beginnen enigszins met de tong op onze schoenen rond te lopen, dus we besluiten ook die laatste honderd jaar, net als de stoemp, te laten staan voor de volgende keer.





















's Woensdags regent het niet in Brussel. We trekken er op goed geluk op uit.

Vlakbij ons hotel bevinden zich de botanische tuinen, maar in deze periode van het jaar is er weinig te bewonderen. Ook de serres zijn leeg. De Botanique is nu een cultureel centrum, waar concerten worden georganiseerd en de filmzaal is, op het moment dat wij in Brussel zijn, de zetel van de tiende editie van het Festival Cinéma Mediterranéen. Het complex werd in 1829 ingehuldigd en in de kelders werd ooit de eerste witlof gekweekt. Van die hoogtijdagen is echter weinig meer te merken.
De Rue Royale gaat richting Museumberg. Halverwege komen we langs de Colonne du Congrès, de Congreskolom. Architect Joseph Poelaert, onder wiens leiding dit herdenkingsteken tussen 1850 en 1859 langzaam maar zeker 25 meter de hoogte in werd geboetseerd, schijnt zich te hebben laten inspireren door de Trajanuskolom in Rome.
Een eindje verder zuidwaarts staat de indrukwekkende kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele. De glas-in-lood-ramen zijn als enorme stripboeken en vertellen hun verhalen terwijl de zon zowaar af en toe bijlicht. Bij de ingang hangen wat foto's van de groten der aarde die de kathedraal bezocht hebben, Paus Johannes Paulus II, koning Boudewijn en koningin Fabiola, prins Filip en prinses Mathilde, prins Laurent en prinses Claire. De laatste zes om te trouwen. Met enige tussenpozen, dat zal duidelijk zijn.

Brussel is behalve de stad van het stripverhaal ook en vooral de stad van de "art-nouveau". Er zijn zelfs speciale routes die je langs de hoogtepunten van beide oeuvres voeren. Een paar keer worden we tijdens ons rondje op aangename wijze geconfronteerd met deze specialiteiten van het huis. Vlakbij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten vind je een toonbeeld van de "art-niveau", namelijk het voormalige Old England. Het werd door Paul Saintenoy ontworpen en is sinds zijn bouw in 1899 lange tijd in gebruik geweest als warenhuis. Tegenwoordig is het MIM erin gevestigd, het muziekinstrumentenmuseum. Lief weet me om te praten om eens een uurtje binnen te gaan. Het wordt wat meer want het museum is heel bijzonder. Als bezoeker krijg je koptelefoon en middels een infrarood systeem hoor je bij elk instrument een aantal muziekstukken waarin het een rol speelt. En dan kom je er pas achter wat een rijke muzikale historie dat België wel niet blijkt te hebben. En brokjes uit een ver verleden komen weer boven drijven, muziek die ik ooit op een kermis in Vlaanderen heb gehoord toen ik nog klein was, de televisieserie "Wij, Heren van Zichem", het typische geluid van de mondtrommel. Maar men neemt je ook mee over de Belgische grenzen, Europa in en de wereld over. Je hoeft geen kenner te zijn, maar ook een beetje muziekliefhebber loopt in dit prachtige pand met volle teugen te genieten. Ik kan het van harte aanraden.
Als we buitenkomen schijnt zowaar de zon, en we hebben nog wat tijd over om wat te winkelen, zoals het shoppen vroeger heette. Lief weet vriendin Giusi te strikken, en ik trek er alleen op uit.

Als we donderdags in de trein zitten is m'n bagage twee cd's van Arno Hintjes rijker.

We gaan richting west, naar Brugge, en vandaar zullen we de bus naar Oostburg nemen. Het is de enige manier om met het openbaar vervoer vanuit België naar Zeeuws Vlaanderen te reizen.
We hebben een plaatsje gevonden naast een echtpaar, aan het accent te horen uit de buurt van Leuven of Aarschot. Hij leest Het Laatste Nieuws, vooral de sportpagina's. Zij zit verlegen om een praatje en vertelt dat ze voor controle naar het ziekenhuis in Gent moet. Om half twaalf. Dat komt goed uit, want dan kunnen ze daarna ook gelijk eten in het ziekenhuis. Soep, aardappelen met groente en een stukske vlees, en een toetje voor maar zeven euro. ,,Jao, daor kunt ge zelf toch nie veur koken é meneer.'' Als ze opstaan om op hun bestemming uit te stappen wens ik haar veel succes met de controle.

Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Liefs vakantiestemming gaat er niet onder gebukt. ,,Ach ja, het is in ieder geval geen sneeuw.''

Nog geen vijf minuten later dwarrelen de eerste sneeuwvlokken in het mistroostig langstrekkende polderlandschap naar beneden.





Het kaartje is een van de velen die in Brussel te koop zijn ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958.

Het boek "Stoemp" van Albert Verdeyen is uitgegeven door Lannoo (isbn: 9789020976366).

Op de videoclip zingt Arno Hintjes "Les yeux de ma mère".

Ik was van 1 tot 4 december in de Belgische hoofdstad.