Kleine landbouwpercelen. Mais die net op begint te komen, granturco heet dat hier. Wat rijen tomaten, gewoon op de grond, ze mogen best een beetje zanderig zijn. Daar tussendoor een zandpad tot aan de duinen. Honderd meter, misschien iets meer. Achter ons een stoffige zandwolk als in een western. Alleen de muziek van Ennio Morricone ontbreekt. In de schaduw van een boompje zit een jongetje van een jaar of tien op een witte plastic stoel. Hij schrijft ons kenteken op een briefje dat onder de ruitenwisser gaat. Vier euro. Voor dat bedrag staat onze auto de hele dag op de parkeerplaats in de schaduw. Geen asfalt, maar zand en kiezelsteentjes.
De "bagno" is spartaans en biedt het essentiële. Er is wat te drinken en te eten, in het weekeind en in het hoogseizoen is er 's middags ook vis en inktvis van de grill. Een grote houten overkapping, daaronder in de schaduw tafeltjes en stoeltjes. Het is een hele familie die alles hier draaiend houdt, la mamma, zoontjes, dochters, neefjes, nichtjes en wie weet wie nog meer. Een van de dochters studeert economie en brengt een deel van de dag met haar donkerblonde krullen boven het toetsenbord van een laptop door. De andere dochter doet economie en je vindt haar altijd vriendelijk lachend en babbelend achter de bar, in de keuken, op het strand, overal waar je net iemand nodig hebt.Op een morgen staat ze al bij ons nog voordat we een parasol hebben kunnen vragen. ,,Er is arbeidsinspectie'', fluistert ze, met een scheef oog richting twee heren aan een tafeltje. ,,Zogauw ze weg zijn is alles weer normaal.'' Een uurtje later rijdt een auto het parkeerterrein af. In de verte komt Beppino onze richting opsjokken. Onder zijn arm draagt hij onze parasol.
De eenvoud van het strandpaviljoen trekt een bepaald publiek. Krantenlezers, "Repubblica", "Unità", "Manifesto", een enkele "Stampa", zonder uitzondering links getinte dagbladen. Een links strand, dat zie je aan de bezoekers, aan hun kleren, aan de minimale bagage die er meegenomen wordt, aan de afwezigheid van accessoires die lawaai maken. Ergens anders is het misschien moeilijk voor te stellen, maar in Italië zijn er dus linkse en rechtse stranden. Een territorium dat verdedigd wordt als het nodig is. Een aantal jaren geleden kwam een motorboot ons territorium binnengevaren en ging ten anker vlak bij het strand. De radio bonkte zijn bassen tot tegen de duinen, de opvarenden keken dikbuikend en patserig naar de kinderen die zojuist nog fijn aan het zwemmen waren, daar waar de ankerketting nu strak het water in sneed. De strijd was kort maar hevig, begon met het opheffen van enige worstige middelvingers en eindigde met een motorboot die onder een regen van stenen op de vlucht ging. Daar tussendoor werd bijna iemand verdronken.
De zee lijkt echter rechts te volgen en net als in de Italiaanse politiek moet links op ons strand een pas achteruit doen. Elke keer als we hier voor een vakantie terugkomen vinden we het strand wat smaller terug als de keer daarvoor. Het is een probleem wat de gehele Pugliese kust treft, zo lees ik in de krant. Ik sla geen kolom over als ik vakantie heb. De uren kruipen voort, de zon brandt, en na een tijdje knisperen de bladzijden bij het omslaan. De nietjes doen hun werk. En mijn rug wordt rood, ondanks factor 30.
Ik zoek wat verkoeling in het water, de tweede keer vandaag. Mijn eerste duik is over het algemeen meteen als we aankomen, 's morgens vroeg, als de zee op z'n mooist is. Als een spiegel, helder, verfrissend. Als je maar niet achter je kijkt, want dan blijkt je kielzog soms uit een spoor van vreemde luchtbelletjes te bestaan. Wie weet wat voor rotzooi er allemaal in het water zit.
Op het strand blaft een zwarte hond naar zijn baas. Terwijl hij het water met het hoofd schuin uit z'n oren laat lopen verontschuldigt de man zich. ,,Ik heb hem hier vorig jaar achter de duinen gevonden. Hij wil bij me in de buurt blijven maar durft zelf het water niet in.'' Dus zoekt het baasje z'n handdoek maar weer op. Zijn viervoeter heeft het beter getroffen dan vele anderen. Hij legt zijn kop gerust terug op het zand, doet een tukje in de schaduw van een rij strandstoelen die in een keurig kleurig gelid op bezitters te wachten. Want wat is nou een strandstoel zonder bezeten te worden? Maar ze moeten nog een tijdje wachten, het hoofdseizoen is nog niet begonnen en het is nog rustig op het strand. Je kunt de mensen nog van elkaar onderscheiden.

Een vader en zijn zoontje baden pootje. Een zeilbootje aan een touwtje kiest, voorzichtig laverend tussen blanke scheenbeentjes en kuiten door, het ruime sop. Als je de kleuren wegdenkt zou het een tafereeltje uit de jaren vijftig of zestig kunnen zijn. Twee bipsen komen voorbij, brengen vrolijk wippend de kleuren en de 21e eeuw terug. De kwekkende bezitsters dragen achteloos, maar met trots. Het palestra waar je fitness doet is populair in Italië. Een venter probeert ondertussen zijn waar aan de man te brengen.

Op het stukje strand vlak voor de "bagno" wordt het intussen wat drukker. Het zonnetje klimt aan de einder, en wat crème boven de wenkbrauwen moet voorkomen dat vanavond de vellen over de ogen vallen. De twee zussen uit Bari zijn er ook weer, met de kinderen en de hondjes. ,,Waar zaten we ook weer gisteren?'' ,,Daar!''

Het sap van een perzik loopt langs mijn onderarm naar beneden, richting elleboog. Ik heb het likken opgegeven, want dat is vechten tegen de bierkaai. Vanachter de rijpe vrucht kijk ik naar de zee, de horizon, de lucht. Een schakering van kleuren en tinten blauw, groen en zelfs roze die continu verandert. Ik moet aan de foto 5420 van de Duitse fotograaf Jörg Sasse denken.

Als ik na de vakantie de bewuste foto opzoek moet ik echter toegeven dat mijn werkelijkheid van dat moment weinig van doen heeft met Sasse's plaat.

5420 - Jörg Sasse
Ik heb inmiddels mijn krantje uit en sla mijn boek open waar een ansichtkaart aangeeft waar ik gebleven was. Een halve bladzijde later zie ik vanuit mijn ooghoeken dat twee gitzwarte onderbenen hun wandeling door het rulle zand gestopt zijn ter hoogte van ons plekje. Ik kijk op. Vanonder een Valentino Rossi-pet (althans, er staat nummer 46 op) kijkt een Senegalees me geïnteresseerd aan. ,,Wat lees je'', vraagt hij.
Dat had ik niet verwacht en met enige moeite verbouw ik mijn reeds op de lippen liggende "nee, bedankt" tot een stotterend ''uh... Ka.. Kafka... Kafka op het strand". Het is een titel die hem niets zegt, en hij oppert dat het dan wel een boek zal zijn over Kafka en niet van Kafka.
,,Nou nee, ook dat niet'', zeg ik. Hij kijkt me aan of ik hem voor de gek zit te houden. ,,Maar je bedoelt Kafka'', houdt hij vol, ,, de schrijver, de filosoof, begin 1900.'' En zo komen we aan de praat.
De man heet Azou, komt inderdaad uit Senegal. Dakar, om precies te zijn, waar hij 30 jaar onderwijzer is geweest. Nu is hij met pensioen. Pas als hij dit laatste zegt merk ik dat er wat grijze haren vanonder zijn pet uitsteken. Voor de rest verraadt werkelijk niets zijn gevorderde leeftijd. Pensioen voor iemand die dertig jaar voor de klas heeft gestaan betekent in Senegal een maandelijkse bijdrage van omgerekend net honderd euro. ,,Dat is ook bij ons niet genoeg om een familie van te kunnen onderhouden'', vertelt Azou. En daarom probeert hij nu elke dag op het strand in Puglia wat te slijten. Een kilometer of tien legt hij af, onder de zon, van badgast naar badgast die steeds minder belangstelling voor de koopwaar schijnen te hebben. Het is een teken dat het slecht gaat in Italië. ,,Het is beter om terug te gaan naar Afrika'', zegt hij. Hij heeft navraag gedaan en weet dat de Italiaanse regering hulp biedt aan Senegal middels een project dat "Community Aid 2" heet. De hulp bestaat niet uit geld, maar uit machines, advies, enzovoorts voor Senegalezen die terug gaan naar hun land om daar middels een eigen bedrijfje een nieuwe toekomst op te bouwen. Hij zou graag een tipografie beginnen. Om net dat beetje meer te hebben om zijn familie te kunnen onderhouden ,,en om andere Senegalezen te helpen.''
We bieden hem wat fruit aan, en Azou accepteert het met een van de mooiste en warmste glimlachen die ik ooit gezien heb. ,,Weet je, dit heeft veel meer waarde dan dat je iets van me koopt voor een paar euro. Dit is iets wat jullie met me delen, dit is jullie eten.''
Azou komt later tijdens onze vakantie nog een paar keer langs. Groet ons altijd, zijn mooie witte tanden bloot lachend. ,,Ciao amici.'' Een van zijn levensinstellingen is dat de sporen die je achterlaat altijd iets moois moeten zijn, positief.
Op een dag komt hij ons vertellen dat hij gebeld is door zijn vrouw, vanuit Senegal. De envelop is aangekomen. Zijn project is goedgekeurd, de eerste stap is gezet. Azou is gelukkig, en wij zijn blij voor hem.
Azou gaat verder. Ik pak mijn boek terug op...
"Kafka op het strand" doet me heel in de verte denken aan "De Meester en Margarita", de klassieker van de Rus Michail Boelgakov waarin Satan een bezoek aan Moskou brengt. Niet om het verhaal, maar om het bovennatuurlijke dat feilloos in de realiteit overgaat en vice versa.In de roman van Murakami Haruki loopt de 15-jarige Kafka Tamura, zoon van een beroemd kunstenaar, weg van huis in Tokyo. Hij kan niet met zijn vader overweg, en zijn moeder heeft niets meer van zich laten horen sinds ze vertrok toen Kafka vier jaar oud was. Kafka is overigens niet zijn echte naam, maar het is de naam door hemzelf gekozen, het is de naam die hem bevalt. Hij komt in Takamatsu terecht, in het zuiden van Japan, waar hij gedurende een aantal uren zijn geheugen verliest. Een zwart gat, waarin iets onheilspellends gebeurd moet zijn. Kafka probeert in de anonimiteit te verdwijnen door een baantje bij een bibliotheek te accepteren.
Parallel aan het verhaal van de jongen vertelt Murakami het verhaal van de oude Nakata, een zonderling figuur Hij heeft een vreemd ongeluk gehad toen hij nog klein was. Hij komt uit dezelfde wijk in Tokyo als Kafka, waar hij met katten comuniceert. Deze bijzondere kwaliteit brengt hem in de problemen, hij pleegt een moord en moet vluchten. Ook hij kiest het zuiden, Takamatsu, en onderweg begint hij te begrijpen dat zijn reis een doel heeft. Maar wat voor doel, dat weet hij niet.
Zoals gezegd, het is een roman waarin werkelijkheid en "de andere kant", verleden en heden feilloos in elkaar overlopen. De twee hoofdpersonen zijn bijzonder interessant, en ze worden in de marge bijgestaan door een groep personages die op z'n minst schilderachtig genoemd kunnen worden. Ik noem er één: Johnny Walker.
De Italiaanse vertaling is meesterlijk.
Tot nu toe de beste roman die ik dit jaar gelezen heb.
Zo rond een uur of zes lijkt de aarde langzamer te gaan draaien. De zee wordt vlak, de geluiden lijken verder af. Het licht is minder hard en de kleuren winnen aan intensiteit. Onze schaduwen worden langer. Ik sla mijn boek dicht.
We pakken onze spullen in en nog even verlengen we ons uitzicht op dit schitterende schouwspel vanachter een pilsje bij het strandpaviljoen.

Daarna met de auto het zandpad af, rustig, maar het is niet te voorkomen dat een zandwolk ons volgt als een ridder in galop. Als in een western...
,,I'm a poor lonesome cowboy.'' Morgen begint alles van voor af aan.
Vroeg staan we op want we hebben zo'n duizend kilometer asfalt voor de wielen liggen. Een eerste stop bij de Autogrill van Rovereto-Nord. Een espresso, een brioce, een volle tank, en op pad. De tankstations langs de Italiaanse autowegen worden zonder uitzondering Autogrill genoemd, naar de restaurantketen Autogrill. Het is zo'n ingeburgerd begrip zoals bijvoorbeeld Luxaflex in Nederland. Een merknaam die het zelfstandig naamwoord heeft overgenomen, een soort taalkundig kannibalisme wat redelijk frequent voorkomt in Italië. Zo is de algemene term voor plakband bijvoorbeeld Scotch en klitteband heet Velcro. In werkelijkheid zijn er vele andere wegrestaurants (Fini, Ciao, om er maar een paar op te noemen), maar het zal altijd wel Autogrill blijven omdat dat uiteindelijk de groep is geweest die de reizigers op Italië's snelwegen vanaf het begin van etens- en drinkwaren heeft voorzien. En iedere Italiaanse automobilist heeft zo zijn favoriete Autogrill.
Als we Ancona voorbij zijn wordt het aanmerkelijk rustiger op de weg, en na Pescara is het zelfs prettig rijden. Dit stuk tot aan Bari is altijd stil. Puglia kondigt zich rond San Severo aan met een hele serie windmolens die hier twee jaar geleden nog niet stonden. Een van de armste, minst ontwikkelde provincies van Italië gaat beetje bij beetje over op alternatieve manieren van energiegebruik. Als eerste.
De smalle straat plooit zich in vele bochten over de heuvel van Selva di Fassano. Muurtjes van los op elkaar gestapelde stenen scheiden erven en akkers van de openbare weg. Erven met voornamelijk kleine huisjes, al dan niet rondom de typische "trulli" opgetrokken, waar het vaak met weinig rondkomen is. Steeds meer geliefd bij de rijke noorderlingen en buitenlanders (vooral Engelsen), op jacht naar rust en stilte. Kleine akkers waar het graan in deze periode goudgeel staat te kleuren. Dan de adembenemende panoramaweg die afdaalt tot aan de lage vlakte die zich een kilometer of vijf breed uitstrekt tot aan de zee. Duizenden en duizenden olijfbomen, de stam dikwijls grillig gevormd. Daartussen hier en daar een veld met tomaten. Bruin verbrande plukkers, de huid lijkt zowat gelooid, kromgebogen, vullen in de vroege ochtenduren de eerste kistjes. De wegen lijken langs een lineaal getrokken, rechte strepen die tot de horizon reiken. De horizon, die mis ik in Trento.
Bij L'Assunta draaien we de autoweg op, richting zuid. We passeren afslagen naar dorpjes en gehuchten met de meest schilderachtige namen. Sant'Antonio Dascula, Lamalunga, Pezze di Greco, Torre Spaccata, Madonna Pozzo Guacito, Torre Canne. De Autogrill na deze laatste uitrit is mijn favoriet.
Voor de auto is altijd wel ergens plaats, maar we moeten even zoeken. Vandaag worden namelijk de stoepranden smetteloos wit geverfd. En niet alleen dat. Ook Jezus staat in de stijgers. De machtige gestalte bij de uitgang gaat schuil achter een wit-blauw tentdoek. Je ziet hem niet echt, maar je weet dat hij er is. Althans, dat geloof ik toch.
Deze Autogrill is niet een echt wegrestaurant, maar meer een bar. Buiten staan tafeltjes met parasols. We stappen binnen om te bestellen, en de eerste keer volgt altijd hetzelfde ritueel. Een tweestemmig "wweeee" weerklinkt vanachter de bar en Angelo en Teresa wurmen zich via hun kleine kantoortje onze kant op. Baci (o ja, jullie Olandesi doen er altijd drie), abbracci, en een half uur bijpraten is zoveel als niks. ,,Maar twee weken vakantie, 't is een schande.'' ,,Heb je Jezus gezien? Hij wordt prachtig. Zijn kleed wordt parelmoer.'' De zaken gaan zo goed dat ze tegenwoordig ook twee werknemers hebben. Gelukkig maar voor de andere klanten. Want Angelo en Teresa nemen de tijd.
Naast de bar worden de ramen van de shop gelapt. Toch even een kijkje nemen. Wat opblaasspul voor op het strand, ballen, plastic speelgoed, de gebruikelijke ultra-gedateerde souvenirs, borden met trulli, handgeschilderde lokale tafereeltjes, en.... hé, 
Er zullen ongetwijfeld honden zijn die het beter hebben als de onze. Maar zeker weten dat velen het een stuk slechter hebben. Zwerfhonden in de buurt van Selva di Fasano worden tijdens de wintermaanden zoveel mogelijk opgepakt. Dat is logisch, want dikwijls vormen ze roedels en daarin zijn ze ontzettend agressief, niet alleen tegenover andere dieren maar ook tegenover mensen. Dat oppakken gebeurt niet met zachte hand (de Italiaan staat immers niet bekend als groot dierenvriend) en daarna is het aftellen voor de meeste van de honden. Een dag of drie, tot een week of drie, en dan laat men ze inslapen. Ik heb er geen behoefte aan te weten hoe dat gebeurt.
anders. Deze priester bulkte dermate van het geld dat hij zijn eigen kerk liet bouwen bij Selva, met een kast van een huis. Zijn terrein liep langs de glooing van de heuvel naar beneden, tot aan de hekken die de Zoo Safari omringen. Don Angelo vertoefde hier de zomer en zorgde eerst en vooral voor de zwerfhonden. Ook in de winter trok hij dagelijks in zijn kleine auto vanuit Fasano naar zijn eigen kerk om de gulle giften van slagerijen, pizzeria's, viswinkels en bakkers aan "zijn" honden te gaan voederen. Niemand snapte goed hoe hij er met zijn enorme lichaam in slaagde in en uit het luid
ronkende vehikel (hij deed alles in zijn tweede versnelling) te komen. Voor zijn eigen hond, een bijna witte labrador, was in ieder geval geen plaats meer over en die legde het stuk dagelijks, zijn eigen paden tussen de bomen en struiken volgend, op z'n poten af. Don Angelo was een druk mens. Te druk om zichzelf of zijn kleren regelmatig op een, dikwijls hoognodige schrobbeurt te trakteren. De zwarte habijt die hij weken achtereen droeg was op den duur dermate verzadigd van de etens- en drankresten die drie of meer maal daags langs de geestelijke kin naar beneden druppelden, dat het kledingstuk met gemak rechtop zou hebben kunnen blijven staan zonder steun van het omvangrijke lijf van de eigenaar. Een opmerkelijke verschijning dus, Don Angelo, die
toch dagelijks maar vooral 's zondags op een vaste schare "fans" in zijn kerk mocht rekenen. De oude dametjes, de dikke donkere kousen over de blanke benen, biddend terwijl de kralen van de rozenkrans tussen de doorleefde vingers heen gleed. De schaapjes die hun herder devoot volgden tot hij na een ernstige ziekte op 75-jarige leeftijd overleed en, zoals men dat zo mooi zegt in die kringen, teruggeroepen werd naar het huis van zijn vader.
Maar nu zijn de zwerfhonden dus een probleem in Selva di Fasano, of eigenlijk in heel Puglia, of eigenlijk in heel Italië. Weinig toeristen die er geen tegenkomen. Het is een teken aan de wand. Met het land gaat het niet best, cultureel niet en economisch al helemaal niet. In een land waar het goed gaat zie je weinig of geen zwerfhonden of -katten. Nederland, Noorwegen, noem maar op.
morgens onze auto aan hoort komen. De afstand tussen Pietro en ons neemt dagelijks iets af. Een meter of tien de eerste dagen, een flinke stap op het eind. Maar altijd houdt hij net genoeg ruimte om niet aangehaald of geaaid te kunnen worden. Het is duidelijk dat hij minder prettige ontmoetingen met mensen heeft gehad. Van z'n luizen en z'n teken kunnen we hem dus niet afhelpen, van zijn lege maag wel. Blikken hondevoer, resten pizza's, vlees en vis die we soms meevragen in een restaurantje, het gaat er in als Gods woord in een ouderling - om even in de geest van Don Angelo te blijven.
Soms krijgt Pietro na een tijdje gezelschap van twee andere honden, een pub en dominant mannetje, half zwerver en half erfhonden bij een vrijwel vervallen huisje in de buurt.
Er zijn mensen die al naast hun bed staan voordat ze hun ogen open hebben. Bij mij duurt het altijd even. Langzaam wijken de wolken waarin m'n slaap gehuld is, of soms nog moeizamer is het alsof ik een keldertrap beklim. Aan het eind de morgen, die ik kalm begroet. Boven me het wonderlijke dak van de trullo. De honden merken waarschijnlijk aan mijn ademhaling dat ik wakker ben, want een natte neus port in m'n rug. Rechts van me kijkt Oronzo me opgewekt aan, zijn voorpoten op de rand van het bed. Achter hem staat Cicia, veel ouder al, luid geeuwend en nog wat slaapdronken op de poten, maar ook zij klaar om de dag te beginnen. Links van me, Lief. Ze slaapt nog, en haar rustige ademhaling is één met de geluiden van de morgen die vanachter de vensterluiken het halfdonker van de slaapkamer binnendringen. Ik glij uit m'n bed en voel de aangename koelte van de tegels onder m'n voeten. Op de voet gevolgd door twee enthousiaste viervoeters strompel ik wat stijfjes naar de buitendeur, die na de twee draaien van de sleutel met een ijzeren klik uit het slot springt. De zware deur zwaait open en Oronzo en Cicia schieten langs m'n benen naar buiten. Ik zet de deur vast aan de haak in de muur, rek me uit. Voor me trekt de achterkant van de nacht naar het westen, een frisheid achterlatend die de bloemen op het terras hun kelkjes uitnodigend doet openen. De bijen en wat vlinders zijn al druk in de weer en doen zich tegoed aan rozerood, leliewit, fuchsiaroze. Hoog daarboven een hemel van blauw. Dit is m'n paradijsje.


Ik sta op en fluit om te weten waar de honden uithangen. Cicia komt meteen de hoek omrennen, maar Oronzo laat langer op zich wachten. Later hoor ik bij buurman Luigi dat Oronzo 's morgens steevast een paar honderd meter van huis te vinden was. Hofmakerij en ondertussen een "vorkje meeprikken" op het erf van ene Pugliëse schoonheid. Een kwartiertje en dan voldaan naar huis. We gaan een blokje om. Onze "trulli" op een heuvel die zo'n 400 meter boven Fasano uitsteekt, en ik hou ervan om 's morgens vroeg naar de rand van ons terrein te lopen vanwaar je over de vlakte tot aan de zee uitkijkt. Direkt aan de voet van de heuvel dus Fasano, met haar beroemde Zoo Safari, een van de grootste dierentuinen van Europa. Maar ik ben geen dierentuinliefhebber, dus ik ben nog nooit in de Zoo Safari geweest. Ik vind het op zich zelfs wel prettig dat we het park niet kunnen zien vanaf hier.
We draaien ons om en gaan terug, de honden iets voor me, of iets achter me, maar steeds in de buurt. Ze houden van deze rondjes. Door de bosjes, waar elke boom zijn eigen verhaal heeft. Er staan ook wat fruitbomen. Langs de groentetuin van Peppino, de zoon van Nenette, en terug naar de groep huisjes. Nenette hoort hier, maar dit jaar is ze er niet. Ze sukkelt met haar gezondheid en verkiest haar huisje in het hete Fasano boven de kleine "trullo" in Selva. Ook Peppino kan er niet bij. ,,Dan gaat ze de rozenkrans bidden met haar vriendinnen'', zegt hij hoofdschuddend. Ook de luiken van de trullo naast het kleine kerkje zijn hermetisch afgesloten. Hier brengt normaal gesproken zia (tante) Pia de zomer door, met haar dochter Maria-Cristina, maar ook zij zit in de lappenmand. Luigi en Maria zijn de laatsten. Ze wonen hier niet alleen 's zomers maar ook 's winters.