Het laatste streepje op de benzinemeter knippert, maar het is niet ver tot aan de distributore in het dorp. Geen self-service, althans niet overdag. Behalve benzine verkoopt hij ook fietsen, en een aangename babbel. Over het weer; sommige dingen zijn op een aangename manier globaal.Een zwaar, miezerige tranen huilend wolkendek heeft zich opengetrokken. Penseelstreken azuur verdringen het grijs steeds verder naar de horizon. De novemberzon brengt wat kleur. Desondanks blijft een ritje langs wat bedrijven in de buurt heel deprimerend. Pessimisme over de toekomst valt af te lezen van de kale traptreden die naar de receptie leiden van een producent van verpakkingsmateriaal. ,,Maar we zijn in cassa integrazione'', zegt de jongeman aan de balie klagerig. Cassa integrazione, arbeidstijdverkorting, het woord van de dag in het Italië van vandaag. Bij een transportbedrijf kost het me zelfs moeite om ze mijn curriculum vitae in ontvangst te laten nemen. Als ze zien dat ik ook Duits spreek gaan ze toch overstag. Een sprankje hoop. Bij twee andere bedrijven is de sfeer niet veel beter: buiten rode vlaggen van de vakbonden op de omheining, binnen een stilte als in een grafkamer. Maar bij beiden een knappe secretaresse, heel aardig bovendien, die alle problemen met een glimlach naar de achtergrond lijken te kunnen schuiven.
Op de terugweg even wat boodschappen doen bij de Coop. "La Coop sei tu", is het motto van deze supermarktketen. De Coop ben jij. O ja? En waarom heb ik dan drie merken zout, drie merken peper, drie merken basilicum in mijn kruidenrek staan terwijl de wat minder alledaagse kruiden nergens te vinden zijn? Frisdrank, eten voor de honden, melk, margarine, rijst, pasta. Geen groenten, want die smaken bij de supermarkt over het algemeen naar weinig. Daarvoor ben ik gisteren al naar de maandagmorgenmarkt geweest in het dorp.
De honden zijn blij als ik thuis kom. Zij vinden het best fijn me de hele dag over de vloer te hebben. De bloemen op de salontafel pareren het gekwispel van staarten.

Zoals elke dag heb ik de tijd om de krant van a tot z uit te pluizen. Ierland wankelt, en de euro is een dubbeltje op zijn kant. De regeringscrisis in Italië, Berlusconi. Het grootste deel van Italië is Berlusconi beu, maar de zakenman weet zich ondanks alles nog steeds gesteund door 30 procent van de Italianen. De overige 70 procent wil niets meer over Berlusconi lezen, journalisten willen niets meer over Berlusconi schrijven, maar schijnen een chronisch probleem te hebben om andere onderwerpen op de voorpagina's te plaatsen. De Bologna-bijlage wordt gevuld met de financiële problemen van de plaatselijke voetbalclub en de plaatselijke politieke problemen van de Partito Democratico. Ook in Bologna wil iedereen het binnen de grootste oppositie-partij het voor het zeggen hebben, waardoor het maar steeds niet duidelijk kan worden wat de werkelijke richting van de PD is.
Tijd om aan het avondeten te gaan denken. Vandaag wordt het een bella peperonata mediterranea. Bella, want met de vier paprika's die je er voor nodig hebt ben je ervan verzekerd dat je iets kleurigs op tafel zet. Het oog wil tenslotte ook wat.
Vier paprika's dus, wat volgens het kookboek genoeg zou moeten zijn voor vier personen maar waar ik mijn vraagtekens bijzet. Ze hadden geen groene op de markt, dus heb ik maar twee gele en twee rode gekocht. De stengel eraf, het "klokhuis" en de pitjes eruit (wat een priegelwerk!) en de rest vormt, in vrij grote stukken gesneden, de basis voor dit gerecht.
Geen idee waarom, maar als ik tomaten koop kom ik meestal thuis met van die kleintjes. Kersentomaatjes. Natuurlijk zijn ook andere tomaten goed voor de peperonata, maar ik doe het dus met kersentomaatjes. Een halve kilo, die ik, ook al zijn ze klein, nog eens op halve stukjes snijdt.
Sinds ik een paar maanden geleden mijn pink eens flink heb opengehaald bij het op schijfjes schaven van een courchette heb ik de groentesnijder naar de verste vergeethoek van een van de keukenlaadjes verbannen. Met een mesje duurt het wel wat langer, maar ik voel me een stuk veiliger. Desondanks zijn de tranen die ik uit bij het op schijven snijden van een ui geen tranen van emotie, maar gewone tranen die vrij schijnen te moeten komen bij het snijden van een ui. Oronzo, onze kleinste hond, die tot nu toe naast me heeft zitten wachten of er misschien iets eetbaars van het aanrecht valt houdt het bij het ruiken van de ui voor gezien en vertrekt naar zijn mand.
Ik ben bijna klaar met de voorbereidingen. Nog een teentje knoflook snipperen en de braadpan kan op het vuur. Vijf eetlepels olijfolie (extra vergina natuurlijk), waarin ik vijf ansjovisjes "smelt", om een originele culinaire term van mijn vriend Paul te gebruiken. Zoals altijd spetteren ze als een gek. De miniscule druppeltjes hete olie op mijn hand doen me elke keer weer denken aan die keer dat ik, toen ik nog klein was, onderuit ging met mijn fiets en een flinke bos brandnetels mijn val wist te breken. Vlug het vuur wat lager en de ui en de knoflook erbij. De keuken vult zich met de heerlijke geur van gebakken ui. Gek dat zoiets simpels me het water in de mond doet lopen.
Als de ui begint de kleuren gooi ik de tomaatjes en de paprika erbij en het grootste deel van het werk zit erop. Ik draai het vuur op z'n laagste stand, voeg zout toe en roer de groenten door elkaar. Dan gaat het deksel op de pan om alles in een half uurtje gaar te laten koken.
Ook al sta ik graag in de keuken, ik ben nog steeds geen zelfverzekerde kok. Ik blijf altijd in de buurt van het fornuis "voor het geval dat" en in de tussentijd lees ik een boek. Op het ogenblik ben ik bezig aan de laatste van Michel Houellebecq, "De kaart en het landschap" waarvoor hij dit jaar bekroond is met de Prix Goncourt. Aan het eind van elke bladzijde ontbreek ik hem even om in de pan te roeren. Dat lijkt veel, maar ik lees in het Italiaans en mijn leesritme is ook na dertien jaar nog niet wat het in het Nederlands is. Alles pruttelt tevreden, de paprika's, de tomaatjes, de uien en ikzelf.
Ook Houellebecq pruttelt, maar iets minder tevreden. Hij heeft zichzelf naast de hoofdpersoon Jed Martin een rol gegeven in "De kaart en het landschap" en zet zich als een einzelganger neer, pessimist en gemakkelijk vatbaar voor depressies van ongekende diepte.
Na 25 minuten haal ik het deksel van de pan om te proeven en eventueel nog wat zout toe te voegen. Maar dat laatste is niet nodig. Perfekt, ook al zeg ik het zelf. Ik laat het deksel van de pan om het overtollige vocht gedurende de laatste vijf minuten te laten verdampen en als de kookwekker afloopt draai ik het gas uit. Het is nog even wachten totdat Lief thuiskomt, maar dat is niet erg. De peperonata moet niet heet zijn als je het serveert. Waarmee? Rijst of cous-cous? Daar ben ik nog niet helemaal uit.

Het is inmiddels half vijf. Tijd voor een rondje met de honden, voordat het donker wordt.
De lucht kleurt rood aan de einder. Vogels kwetteren in een boom alsof het een lente-avond is. De eerste sterren plinken echter al in een snel donker wordende hemel. Het is november, bijna winter en voor vrijdag verwacht men de eerste sneeuw. Althans, zo heeft de pompbediende me vanmorgen vertelt.
Eindhoven trekt als een enorm doek langs de ingelijste panoramavensters van de bus. Eindhoven op zondagmorgen. Er is weinig volk op straat.


ouders met hun zoon van een jaar of vijftien. De jongen doet me aan mijn zoon denken. Een beetje onwennig in het grote lichaam dat het nog gedeeltelijke kinderhart verbergt. Verlegen lijkt het, maar ik geloof niet dat dat het is. Als ze betaald hebben wordt hun plaats ingenomen door twee vriendinnen, die elkaar lang niet gezien hebben. Ze hebben veel te bespreken, oude liefdes, nieuwe liefdes, collega's, het werk. Ze hoeven niet te fluisteren met twee Italianen aan het tafeltjes naast zich.

We kiezen voor het
Verderop aan de Herengracht, op nummer 497, huist het 






de sterrennacht. Magie. Het eerste doek en het laatste lijken bijna niet door dezelfde persoon geschilderd. Ertussen ligt een geschiedenis, een ontwikkeling, die in de tentoonstelling prachtig in beeld wordt gebracht. Enkele fragmenten van Vincents brieven aan broer Theo geven weer hoe de schilder worstelde naar een, voor hem dikwijls minst onbevredigende eindresultaat. Ik zou hier vele uren rond kunnen lopen, maar er resten er slechts anderhalf tot aan sluitings- en etenstijd.
Voor ons geen 'bokske', maar een gewoon pilsje bij café Dante. De Italiaanse Lonely Planet heeft het over een galerie op de eerste verdieping met werk van Herman Brood. Ongelovig loop ik de trap op, en ja hoor, daar hangen ze. Felle kleuren, primitieve figuren alsof ze rechtstreeks uit een hallucinerende droom gestapt zijn. Was dit zijn wereld? Voor we verder gaan drinken we er nog eentje, op Herman.
Slechts een paar kilometer verderop, in de vertrekhal van het vliegveld Charleroi staat een kerstboom, veel groter, veel voller, en met veel meer lichtjes als die in het kleine huisje in het donker van de koude winteravond. En toch, deze boom kan niet tippen aan de kleine onregelmatige blauwspar met daaronder de kerststal van Marieke. De kunststof takken missen de geur van een echte boom, en de hal mist de reuk van boerenkool en gebraden worst. Reizigers van en reizigers naar lopen er voorbij, en dikwijls lijken ze de boom niet eens op te merken. Ik vind het altijd een heel triest tafereel, een kerstboom op een vliegveld. Ik kan er niks aan doen.
We vertrekken uiteindelijk met een kwartier vertraging. Als de wielen van onze Boeing zich van de startbaan van Charleroi losmaken ben ik al door de inleiding heen (deze schreef Büch speciaal voor de herdruk van zijn ''Eilanden'', 10 jaar na de eerste editie) en bevind me al op het gezonde en vruchtbare St. Helena. Zo omschreef een Nederlander in 1887 deze Britse kroonkolonie die eerst en vooral bekend is geworden als de laatste - gedwongen - verblijfplaats van Napoleon Bonaparte. Hij was niet de enige die als gevangene op het eiland geleefd heeft, wel de bekendste.

Ons hotel is een oase van rust na de spraakwaterval waarvan we getuige hebben moeten zijn. In de hal klatert een fonteintje, rustig. De ontvangst is vriendelijk. Des Colonies gaat weliswaar schuil achter een aantal torenhoge kantoorge-bouwen en het Sheraton Hotel, maar desondanks ademt het een bijzondere sfeer uit. Ik zou het niet koloniaal willen noemen, maar je proeft er iets van het reizen uit vervlogen tijden. De vensters op de gangen zijn "art nouveau", de hoge plafonds in de eetzaal en de bar verliezen elke eentonigheid dankzij de ornamenten en het jachtige Brussel stopt bij de dubbele deuren van de entreehal die wellicht toch iets koloniaals uitademt.
brasserie "'t Kapiteintje" komen. ,,Dit is België'', fluister ik Lief toe als we binnen zijn. Lange banken langs de muren waarop je schuilgaat achter diepe borden en grote glazen op de tafeltjes ervoor, een bar met minstens tien merken bier, en langs het plafond de kerstversiering, daar iets te lang, daar iets te kort, maar veelkleurig en heerlijk kitsch. Ik krijg een brok in mijn keel, die ik met een Leffe op perfecte temperatuur wegspoel. De ober zingt, deels in het Waals, deels in het Vlaams, en brengt me eenvoudig garnalenkroketten met brood. Het is jaren geleden dat ik die gegeten heb. Het echte watertanden is aangebroken.

bijzondere titel 




In mijn reaktie vertel ik haar onder andere dat ik op het ogenblik een boek aan het lezen ben van 
me toch ook niet van de indruk onttrekken dat er iets van waar is. Hij gebruikt bepaalde personen om een bepaald verwachtingspatroon op te bouwen, ze krijgen zelfs gedurende enige honderden bladzijden een hoofdrol maar verdwijnen daarna bijna volledig uit het verhaal. Voor de sensuele zussen Kanō is zo'n rol weggelegd, en zo ook voor een muzikant die bijna uit het niets verschijnt en weer net zo gemakkelijk in datzelfde niets verdwijnt. Ze dragen echter allemaal op de een of andere manier een steentje bij aan de oplossing van de zoektocht Okada Toru naar zijn vrouw Kumiko. Zij verdwijnt van het ene moment op het andere uit het leven van Toru. Net zoals hun kat, met wiens verdwijning de schrijver aan het begin van deze 832 bladzijden tellende roman het pad voor zijn lezers effent. De kat luistert naar de bijzondere naam Wataya Noboru, genoemd naar de broer van Kumiko die, zonder dat Toru het wil, een ontzettend grote invloed op het leven van het echtpaar heeft. De sleutel van Okada Toru's zoektocht blijkt te liggen op de bodem van een oude, inmiddels drooggevallen waterput in de achtertuin van een huis waarvan de bewoners elke keer op de meest vreemde manier om het leven zijn gekomen. Een sleutel die leidt naar de geheimzinnige, immer duistere suite 208 van een immens hotel. Toru vindt er in de stilte en het donker min of meer een antwoord op al zijn vragen.
Er wordt in het "systeem" minderwaardig op het boek gereageerd. De hoofdrolspelers sturen hem laconiek hun versie van de feiten en schaamteloos worden "vergeten" acties uit de doeken gedaan. "Gomorra" wordt zelfs vervalst op de markt gebracht. Wie is die Saviano nou? Een breekbaar riddertje dat het op een houten hobbelpaard, gewapend met een plastic speelgoedzwaard, tegen de draak op wil nemen. Een Don Quichotte van de 21e eeuw.
De "bagno" is spartaans en biedt het essentiële. Er is wat te drinken en te eten, in het weekeind en in het hoogseizoen is er 's middags ook vis en inktvis van de grill. Een grote houten overkapping, daaronder in de schaduw tafeltjes en stoeltjes. Het is een hele familie die alles hier draaiend houdt, la mamma, zoontjes, dochters, neefjes, nichtjes en wie weet wie nog meer. Een van de dochters studeert economie en brengt een deel van de dag met haar donkerblonde krullen boven het toetsenbord van een laptop door. De andere dochter doet economie en je vindt haar altijd vriendelijk lachend en babbelend achter de bar, in de keuken, op het strand, overal waar je net iemand nodig hebt.





