Posts tonen met het label boeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boeken. Alle posts tonen

dinsdag 22 februari 2011

Kleur (25 november 2010)

Het laatste streepje op de benzinemeter knippert, maar het is niet ver tot aan de distributore in het dorp. Geen self-service, althans niet overdag. Behalve benzine verkoopt hij ook fietsen, en een aangename babbel. Over het weer; sommige dingen zijn op een aangename manier globaal.

Een zwaar, miezerige tranen huilend wolkendek heeft zich opengetrokken. Penseelstreken azuur verdringen het grijs steeds verder naar de horizon. De novemberzon brengt wat kleur. Desondanks blijft een ritje langs wat bedrijven in de buurt heel deprimerend. Pessimisme over de toekomst valt af te lezen van de kale traptreden die naar de receptie leiden van een producent van verpakkingsmateriaal. ,,Maar we zijn in cassa integrazione'', zegt de jongeman aan de balie klagerig. Cassa integrazione, arbeidstijdverkorting, het woord van de dag in het Italië van vandaag. Bij een transportbedrijf kost het me zelfs moeite om ze mijn curriculum vitae in ontvangst te laten nemen. Als ze zien dat ik ook Duits spreek gaan ze toch overstag. Een sprankje hoop. Bij twee andere bedrijven is de sfeer niet veel beter: buiten rode vlaggen van de vakbonden op de omheining, binnen een stilte als in een grafkamer. Maar bij beiden een knappe secretaresse, heel aardig bovendien, die alle problemen met een glimlach naar de achtergrond lijken te kunnen schuiven.

Op de terugweg even wat boodschappen doen bij de Coop. "La Coop sei tu", is het motto van deze supermarktketen. De Coop ben jij. O ja? En waarom heb ik dan drie merken zout, drie merken peper, drie merken basilicum in mijn kruidenrek staan terwijl de wat minder alledaagse kruiden nergens te vinden zijn? Frisdrank, eten voor de honden, melk, margarine, rijst, pasta. Geen groenten, want die smaken bij de supermarkt over het algemeen naar weinig. Daarvoor ben ik gisteren al naar de maandagmorgenmarkt geweest in het dorp.

De honden zijn blij als ik thuis kom. Zij vinden het best fijn me de hele dag over de vloer te hebben. De bloemen op de salontafel pareren het gekwispel van staarten.



Zoals elke dag heb ik de tijd om de krant van a tot z uit te pluizen. Ierland wankelt, en de euro is een dubbeltje op zijn kant. De regeringscrisis in Italië, Berlusconi. Het grootste deel van Italië is Berlusconi beu, maar de zakenman weet zich ondanks alles nog steeds gesteund door 30 procent van de Italianen. De overige 70 procent wil niets meer over Berlusconi lezen, journalisten willen niets meer over Berlusconi schrijven, maar schijnen een chronisch probleem te hebben om andere onderwerpen op de voorpagina's te plaatsen. De Bologna-bijlage wordt gevuld met de financiële problemen van de plaatselijke voetbalclub en de plaatselijke politieke problemen van de Partito Democratico. Ook in Bologna wil iedereen het binnen de grootste oppositie-partij het voor het zeggen hebben, waardoor het maar steeds niet duidelijk kan worden wat de werkelijke richting van de PD is.

Tijd om aan het avondeten te gaan denken. Vandaag wordt het een bella peperonata mediterranea. Bella, want met de vier paprika's die je er voor nodig hebt ben je ervan verzekerd dat je iets kleurigs op tafel zet. Het oog wil tenslotte ook wat.
Vier paprika's dus, wat volgens het kookboek genoeg zou moeten zijn voor vier personen maar waar ik mijn vraagtekens bijzet. Ze hadden geen groene op de markt, dus heb ik maar twee gele en twee rode gekocht. De stengel eraf, het "klokhuis" en de pitjes eruit (wat een priegelwerk!) en de rest vormt, in vrij grote stukken gesneden, de basis voor dit gerecht.
Geen idee waarom, maar als ik tomaten koop kom ik meestal thuis met van die kleintjes. Kersentomaatjes. Natuurlijk zijn ook andere tomaten goed voor de peperonata, maar ik doe het dus met kersentomaatjes. Een halve kilo, die ik, ook al zijn ze klein, nog eens op halve stukjes snijdt.
Sinds ik een paar maanden geleden mijn pink eens flink heb opengehaald bij het op schijfjes schaven van een courchette heb ik de groentesnijder naar de verste vergeethoek van een van de keukenlaadjes verbannen. Met een mesje duurt het wel wat langer, maar ik voel me een stuk veiliger. Desondanks zijn de tranen die ik uit bij het op schijven snijden van een ui geen tranen van emotie, maar gewone tranen die vrij schijnen te moeten komen bij het snijden van een ui. Oronzo, onze kleinste hond, die tot nu toe naast me heeft zitten wachten of er misschien iets eetbaars van het aanrecht valt houdt het bij het ruiken van de ui voor gezien en vertrekt naar zijn mand.
Ik ben bijna klaar met de voorbereidingen. Nog een teentje knoflook snipperen en de braadpan kan op het vuur. Vijf eetlepels olijfolie (extra vergina natuurlijk), waarin ik vijf ansjovisjes "smelt", om een originele culinaire term van mijn vriend Paul te gebruiken. Zoals altijd spetteren ze als een gek. De miniscule druppeltjes hete olie op mijn hand doen me elke keer weer denken aan die keer dat ik, toen ik nog klein was, onderuit ging met mijn fiets en een flinke bos brandnetels mijn val wist te breken. Vlug het vuur wat lager en de ui en de knoflook erbij. De keuken vult zich met de heerlijke geur van gebakken ui. Gek dat zoiets simpels me het water in de mond doet lopen.
Als de ui begint de kleuren gooi ik de tomaatjes en de paprika erbij en het grootste deel van het werk zit erop. Ik draai het vuur op z'n laagste stand, voeg zout toe en roer de groenten door elkaar. Dan gaat het deksel op de pan om alles in een half uurtje gaar te laten koken.

Ook al sta ik graag in de keuken, ik ben nog steeds geen zelfverzekerde kok. Ik blijf altijd in de buurt van het fornuis "voor het geval dat" en in de tussentijd lees ik een boek. Op het ogenblik ben ik bezig aan de laatste van Michel Houellebecq, "De kaart en het landschap" waarvoor hij dit jaar bekroond is met de Prix Goncourt. Aan het eind van elke bladzijde ontbreek ik hem even om in de pan te roeren. Dat lijkt veel, maar ik lees in het Italiaans en mijn leesritme is ook na dertien jaar nog niet wat het in het Nederlands is. Alles pruttelt tevreden, de paprika's, de tomaatjes, de uien en ikzelf.
Ook Houellebecq pruttelt, maar iets minder tevreden. Hij heeft zichzelf naast de hoofdpersoon Jed Martin een rol gegeven in "De kaart en het landschap" en zet zich als een einzelganger neer, pessimist en gemakkelijk vatbaar voor depressies van ongekende diepte.
Na 25 minuten haal ik het deksel van de pan om te proeven en eventueel nog wat zout toe te voegen. Maar dat laatste is niet nodig. Perfekt, ook al zeg ik het zelf. Ik laat het deksel van de pan om het overtollige vocht gedurende de laatste vijf minuten te laten verdampen en als de kookwekker afloopt draai ik het gas uit. Het is nog even wachten totdat Lief thuiskomt, maar dat is niet erg. De peperonata moet niet heet zijn als je het serveert. Waarmee? Rijst of cous-cous? Daar ben ik nog niet helemaal uit.



Het is inmiddels half vijf. Tijd voor een rondje met de honden, voordat het donker wordt.
De lucht kleurt rood aan de einder. Vogels kwetteren in een boom alsof het een lente-avond is. De eerste sterren plinken echter al in een snel donker wordende hemel. Het is november, bijna winter en voor vrijdag verwacht men de eerste sneeuw. Althans, zo heeft de pompbediende me vanmorgen vertelt.

vrijdag 18 februari 2011

Eindhoven, zondagmorgen (14 april 2010)

Eindhoven. Ben ik er ooit al eens geweest? Ik dacht het wel, maar weet het niet meer zeker. Ergens in een achterkamertje van mijn geheugen heb ik een impressie hangen van de binnenkant van het Evoluon. De entreehal. In zwart-wit, dus het kan best een foto uit een tijdschrift zijn geweest dat ik als kleine jochie door heb zitten te bladeren.

Het feest was leuk, en het werd dus laat. Dit, in combinatie met het begin van de zomertijd, laat alles nog vroeger aanvoelen dan dat het al is. Een douche en een ouderwets Hollands ontbijt (krentenbrood met kaas en beschuit met hagelslag) doen me echter aangenaam, als een eend dobberend op de korte golfjes van een vijver, het ritme van de vroege zondagmorgen aannemen. Ohé en Laak. De zon schijnt laag door het raam. Op een boerderij in de buurt kraait een haan. Nog een kop thee. Ik heb honger, neem ook een zacht gekookt eitje.
Het station in Echt, wachten tot het rode licht gedoofd is, er kan nog een trein komen. Niemand wacht. Echt slaapt nog of wordt pas wakker. Overstappen in Roermond, spoor 3 wordt spoor 2. Overstappen in Weert, spoor 2 wordt weer spoor 3. Station Eindhoven. Net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.

En lijn 401 brengt ons van het station naar het vliegveld. Ook net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.
Eindhoven en Philips zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het korte busritje door de stad laat ook aan de toeristen, dikwijls op doorreis van of naar Amsterdam, weinig aan duidelijkheid over. Ook mijn jeugd en Philips waren met elkaar verstrengeld, als de draadjes van de oordopjes van een ipod of een walkman. Mijn vader werkte bij Philips, en dus droeg de gloeilampengigant, als je het goed bekijkt, financieel direkt bij aan mijn opvoeding en opleiding. Indirekt zou je misschien heel ver door kunnen doorborduren en zelfs tot de conclusie komen dat dit stukje dankzij Philips tot stand is gekomen.
Mijn vader werkte op de flitslampen-afdeling in Terneuzen. Flitslampen waren kleine glazen kogeltjes met een blauwe glans erin. Aan de onderkant staken er twee draadjes uit, die je in een zogenaamd flitsapparaat duwde. Dit apparaat zat op zijn beurt weer met een stekkertje verbonden aan het fototoestel, die het glazen kogeltje in de flitser fel deed oplichten op het moment dat je de ontspanner indrukte. Daarna gooide je de flitslamp weg. Aan de buitenkant leek het glas met brandblaren overdekt en je kon het geen tweede keer gebruiken. Hetzelfde gold overigens voor het filmrolletje: eenmaal vol bracht je het naar de fotograaf die er negatieven van maakte en daar vervolgens foto's van afdrukte. Je moest daarna een nieuw rolletje kopen, want het oude was niet herbruikbaar. De rolletjes waren er in drie formaten: 12, 24 of 36 foto's.
Het was de tijd dat wachten nog gewoon was, net als geduld. Een rolletje laten ontwikkelen en er foto's van laten afdrukken duurde op z'n minst een aantal dagen. Als je ze daarna ging halen rukte ze je meteen uit de enveloppe om ze te bekijken. Het resultaat viel dikwijls tegen, omdat bepaalde dingen zich niet laten vangen in een klik, of heel eenvoudig omdat een bepaalde sfeer niet houdbaar blijkt te zijn op papier. De foto's werden dan thuis nog een keer uit de enveloppe gehaald, maar belandden daarna al snel in een la waar ze vervolgens jarenlang stofferig lagen te worden.
Onze flitslampjes waren dus van Philips, maar ook de batterijen, de gloeilampen, de radio, de televisie, de pick-up, de bandrecorder, de koelkast, de wasmachine, de broodrooster en, toen mijn vader dicht tegen zijn pensioen aanzat, de eerste spaarlampen die zowat een kilo wogen. Een geldstroom in een vrijwel gesloten circuit. Het was dat we ook aten, anders was mijn vader's salaris een perpetuum mobile geweest. En het was dat Philips geen auto's maakte, want anders zouden we ongetwijfeld in een Philips rond gereden hebben. Maar we bleven in de buurt. Mijn ouders zwoeren namelijk bij de volautomaat, de Daf, het unieke produkt van de Van Doornes Autofabrieken die net als Philips hun hoofdvestiging in Eindhoven hadden.

Eindhoven trekt als een enorm doek langs de ingelijste panoramavensters van de bus. Eindhoven op zondagmorgen. Er is weinig volk op straat.
Oude fabriekshallen ademen op een verder bijna braakliggend terrein nog iets van de oude glorie uit. De zestiger jaren, gevangen in de industriële archtectuur van die tijd, en een eindje verder in een woonwijk. Vijf hoog, zes hoog, kleine ramen waarachter ooit de Philips-gezinnen hun aardappelen met jus aten aan het eind van de werkdag. De vensters geven nu de indruk dat er studenten achter wonen. We zijn in de buurt van het Philips-stadion.
Halte Philips-stadion. Lief schrijft na de Arena, de Kuip, de Galgenwaard en het RBC-stadion een vijfde Nederlands voetbal-mekka bij op haar lijstje. Met uitleg. Voor het stadion staan de standbeelden van de topschutters van de club: Coen Dillen en Willy van der Kuijlen.




De eerste was van voor mijn tijd, de tweede viel precies in de periode dat ik mijn voetbalplaatjes verzamelde. Ik heb hem wel honderd keer gezien, want hij was elk seizoen één van die vele dubbele die je in de zakjes van een kwartje vond. Gert Bals was er ook zo één.
We rijden verder en stoppen bij de halte Evoluon. Ondanks haar leeftijd is het nog steeds een supermodern bouwwerk. ,,Ik denk dat ik het wel eens bezocht heb, maar ben niet zeker'', zeg ik tegen Lief.


De huizen worden lager. Het zicht wordt wijder. In de richting van het vliegveld heeft het vlakke landschap plaatsgemaakt voor een al bijna even vlak landschap van één verdieping hoog. Moderne huizen, veel groen, veel ruimte.
In de bus hangt een monitor, waarop beurtelings de volgende halte, de chauffeur, de aankomsttijd op het vliegveld, de slechts bij enkele haltes open en dichtsklappende deuren, en wijzelf te zien zijn. Ik heb niet kunnen ontdekken van welk merk de monitor was.

Als we twee uur voor vertrek willen inchecken krijgen we te horen dat we nog minstens 45 minuten moeten wachten. Perfect om even de kiosk binnen te stappen.
Ik sta op het punt om De Volkskrant van de dag daarvoor te kopen, maar er de zondag-editie van La Repubblica is er al. Dus ik neem die. De dag erna lees ik op internet dat het de laatste 'grote' Volkskrant is geweest. Heel even heb ik iets van 'jammer'. Ik had een stukje historie in mijn bezit kunnen hebben.
Wat boeken betreft is er niet erg veel keus, wat het voor mij een stuk gemakkelijker maakt. Ik kies voor 'Vals licht' van Joost Zwagerman en 'Caesarion' van Tommy Wieringa. En ik besluit een mooie traditie voort te zetten en met een Bril uit Nederland terug te komen: Jongensjaren. Een verzameling verhalen over de jaren zestig en zeventig, staat er op de achterkant geschreven. Onbewust dwalen mijn gedachten af... naar Philips.


zondag 6 februari 2011

Een kaartje uit... Amsterdam (8 mei 2009)

Terug naar Westdorpe (1).
 



Terug naar Westdorpe. Een weekje lage landen.

Amsterdam stond aanvankelijk slechts als passage op ons programma, onderweg van Schiphol naar Westdorpe. Maar een vriendin vertelde dat we de tentoonstelling "Van Gogh en de kleuren van de nacht" niet over mochten slaan.
Het is zaterdagavond, rond de klok van zeven. In Italië viert men de bevrijding, en wij staan weer op het Stationsplein. Zoals precies een jaar geleden. Achter ons het centraal station, als een kloppend hart. Moegeshopte gezinnen, de handen vol tassen, verdwijnen door de openstaande deuren naar binnen. Toeristen en zaterdagavondstappers komen naar buiten, de voorpret en verwachting als een rode blos op de wangen. Voor ons de halte van de tram, en iets verderop aan het Damrak de put, die wat grootte en diepte weinig lijkt te hebben ingeboed ten opzichte van vorig jaar.
Welke lijn was het ook alweer, de 1 of de 11? Het blijkt uiteindelijk lijn 2 te zijn.

Het Leidseplein gonst. Een groep van vijf breakdancers (heten die nog zo?) maakt het publiek enthousiast. Achter de toeschouwers trappen wat jochies anoniem een balletje. Een ouwere passant houdt de bal even hoog als die zijn kant oprolt. De romantiek van het straatvoetbal, ook dat hoort bij Amsterdam.
We drinken een pilsje op een terras voordat we binnengaan bij Stoop & Stoop. Het is er goed, gezellig en dus altijd vol, maar na vijf minuten is er een tafeltje vrij. Naast ons twee ouders met hun zoon van een jaar of vijftien. De jongen doet me aan mijn zoon denken. Een beetje onwennig in het grote lichaam dat het nog gedeeltelijke kinderhart verbergt. Verlegen lijkt het, maar ik geloof niet dat dat het is. Als ze betaald hebben wordt hun plaats ingenomen door twee vriendinnen, die elkaar lang niet gezien hebben. Ze hebben veel te bespreken, oude liefdes, nieuwe liefdes, collega's, het werk. Ze hoeven niet te fluisteren met twee Italianen aan het tafeltjes naast zich.
Als we met een voldaan spinnende maag terug naar ons hotelletje lopen is het donker, maar de stad bruist en de terrasjes zitten vol. De breakdancers zijn vertrokken, en de voetballertjes zitten waarschijnlijk thuis te 'gamen'. Hun plaats is ingenomen door een cellist die nog moet beginnen, of misschien al klaar is met zijn optreden. Zijn instrument wacht gelaten op de dingen die komen gaan, de stok of de kist.


Al een paar keer is het ons gelukt een hotelletje bij het Vondelpark te vinden. Dat heeft iets speciaals, op de vroege ochtend door het park naar het centrum wandelen. De vogels begroeten fluitend het begin van de dag, trimmers demonstreren onverbloemd de vele stijlen van het zich in looppas voortbewegen, ieder apart uitnodigend tot wat fantasieën over hoe hij of zij buiten het trainingspak door het leven gaat. Ik neurie Acda en De Munnik.
Voor het Van Gogh Museum staat om iets over negen al een lange rij. Het miezert en we hebben weinig zin ons aan te sluiten. Er zijn vast en zeker andere musea met een kortere wachttijd.




We kiezen voor het FOAM. De vaste collectie heeft het veld moeten ruimen voor de tentoonstelling "Richard Avedon: Photographs 1946 - 2004", maar dat blijkt helemaal niet erg te zijn. Het is een schitterende collectie, waarin te zien is hoe het werk van de eigenzinnige Avedon zich in de jaren heeft ontwikkeld. Van vernieuwend modefotograaf tot zijn ontwapende portretten, waarin hij de ziel van zijn onderwerpen bloot weet te leggen.
Zien eten doet eten, zeggen ze wel eens. Dat is een beetje hetzelfde met fotograferen. Als ik na een weekje Lage Landen thuiskom blijk ik 541 fotootjes gemaakt te hebben. Ik ben min of meer een op-goed-geluk-fotograaf en ik weet, als hiervan één procent redelijk van kwaliteit is, dan is het meegenomen.

Verderop aan de Herengracht, op nummer 497, huist het KattenKabinet. Naast de kassa zit een kat, die zich gewillig laat aanhalen. Op de trap naar de eerste verdieping worden we voorbijgestoken door een tweede kat, op een bankje ligt een derde een uiltje te knappen en een vierde zit lodderig in de vensterbank naar buiten te kijken. Tot zover de levende hoofdrolspelers in dit bijzondere museum. De collectie is heel bijzonder met Picasso en Henri de Toulouse-Lautrec als meest in het oog springende namen. De kat in de kunst, in de reclame, in de literatuur. Een hele brede horizon.

De regen wijkt heel geleidelijk voor hier en daar een opklaring met zelfs af en toe een stukje blauw en een zonnestraal. Lanterfanteren in Amsterdam. De lekker dikke zaterdag-Volkskrant, sleutelhangers met klompjes voor vrienden en collega's, kaartjes, poffertjes aan de Stadhouderskade, een bundel van Martin Bril, foto's, klik, klik, klik.
























En dan Van Gogh. Kleuren van de invallende avond, kleuren van de nacht. De aardappeleters, de zaaiers,
de sterrennacht. Magie. Het eerste doek en het laatste lijken bijna niet door dezelfde persoon geschilderd. Ertussen ligt een geschiedenis, een ontwikkeling, die in de tentoonstelling prachtig in beeld wordt gebracht. Enkele fragmenten van Vincents brieven aan broer Theo geven weer hoe de schilder worstelde naar een, voor hem dikwijls minst onbevredigende eindresultaat. Ik zou hier vele uren rond kunnen lopen, maar er resten er slechts anderhalf tot aan sluitings- en etenstijd.

Van Gogh heeft weinig grote doeken geschilderd. Zijn meeste werken zouden wat oneerbiedig 'schilderijtjes' genoemd kunnen worden. Ook mijn pas aangeschafte aanwinst van Martin Bril zit vol schilderijtjes, maar dan anders. Op een terrasje blader ik "Het verdwenen kruispunt" door. Bril schrijft dorpstafereeltjes, polderlandschappen, Nederland, op een bijna tastbare manier. In Nuenen, waar Van Gogh gewoond heeft, neemt hij plaats bij het raam van Café De Zwaan.

,,In het park, tussen de lindebomen, staat een beeld van de getormenteerde schilder. Het lijkt niet, maar waarom zou het?
...
Sky Radio brengt intussen de nieuwste Madonna, twee mannen die op De aardappeleters niet zouden misstaan komen De Zwaan binnen en bestellen luidkeels 'een bokske'."


Voor ons geen 'bokske', maar een gewoon pilsje bij café Dante. De Italiaanse Lonely Planet heeft het over een galerie op de eerste verdieping met werk van Herman Brood. Ongelovig loop ik de trap op, en ja hoor, daar hangen ze. Felle kleuren, primitieve figuren alsof ze rechtstreeks uit een hallucinerende droom gestapt zijn. Was dit zijn wereld? Voor we verder gaan drinken we er nog eentje, op Herman.

Amsterdam lijkt op te houden als je de deur van het Indonesische restaurant Cilubang achter je dichttrekt. Ik ken niet veel restaurants in Amsterdam, maar van degene die ik ken is dit mijn favoriet. Het lijkt of je op bezoek bent bij een verre oom en tante, gastvrij en dichtbij. Een hand op je schouder, het omroeren van de gerechten op tafel om uit te leggen wat het precies is. Elke maaltijd lijkt speciaal voor jou bereid, met liefde, en dat proef je.
Muziek klinkt zacht op de achtergrond, maar is niet altijd afgestemd op de periode van het jaar. Nog vier dagen tot koninginnedag en halverwege de avond komt Bing Crosby op kousevoeten voorbij met 'White Christmas'. Ook dit hoort bij Cilubang.

Geen koffie na deze keer. Ook geen afzakkertje onderweg naar ons hotelletje. Morgen gaan we naar Utrecht en we willen vroeg vertrekken. Nu maar hopen dat het niet sneeuwt.

 

donderdag 3 februari 2011

Eilanden (29 december 2008)

Een mooie, zonnige wintermiddag loopt op z'n eind. Het is koud en passagiers haasten zich van de parkeerplaatsen naar de automatische schuifdeuren van de vertrekhal. En ook diegenen die alle tijd hebben lopen stevig door. Want het is koud. Het ademen is zichtbaar in de laatste lage zonnestralen. De avond begint te vallen, en dat gaat snel in december. Nauwelijks is de zon achter de horizon verdwenen of de ijsblauwe lucht kleurt lila, waarna ze overgaat in geel, dan in rood en zo naar purper. Het firmament, als de binnenkant van een immense toverbal. Het doet de grote glazen wand van de vertrekhal op een enorme reclamspot voor een nieuwe, nog bredere, nog kleur-echterige, nog waarheidsgetrouwere plasma-tv lijken. En dan van purper naar een steeds dieper wordend donkerblauw, waartegen zich één voor één een gestaag toenemend aantal sterren zich aftekent. Buiten wordt het donker en het vliegveld krijgt steeds meer van een baken, of een eiland van licht in de duistere wereld eromheen.

Smalle wegen verbinden de weinge dorpen in de onmiddellijke omgeving. Hier en daar een lantaarnpaal, wat uit het lood, die een schaars licht werpt op de berm aan haar voet teneinde een onoverzichtelijke bocht wat minder onoverzichtelijk te maken. Wie goed kijkt kan met enige moeite in de duisternis af en toe een afgelegen woning ontdekken waarvan de bewoners het geluid van landende en opstijgende vliegtuigen na jaren en jaren inmiddels gelaten over zich heen laten komen. Zoals gezegd, je moet goed kijken, want luiken en gordijnen zijn gesloten.
En daarachter wordt rond dit tijdstip gegeten. Eenvoudig, want wie genoodzaakt is om in de buurt van een vliegveld te wonen heeft over het algemeen niet veel te makken. Een waterige jus staat in een soepkom met bloemetjesmotief in het midden van de keukentafel. Een sauslepeltje erin, dan kan iedereen pakken zoveel hij wil. Ook op het tafelzeil staan bloemen gedrukt, maar die zijn anders, en door het vele schoonvegen en opvouwen al grotendeels vervaagd. Lelies, die grotendeels aan het zicht worden ontnomen als moeder de drie borden neerzet waarop aardappelen, boerenkool en een stuk worst liggen te dampen. Naast de jus komt een kan met water te staan, en naast elk bord legt moeder een mes en een vork. De lepeltjes blijven door de week in de aanrechtla, want een toetje kunnen ze zich alleen in het weekeinde veroorloven.
,,Het eten is klaar!''

In de halfduistere woonkamer wordt Mariekes betovering verbroken. Zoals iedere avond in deze laatste twee weken voor kerst zit ze bij de kerstboom, en in het zachte licht van de twee snoeren met kerstverlichting (één met alleen maar witte lampjes en één met groen, blauw en geel) speelt ze haar kerstverhaal. De figuurtjes in de kerststal wandelen rond en veranderen steeds van plaats. De drie wijzen komen de ene dag uit het oosten, de andere uit het westen. De schaapjes worden geteld en opnieuw geteld, want soms loopt er wel eens eentje weg. Dan wordt er een herder op expeditie gestuurd (herder Derrick) om het beestje te gaan zoeken. Ook Josef is er niet altijd, want die moet, net als Mariekes vader, wel eens overwerken. Maar Maria is er altijd. Net als het kindje Jezus dat, al dan niet met een natte luier, in de kribbe ligt. Maar van een natte luier schijnt hij geen last te hebben, want hij huilt nooit.

Mariekes vader moet vanavond niet overwerken. Hij heeft goede ogen, want ondanks de schaarse verlichting leest hij de krant. Tussen het ene en het andere artikel kijkt hij met een glimlach naar z'n dochtertje. Ze gaat helemaal op in haar spel en hij voelt op zulke momenten hoe zijn hart letterlijk lijkt over te lopen. Hij heeft nooit de kans gehad om te studeren en ze hebben het dan ook niet breed. Maar dit is echte rijkdom, zo realiseert hij zich maar al te vaak. Het doet hem de berichten over de economische crisis, de brandhaarden in de wereld, de opkomst van extreem rechts met haar symbolen, en de tegenvallende resultaten van zijn Charleroi (21 punten uit 17 wedsrijden; hij had er wat meer van verwacht) niet vergeten, maar ze zijn dragelijker.
Vader heeft de krant inmiddels uit en heeft zich op zijn dagelijkse kruiswoordpuzzel geworpen. Hij is expert en houdt niet op bij een moeilijkheidsgraad van 4 of 5 sterren. Nee, zijn puzzels zijn 7 (!) sterren. Desondanks heeft hij, zonder er echt zijn hoofd over te moeten hebben breken, alle vakjes zowat fluitend (''Rudolph the red nosed reindeer'') van de immer weer magisch kloppende letters voorzien. Maar in het zicht van de finish strandt hij onverwacht op een eiland, het laatste woord, 64 horizontaal: eiland in de Golf van Cambay, 3 letters. De eerste is een D, de laatste een U. Maar de tweede?
,,Het eten is klaar!''
,,Miledju'', mompelt vader.

Slechts een paar kilometer verderop, in de vertrekhal van het vliegveld Charleroi staat een kerstboom, veel groter, veel voller, en met veel meer lichtjes als die in het kleine huisje in het donker van de koude winteravond. En toch, deze boom kan niet tippen aan de kleine onregelmatige blauwspar met daaronder de kerststal van Marieke. De kunststof takken missen de geur van een echte boom, en de hal mist de reuk van boerenkool en gebraden worst. Reizigers van en reizigers naar lopen er voorbij, en dikwijls lijken ze de boom niet eens op te merken. Ik vind het altijd een heel triest tafereel, een kerstboom op een vliegveld. Ik kan er niks aan doen.

Ik ben onderweg naar Treviso en bevind me op het vliegveld Charleroi omdat er vandaar twee maal per dag een vlucht naar dat Treviso vertrekt.
Op het moment dat Marieke en haar vader en moeder aan hun aardappelen met boerenkool en braadworst beginnen kom ik erachter dat ik vergeten ben mijn boek vanuit mijn koffer naar mijn handbagage over te hevelen. ,,Miledju'', mompel ik.
Ik besluit, zonder echt hoge verwachtingen te koesteren, mijn geluk in de kiosk te proberen. Ik vind wat tijdschriften, maar ze weten me niet echt te boeien. Weinig boeken in het Nederlands. ''De bende van Nijvel'' van Guy Bouten, ongetwijfeld een interessant dossier, maar op het moment wat te lijvig. ''Een dag in Gent'' van Herman Brusselmans. Ik twijfel, maar loop uiteindelijk toch met het boek in m'n hand richting kassa. De hoek om, langs een ander schap en... M'n hart maakt een sprongetje. Boudewijn Büch, ''Eilanden''. Mijn keus is gemaakt en Brusselmans gaat voorlopig terug naar Gent. Blij reken ik mijn aanwinst af.

Büch. Ik was hem een beetje vergeten, maar herinneringen vechten zich moeiteloos een weg naar boven en drijven weer aan de oppervlakte. ''De kleine blonde dood'', zijn reisdocumentaires op tv met die vreselijk eigenwijze eigen stijl van hem, Mick Jagger in die Soundmix Playback Show van Henny Huisman. En Büchs dood. Ik kwam pas een paar jaar later te weten dat hij overleden was. Net als bij Brood, en bij Hazes.
Onder de kerstboom in de vertrekhal eten we een broodje, we drinken iets en ik vertel Lief enthousiast over mijn pas aangeschafte juweeltje, en over Büch. Lief kent Büch niet, maar luistert, en deelt m'n plezier. Want zo is Lief, lief.
Nog vijf minuten voor het inchecken. We staan op om te gaan. Ik rek me uit, haal diep adem. De geuren uit het restaurant hebben zich met moeite tot aan ons tafeltje weten te verspreiden. Nee, ik ruik geen aardappelen, boerenkool en braadworst. Maar het zou me niet verbaasd hebben.

We vertrekken uiteindelijk met een kwartier vertraging. Als de wielen van onze Boeing zich van de startbaan van Charleroi losmaken ben ik al door de inleiding heen (deze schreef Büch speciaal voor de herdruk van zijn ''Eilanden'', 10 jaar na de eerste editie) en bevind me al op het gezonde en vruchtbare St. Helena. Zo omschreef een Nederlander in 1887 deze Britse kroonkolonie die eerst en vooral bekend is geworden als de laatste - gedwongen - verblijfplaats van Napoleon Bonaparte. Hij was niet de enige die als gevangene op het eiland geleefd heeft, wel de bekendste.
Eilanden als gevangenis, verbanningsoord, eilanden groot als speldepunten maar politiek en strategisch zo belangrijk om er oorlogen voor te voeren, eilanden vol geschiedkundige, geografische en literaire ''weetfeitjes'' zoals David Carmiggelt, lid van Büchs tv-ploeg, ze noemde. Eilanden met namen als Clipperton, Bouvet, Das, Niihau en Diu (dat laatste ligt in de Golf van Cambay).
''Eilanden'' lezend hoor je Boudewijn weer praten in zijn ''Wereld van Büch'', met dat eigenwijze stemmetje van hem, met een gedrevenheid die je het af en toe wat betweterige meteen doet vergeten.
''Eilanden'' lezend realiseer je je wat een brede kennis Büch had, en dat kwam allemaal uit zijn boeken. Bladerend, lezend, af en toe met wat hulp van de inhoud. Want vergeet niet dat hij dit schreef in 1981. Internet was nog ver weg en van zoekmachines zoals Google waarop je maar een trefwoord hoeft in te tikken had nog nooit iemand gehoord.





Een kaartje uit... Brussel (19 december 2008)


Zoals Sjoukje al in juni al aangaf, in Brussel schijnt het dikwijls te regenen. Een dik wolkendek met een breed scala van alle kleuren grijs tikt haar neerslachtigheid met grote spatten op de voorruit van de bus die ons vanaf vliegveld Charlerois naar Gare de Midi vervoert. Brussel is tweetalig, maar op geen enkele plattegrond ontcijfer ik een naam in het Nederlands (of in het Vlaams, zoals je wilt) tussen de kleine lettertjes waarmee straten, pleinen en bezienswaardigheden worden aangeduid. Station Zuid heet dus Gare de Midi, en daar staat onze taxichauffeur ons op te wachten. Hotel Des Colonies, dat weet hij wel te vinden. Het adres is niet eens nodig. Luid mopperend op alles wat zich niet in zijn eigen taxi bevindt rijdt hij ons over rues en avenues. Belgen kunnen niet autorijden, de taxitarieven zijn te laag, en en passant krijgt ook zijn vrouw nog een aantal vegen uit de pan omdat die nergens mee naartoe wil. Naar Amsterdam zou hij willen, en Londen. Maar mevrouw De Echtgenote Van Een Veel Te Veel Pratende Taxichauffeur wil er niet van horen. Voor we het weten staan we in de Rue De Colonies, waar achter geen enkel voorpand een hotel met de naam Hotel Des Colonies schuil blijkt te gaan. Logisch, want dat staat in de Rue des Croisades. Als we daar uiteindelijk aankomen heeft onze "gids" de grenzen van het irritante al lang en breed overschreden, en hetzelfde geldt voor de taximeter in 's mans automobiel.

Ons hotel is een oase van rust na de spraakwaterval waarvan we getuige hebben moeten zijn. In de hal klatert een fonteintje, rustig. De ontvangst is vriendelijk. Des Colonies gaat weliswaar schuil achter een aantal torenhoge kantoorge-bouwen en het Sheraton Hotel, maar desondanks ademt het een bijzondere sfeer uit. Ik zou het niet koloniaal willen noemen, maar je proeft er iets van het reizen uit vervlogen tijden. De vensters op de gangen zijn "art nouveau", de hoge plafonds in de eetzaal en de bar verliezen elke eentonigheid dankzij de ornamenten en het jachtige Brussel stopt bij de dubbele deuren van de entreehal die wellicht toch iets koloniaals uitademt.
Bij de receptie legt een aardige dame ons uit hoe we bij de Grote Markt, de Grand Place, kunnen komen. In het Engels, want pas volgend jaar begint ze een cursus Nederlands. Onze jassen hoog dichtgesnoerd, trekken we erop uit.
Ook nu weer wordt ik getroffen door de relatieve kalmte die in menig Europese hoofdstad heerst, in vergelijking met Italië. Het enige nadeel is misschien de regen, die ons glimlachen doet watertanden. Geen idee of het aan mijn Engels ligt, maar in plaats van zuidwaarts richting Grote Markt volg ik een heel stuk de Boulevard Baudouin, naar het westen. De weg kwijt dus, maar dat geeft een vent nooit helemaal toe. Het lot is me gunstig gezind want als ik na een tijdje aangeef dat het tijd is om linksaf te gaan komen we bij de Vismarkt uit, waar een ijsbaantje en een hele reeks kraampjes er alles aan doen om iets van een kerstsfeer te kweken. Glühwein, pinten, wafels met slagroom en chocolade. Het ziet er heel aanlokkelijk uit, maar we weten ons in te houden. Totdat we in de Rue Sainte-Catherine langs de uitnodigende brasserie "'t Kapiteintje" komen. ,,Dit is België'', fluister ik Lief toe als we binnen zijn. Lange banken langs de muren waarop je schuilgaat achter diepe borden en grote glazen op de tafeltjes ervoor, een bar met minstens tien merken bier, en langs het plafond de kerstversiering, daar iets te lang, daar iets te kort, maar veelkleurig en heerlijk kitsch. Ik krijg een brok in mijn keel, die ik met een Leffe op perfecte temperatuur wegspoel. De ober zingt, deels in het Waals, deels in het Vlaams, en brengt me eenvoudig garnalenkroketten met brood. Het is jaren geleden dat ik die gegeten heb. Het echte watertanden is aangebroken.
Als we na deze pauze uiteindelijk op de Grote Markt aankomen knort mijn maag van tevredenheid, een geluid wat naar de achtergrond verdrongen wordt door de electronische vogelgeluiden die dit adembenemende plein vullen. Het is immers kerst, en daar horen om de een of andere reden electronische vogels bij die in tientallen allumium palen hun nestjes hebben gevonden. Als het donker wordt lichten de palen in allerlei kleuren op en komt er muziek uit. Arme vogels. Vlak bij dit futuristische gebeuren staat in het centrum van de Grand Place "De Kerstboom" van Brussel, traditioneel en zonder teveel poespas groen (de takken) en blauw (de lichtjes) te zijn. En daar weer achter een stal, met echt hooi en echte etalagepoppen. Het doet wat chaotisch aan, en het is allemaal iets teveel van het goede. En het heeft bovendien wat armoedigs. Maar wat je hier ook neerzet, het zal altijd wat armoedig blijven overkomen temidden van de schitterende panden die het plein als een kunstig bewerkte gouden lijst rondom een schilderij omkaderen.











 
Het is goed eten in België. Een tijdje geleden heb ik bij ons een boek voorbij zien komen met de bijzondere titel "Stoemp". Het is van de Belgische kok Albert Verdeyen en gaat dus over eten, en dan met name over de Brusselse stampot, ofwel de stoemp. Een leuk en interessant boek, waarin Verdeyen niet stil blijft staan bij de traditionele recepten. De stijl van eten is veranderd in de afgelopen honderd jaar, dus ook de stoemp heeft zich aangepast aan de hedendaagse smaken. Wat te denken van de Italiaanse "stoemp Fellini"! Het boek verliest desondanks dit zijn "roots" niet, en een aantal bekende Brusselaars doen dus hun favoriete stoemp uit de doeken.
Ik had me dus voorgenomen om, eenmaal in Brussel, ook eens de onvervalste stoemp te proberen. Als ik echter de ene keer de Ballekes à la Marolliene op de kaart zie staan, en de andere keer een stoverij in de Kriek Lambik, lukt het me niet om aan deze culinaire verleidingen te weerstaan. De stoemp blijft dus staan voor een volgende keer, en zo vind ik altijd wel een reden om ooit nog eens terug te kunnen gaan naar een plaats die me bevalt.
Op een avond eten we bij het sfeervolle Volle Gas op de Place Fernand Cocq, waar ook het typisch Belgische waterzooi op de kaart staat. Ik vertel mijn tafelgenotes - alle drie Italiaans - dat in de noordwestelijke hoek van Vlaanderen de waterzooi vroeger nogal eens bereid werd met bisamrat. Noodgedwongen, want er was geen geld voor wat anders, en bovendien schijnt het lekker te zijn. Ongeloof is mijn deel, en om de een of andere reden heeft niemand meer zin in een toetje. Als we buitenkomen regent het. ,,Waterzooi'', denk ik. Bus 71 brengt ons naar De Brouckere en vandaar is het niet ver naar meer naar het hotel.
Beslagen ruiten, de bedompte geur van natte kleren, een waterkoude wind die de paraplu doet overwaaien, laveren om de plassen op het trottoir... The Brussels Blues.


Ik ben de voorbije jaren een paar keer in Amsterdam geweest, maar dankzij de verbouwing van het Stedelijk Museum liep ik de werken van de Cobra-groep steeds mis. In Brussel val ik met mijn neus in de boter, want de Cobra-groep bestaat 60 jaar en ter gelegenheid daarvan is er in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten een speciale tentoonstelling ("Cobra") van Deense, Belgische en Nederlandse kunstenaars. Appel, Corneille, die natuurlijk in de eerste plaats, maar ook het werk van Carl-Henning Pedersen spreekt me aan. Kunst is dikwijls (of altijd?) reaktie, en ik geloof dat het diezelfde Pedersen was die zei: ,,Het wordt tijd dat we die lege vlakken van Mondriaan eens in gaan vullen.''

Ook de permanente collectie van het museum is meer dan de moeite waard. Men begint in de vijftiende eeuw, en daarna wordt je, verdieping na verdieping, eeuw na eeuw, steeds verder de museumkelders en de toekomst doorgeloodst. Het museum leeft, een kleuterklasje zit in de buurt van Fernand Khnopffs "De Kunst / De liefkozingen" op de grond met viltstiften tekeningen te maken, en in de rode zaal luisteren studenten bijna in dezelfde positie ademloos naar het gedreven betoog van hun professor. Achter hem rijzen engelen en gelovigen torenhoog op. We zijn onze kruistocht 's morgens om tien uur begonnen, en rond een uur of vijf blijken we nog één eeuw voor de boeg te hebben. We beginnen enigszins met de tong op onze schoenen rond te lopen, dus we besluiten ook die laatste honderd jaar, net als de stoemp, te laten staan voor de volgende keer.





















's Woensdags regent het niet in Brussel. We trekken er op goed geluk op uit.

Vlakbij ons hotel bevinden zich de botanische tuinen, maar in deze periode van het jaar is er weinig te bewonderen. Ook de serres zijn leeg. De Botanique is nu een cultureel centrum, waar concerten worden georganiseerd en de filmzaal is, op het moment dat wij in Brussel zijn, de zetel van de tiende editie van het Festival Cinéma Mediterranéen. Het complex werd in 1829 ingehuldigd en in de kelders werd ooit de eerste witlof gekweekt. Van die hoogtijdagen is echter weinig meer te merken.
De Rue Royale gaat richting Museumberg. Halverwege komen we langs de Colonne du Congrès, de Congreskolom. Architect Joseph Poelaert, onder wiens leiding dit herdenkingsteken tussen 1850 en 1859 langzaam maar zeker 25 meter de hoogte in werd geboetseerd, schijnt zich te hebben laten inspireren door de Trajanuskolom in Rome.
Een eindje verder zuidwaarts staat de indrukwekkende kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele. De glas-in-lood-ramen zijn als enorme stripboeken en vertellen hun verhalen terwijl de zon zowaar af en toe bijlicht. Bij de ingang hangen wat foto's van de groten der aarde die de kathedraal bezocht hebben, Paus Johannes Paulus II, koning Boudewijn en koningin Fabiola, prins Filip en prinses Mathilde, prins Laurent en prinses Claire. De laatste zes om te trouwen. Met enige tussenpozen, dat zal duidelijk zijn.

Brussel is behalve de stad van het stripverhaal ook en vooral de stad van de "art-nouveau". Er zijn zelfs speciale routes die je langs de hoogtepunten van beide oeuvres voeren. Een paar keer worden we tijdens ons rondje op aangename wijze geconfronteerd met deze specialiteiten van het huis. Vlakbij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten vind je een toonbeeld van de "art-niveau", namelijk het voormalige Old England. Het werd door Paul Saintenoy ontworpen en is sinds zijn bouw in 1899 lange tijd in gebruik geweest als warenhuis. Tegenwoordig is het MIM erin gevestigd, het muziekinstrumentenmuseum. Lief weet me om te praten om eens een uurtje binnen te gaan. Het wordt wat meer want het museum is heel bijzonder. Als bezoeker krijg je koptelefoon en middels een infrarood systeem hoor je bij elk instrument een aantal muziekstukken waarin het een rol speelt. En dan kom je er pas achter wat een rijke muzikale historie dat België wel niet blijkt te hebben. En brokjes uit een ver verleden komen weer boven drijven, muziek die ik ooit op een kermis in Vlaanderen heb gehoord toen ik nog klein was, de televisieserie "Wij, Heren van Zichem", het typische geluid van de mondtrommel. Maar men neemt je ook mee over de Belgische grenzen, Europa in en de wereld over. Je hoeft geen kenner te zijn, maar ook een beetje muziekliefhebber loopt in dit prachtige pand met volle teugen te genieten. Ik kan het van harte aanraden.
Als we buitenkomen schijnt zowaar de zon, en we hebben nog wat tijd over om wat te winkelen, zoals het shoppen vroeger heette. Lief weet vriendin Giusi te strikken, en ik trek er alleen op uit.

Als we donderdags in de trein zitten is m'n bagage twee cd's van Arno Hintjes rijker.

We gaan richting west, naar Brugge, en vandaar zullen we de bus naar Oostburg nemen. Het is de enige manier om met het openbaar vervoer vanuit België naar Zeeuws Vlaanderen te reizen.
We hebben een plaatsje gevonden naast een echtpaar, aan het accent te horen uit de buurt van Leuven of Aarschot. Hij leest Het Laatste Nieuws, vooral de sportpagina's. Zij zit verlegen om een praatje en vertelt dat ze voor controle naar het ziekenhuis in Gent moet. Om half twaalf. Dat komt goed uit, want dan kunnen ze daarna ook gelijk eten in het ziekenhuis. Soep, aardappelen met groente en een stukske vlees, en een toetje voor maar zeven euro. ,,Jao, daor kunt ge zelf toch nie veur koken é meneer.'' Als ze opstaan om op hun bestemming uit te stappen wens ik haar veel succes met de controle.

Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Liefs vakantiestemming gaat er niet onder gebukt. ,,Ach ja, het is in ieder geval geen sneeuw.''

Nog geen vijf minuten later dwarrelen de eerste sneeuwvlokken in het mistroostig langstrekkende polderlandschap naar beneden.





Het kaartje is een van de velen die in Brussel te koop zijn ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958.

Het boek "Stoemp" van Albert Verdeyen is uitgegeven door Lannoo (isbn: 9789020976366).

Op de videoclip zingt Arno Hintjes "Les yeux de ma mère".

Ik was van 1 tot 4 december in de Belgische hoofdstad.

De vogel die de schroeven van de wereld aandraaide (26 november 2008)



Puri
schrijft in haar blog op Hyves over God, over fluisteren en luisteren.

Wie de stem van God wil horen, moet stil kunnen zijn', vertelde een vriend mij.
"Waarom?", vroeg ik hem.
Hij keek me verbaasd aan en alsof dat logisch was zei hij: "Omdat God fluistert."
Mooi zei ik: "Luisteren vult mijn leven"
In mijn reaktie vertel ik haar onder andere dat ik op het ogenblik een boek aan het lezen ben van Murakami, "De opwindvogelkronieken".
Een passage die een ezelsoor oplevert is de dialoog tussen de protagonist Okada Toru en Kanō Creta, een mysterieuze jonge vrouw (het zusje van de al even geheimzinnige Kanō Malta). Hij heeft zojuist haar aanbod afgeslagen om samen met haar naar het Griekse eiland Creta af te reizen, waar ze haar ware identiteit hoopt terug te vinden.

,,Mag ik je wat zeggen'', zegt ze op een extreem kalme manier. ,,Ook jij weet dat dit een gewelddadige wereld is, die ruikt naar bloed. Wie niet buitengewoon sterk is overleeft niet. Tegelijkertijd is het ontzettend belangrijk stil te zijn, met de oren gespitst om het geringste geluid te kunnen horen. Goed nieuws wordt over het algemeen zacht verteld. Denk daaraan, alsjeblieft.''
Ik knikte.
Puri stuurt me een filmpje van You Tube. Het is een fragment van Matthijs van Nieuwkerks "De wereld draait door" uit februari 2007. Tim Krabbé vertelt over Haruki Murakami. Gedreven, gepassioneerd, hartstochtelijk. Een schrijver die zich niet te groot voelt om de loftrompet te steken over een andere schrijver.
Ik ben nog niet zo lang Hyver, maar voor de zoveelste keer verwonder ik me over het labyrint van straatjes die het medium aan me openbaart. Voor mij dikwijls onbekende streegjes waarin nu eens de ene, dan weer eens de andere Hyve-vriend wel bekend is en graag voor gids speelt. Zoals ik graag doe met de voor mij bekende adresjes. Virtuele vriendschappen (noem je ze zo?), ook op het VK-blog, die mijn reële horizon verbreden.

 
Het is een koud weekeind geweest. Vrijdagmiddag blies een Hollands aandoende gure wind de hemel azuurblauw, met in haar kielzog een polair aandoende kou die zodoende in de nacht vrij spel kreeg. Men had aanvankelijk sneeuw voorspelt maar zowel op zaterdag als op zondag laat zich geen wolkje zien. Trento beleeft haar eerste weekeind met de kerstmarkt. De stad is vol met in dikke sjaals gedraaide wandelaars die van het mooie weer profoteren en een rondje langs de, mij persoonlijk altijd ietwat triest, kunstmatig en consumptiegeil aandoende kraampjes op Piazza Fiera te maken. De eerste files op de A22 voor een dagje Mercato di Natale in Trento zijn een feit. Ik weet dat er tot aan de kerst nog velen zullen volgen.
Als om zes uur maandagmorgen de wekker afloopt weet ik onmiddellijk dat het gesneeuwd heeft. Het buitendonker dat vanuit de keuken de slaapkamerdeur bereikt heeft een andere kleur. Het is minder intens, lichter, heeft een gele ondertoon. Ik luister aandachtig, slalommend tussen de regelmatige ademhalingen van Lief en de honden. De normale buitengeluiden zijn verstomd, of hoogstens gedempt hoorbaar. Als vanonder het dikke donzen bekbed waarvan ik de warmte tussen nu en een paar minuten moet ruilen voor de kou die tijdens de nacht bezit heeft genomen van ons huis en straks het kippevel op mijn armen en benen zal doen verschijnen.
Mijn wereld draait op dit tijdstip nog heel langzaam De repeteer-functie van mijn wekker telt de minuten veel sneller dan ik ze tel. Een druk op de knop, diep ademhalen en m'n blote voeten maken contact met het koude parket. Hmpff.
In de keuken knip ik het buitenlicht aan en loop nog ietwat slaapdronken naar het venster. Daar waar een aantal maanden geleden de blogfee haar opwachting maakte rust nu een egaal wit tapijt. Nog niemand heeft zijn sporen achtergelaten op die, onder de sterren van het laatse nachtlicht glinsterende stille witte wereld.

Een uur later sta ik bij de bushalte. De normale groep schoolgangers heeft zoals altijd de beste plek onder de overkapping ingenomen. De overige wachtende passagiers zoeken kleumend onder een verscheidenheid aan paraplu's bescherming tegen de inmiddels weer gestaag neerwaarts dwarrelende sneeuwvlokken. Nog eens een uur later sta ik nog steeds bij de bushalte. In die tijdspanne hadden normaal gesproken elf bussen moeten passeren, maar het is overduidelijk dat de provinciale openbare vervoersonderneming Trentino Trasporti zich heeft laten verrassen door de ongebruikelijke, maar desondanks toch aangekondigde vroege entree van Koning Winter. Slechts twee bussen komen voorbij. Maar die zijn zo overvol dat de chauffeurs niet eens de moeite nemen om bij onze halte te stoppen. Ik wacht nog een kwartiertje, maar dan houd ik het voor gezien en ga terug naar huis.
De honden zijn blij verrast me nu al terug te zien, maar na een korte uiting van deze blijdschap stoppen ze al snel hun rondjes om mijn verkleumde benen en zoeken ze hun mand weer op. Ze zijn niet in het bezit van een bordje "niet storen", hebben dat ook niet nodig. De manier waarop ze zich behaaglijk opkrullen en met een diepe zucht de ogen sluiten zegt genoeg.

Ik bel naar m'n werk dat het wat later wordt vandaag, waarna ook ik me opkrul op de bank. De voeten warm onder m'n achterwerk pak ik m'n boek en laat me voor een uurtje door Haruki Murakami meevoeren naar een wereld, warvan de schroeven door een vogel worden aangedraaid. Zo luidt de titel van het boek in het Italiaans, "L'uccello che girava le viti del mondo", de vogel die de schroeven van de wereld aandraaide. En buiten heerst nog steeds een bijna vredig aandoende stilte.













Aan het eind van het liedje heb ik me toch nog redelijk nuttig weten te maken voor m'n baas. De maandag gaat snel voorbij en voor ik er erg in heb is het alweer tijd om naar huis te gaan. De bus arriveert precies zeven minuten later dan dat er op het dienstrooster aangegeven staat. Maar dat is normaal en wordt door ons, wachtend bij de bushalte niet meer als een vertraging gezien.
Terug thuis het rondje met de honden. Halverwege de ochtend is het opgehouden met sneeuwen, maar de vrieskou is gebleven. De vriendelijk zachtdonzen stem van de verse sneeuw van vanmorgen is veranderd en kraakt als een bejaarde op het onregelmatige ritme van mijn onzekere tred. Het vredige is verworden tot een dun laagje schijn, waaronder het gevaarlijk glad is op sommige plaatsen. Maar ik blijf op de been, en mijmerend volg ik Cicia en Oronzo die her en der hun profile pimpen en een blog plaatsen op de nog zo goed als onbeschreven website van de winter van 2008. Mijn adem schildert wolkjes in de koude avondlucht.
  Thuis is het aangenaam warm. De kuil in de kussens op de bank is dezelfde als vanmorgen, uitnodigend. Het boek is hetzelfde als vanmorgen, en net als vanmorgen verlies ik mezelf, verdwaal, verdwijn, in de eindeloze doolhof die Kuramaki in zijn "Opwindvogelkronieken" creëert.
Tim Krabbé vertelde aan Matthijs van Nieuwkerk dat de Japanse "meester" geen vooraf uitgestippelde route volgt, maar gewoon schrijft wat er op het moment in hem opkomt. Het lijkt me stug, maar ik kan me toch ook niet van de indruk onttrekken dat er iets van waar is. Hij gebruikt bepaalde personen om een bepaald verwachtingspatroon op te bouwen, ze krijgen zelfs gedurende enige honderden bladzijden een hoofdrol maar verdwijnen daarna bijna volledig uit het verhaal. Voor de sensuele zussen Kanō is zo'n rol weggelegd, en zo ook voor een muzikant die bijna uit het niets verschijnt en weer net zo gemakkelijk in datzelfde niets verdwijnt. Ze dragen echter allemaal op de een of andere manier een steentje bij aan de oplossing van de zoektocht Okada Toru naar zijn vrouw Kumiko. Zij verdwijnt van het ene moment op het andere uit het leven van Toru. Net zoals hun kat, met wiens verdwijning de schrijver aan het begin van deze 832 bladzijden tellende roman het pad voor zijn lezers effent. De kat luistert naar de bijzondere naam Wataya Noboru, genoemd naar de broer van Kumiko die, zonder dat Toru het wil, een ontzettend grote invloed op het leven van het echtpaar heeft. De sleutel van Okada Toru's zoektocht blijkt te liggen op de bodem van een oude, inmiddels drooggevallen waterput in de achtertuin van een huis waarvan de bewoners elke keer op de meest vreemde manier om het leven zijn gekomen. Een sleutel die leidt naar de geheimzinnige, immer duistere suite 208 van een immens hotel. Toru vindt er in de stilte en het donker min of meer een antwoord op al zijn vragen.
Wie van de films van David Lynch houdt, zal ook "De opwindvogelkronieken" kunnen waarderen. Het is op sommige momenten of je in een van de films van de exentrieke regisseur terecht bent gekomen. De films van Lynch zijn moeilijk te omschrijven. Het is vooral de sfeer die opgewekt wordt die je gemakkelijk twee uur of meer aan je stoel gekluisterd houdt, zonder dat er echt iets gebeurt. En zo is het ook met dit boek van Murakami. Niets is logisch. Verleden, droom, werkelijkheid, heden, het loopt op een waanzinnige manier door elkaar. En terwijl de grenzen vervagen wordt het steeds moeilijker om je uit het boek los te rukken.
Hoe moet je het noemen? Magie, denk ik, betovering.

Als ik pas een boek uit heb valt het me moeilijk om onmiddellijk in een ander te beginnen. Het moet even bezakken. Dus als ik naar bed ga draaien de vogels van Murakami de schroeven van mijn wereld nog geruime tijd aan. In het donker geniet ik na van de geniale invallen die hij heeft, en de pareltjes van herkenning die ik desondanks een immens cultuurverschil heb kunnen voelen. Iedereen die als kind zonder broertjes of zusjes opgroeid is heeft schijnbaar toch iets gemeen. Japanner of Nederlander, het maakt niets uit. En de waanzin van de oorlog wordt overal ter wereld op eenzelfde manier gevoeld. Murakami schildert een tragische scène in een Chinese dierentuin op het eind van de tweede wereldoorlog, die alle "horror" op een  bloedstollende manier samenvat.
Als om zes uur de wekker afloopt, merk ik dat het donker anders is dan gisteren. In de verte hoor ik hoe het geluid van een goederentrein weerkaatst wordt door de bergen. De kerkklok in het dorp slaat de laatste van zes slagen. Een hond blaft. Ik hoef niet op te staan om te weten dat het vannacht niet gesneeuwd heeft, en blijf nog een paar minuten liggen. Mijn wereld draait nog heel langzaam op dit tijdstip.

Hieronder het interview van Matthijs van Nieuwkerk met Tim Krabbé.




Foto Haruki Murakami: Sutton-Hibbert/Rex Features.

woensdag 2 februari 2011

Ik wil gewoon een boekenwinkel binnenstappen en een boek uitkiezen... (16 oktober 2008)


Al een tijdje prijkt Roberto Saviano op mijn pagina, een held.
En niet alleen die van mij. Een groot deel van Italië sympathiseert met de 29-jarige journalist-schrijver, die sinds 2 jaar genoodzaakt is door het leven te gaan met een escorte van inmiddels 7 caribinieri. Op zijn hoofd staat namelijk een prijs.

Alles begint op vier jaar geleden, op 4 oktober 2004. Roberto Saviano is al een tijdje journalist, schrijft voor enkele Italiaanse en buitenlandse kranten en tijdschriften. Voor zijn werk verdwijnt hij soms dagenlang uit de roulatie, dringt door tot in de meest duistere hoeken en gaten van Napels en de omliggende Campania. Daar waar de camorra regeert. Hij neemt waar, wordt geconfronteerd met het "systeem", zoals de militair georganiseerde misdaadbeweging inmiddels wordt genoemd. Een systeem dat niets biedt, maar slechts neemt. Een systeem dat een kankergezwel is, dat zich tot in elke hoek van Italië uitzaait, en over de grenzen. De mensen zien de camorra nog vaak als de "romantische" maffiafamilies uit vervlogen tijden, strijdend om de macht in een beperkt gebied. Bloedbroeders, een afgesneden paardehoofd in een bed als waarschuwing, een enkele gewapende afrekening, al dan niet eindigend in een bad van vers gestort cement.
Niets is echter minder waar. De camorra kent geen onderscheid, wie in de weg staat wordt opgeruimd.
De clans kennen geen limieten: drugs, vervalste merken, winkels, wapens, afval, mensen, geld, cement...
Het systeem kent geen grenzen, Napels, Milaan, Spanje, New York, Venezuela, Mexico, Duitsland, Schotland, Amsterdam...
Saviano neemt waar en schrijft zijn stukjes, tot dan toe vrij anoniem. Artikelen die door de bazen van de camorra gedoogd worden.

Op 4 oktober 2004 slaat Francesco Iacomino de huisdeur achter zich dicht en gaat werken. Francesco werkt in de bouw, zoals velen doen. En zwart, wat vaker voorkomt dan een officiële, geregistreerde baan in Napels en omgeving.
Een paar uur later ontvangt zijn vader een telefoontje van de politie: zijn zoon is dood. Hij is gevonden voor het gebouw in Ercolano (Napoli) waar Francesco sloopwerkzaamheden verrichtte. Gewoon midden op straat, op het kruispunt van de Via Quattro Orologi en Via Gabriele D'Annunzi, daar achtergelaten door zijn collega's die in geen velden of wegen te bekennen zijn. Gevlucht, zonder politie of ambulance te bellen. Gevlucht, een kreperende collega in het stof achterlatend, die sterft, 33 jaar oud, bijna anoniem.
Het is de druppel die de emmer voor journalist Saviano doet overlopen. Een immense woede maakt zich van hem meester. Hij heeft geen bewijzen die bruikbaar zijn in processen, maar hij weet wat hij weet. Hij kent de waarheid en die smijt hij op papier. Geen artikel, maar een boek. De waarheid, alles wat hij weet (alles wat iedereen weet!), woord voor woord, naam voor naam. Het uiteindelijke resultaat is "Gomorra", een indrukwekkend "ooggetuigenverslag" van 331 bladzijden, wat twee jaar later, in 2006, in de vorm van een roman in de winkels ligt.
Er wordt in het "systeem" minderwaardig op het boek gereageerd. De hoofdrolspelers sturen hem laconiek hun versie van de feiten en schaamteloos worden "vergeten" acties uit de doeken gedaan. "Gomorra" wordt zelfs vervalst op de markt gebracht. Wie is die Saviano nou? Een breekbaar riddertje dat het op een houten hobbelpaard, gewapend met een plastic speelgoedzwaard, tegen de draak op wil nemen. Een Don Quichotte van de 21e eeuw.
Maar de clans vergissen zich, want de dwerg wijkt niet voor de reus. Zijn boek wordt ook buiten Campania bekend en in twee jaar tijd gaan er in Italië 1,2 miljoen kopieën over de toonbank. Een ongekend aantal. Het nieuws sijpelt ook over de grenzen door en inmiddels is "Gomorra", vertaald in 15 talen, in de boekenwinkels in 32 landen te koop. De verfilming is gelauwerd in Cannes en is nu in de race voor een Oscar als beste buitenlandse film. De bazen vermaken zich al lang niet meer om hun Don Quichotte. Saviano heeft ze in de schijnwerpers gezet, en dat is nou net hetgene wat zij niet willen.

De schrijver-journalist betaalt een zware prijs: vanaf eind 2006 wordt hij 24 uur per dag begeleid door een politie-escorte. Hij leeft zo goed als ondergedoken, moet om veiligheidsredenen regelmatig verhuizen, zijn verschijningen in het openbaar (interviews, lezingen) worden pas op het laatste moment bekend gemaakt. Want de bedreigingen keren regelmatig terug, en zijn heel serieus.
Eerder deze week werd bekend dat de Casalesi - de invloedrijkste clan en de grootste vijand van Saviano - heel ver zijn in de voorbereidingen van een moordaanslag op Roberto Saviano. Voor de kerst zou hij omgebracht moeten worden, en het wordt als bijzaak gezien dat daarbij ook eventueel leden van zijn 7 man sterke politie-escorte om het leven zouden komen.

En de politiek roert zich, lijkt in dit geval zelfs eensgezind. Uitzonderlijk, want eengezindheid en verantwoordelijkheid zijn veel gebruikte, maar schaars in de praktijk gebrachte termen in dit land.  Niet alleen de camorra en de maffia ondermijnen Italië.

Roberto Saviano zelf komt na het nieuws met een verklaring die iedereen verrast. ,,Ik ga weg uit Italië'', laat hij weten. Het lijkt geen beslissing te zijn die voortkomt uit angst voor de dreigementen. Als geen ander zal hij weten dat, als erop aankomt, hij nergens veilig is. Niet in Italië, en niet in het buitenland. Uit zijn woorden blijkt dat het vooral een daad van zelfbescherming is. ,,Ik merk dat ik zelf in deze twee jaar veranderd ben. Ik ben geen aangenaam persoon meer, ik wantrouw alles en iedereen, ben steeds op m'n hoede.''
Twee jaar isolatie hebben van Saviano een eenzame persoon gemaakt. Verbitterd ook. Het stoort hem overduidelijk dat hij min of meer genoodzaakt is in een "kooi" te leven omdat hij de waarheid heeft geschreven. De misdadigers leven een stuk geriefelijker. Van zijn "vrienden" zijn er weinig overgebleven. Een deel daarvan omdat ze het de schrijver kwalijk nemen om wat hij heeft gedaan. Omdat hij zich verrijkt heeft met hun geschiedenis, met hun verhalen, zoals sommigen beweren. Omdat hij de aandacht van de wereld op de Campania gericht heeft.
Op het eerste zicht lijkt het erop dat ook Saviano's Napels en Campania hem laten vallen. Op muren in de provincie zijn ruw geschilderde spreuken verschenen: "Saviano merda". Ook in Casal di Principe, waar een gewapend commando van de clan tien dagen geleden, practisch onder de ogen van het gemobiliseerde leger, een afrekening vereffende met een "verrader". En niemand heeft iets gezien of gehoord. Voor de televisiecamera's tonen sommigen zich zelfs onwetend over de moord.
Men is bang. Er heerst angst. Een angst die bijna tastbaar is in de stilte en de ontkenning.

Het is wellicht die angst die zich nu tegen Saviano keert. Niet zijn vrees, maar die van de anderen die zich uit in vijandigheid in het ergste geval, of op zijn minst in desinteresse.
Roberto Saviano doet er goed aan die angst de rug toe te keren en een pauze in te lassen. ,,Ik wil mijn leven terug'', zoals hijzelf zegt. Geen vlucht dus, maar een terugkeer. Weg van de angst die alles verlamt. Terug naar de relatieve rust, de stabiliteit die voor hij nodig heeft om weer datgene te kunnen doen waar hij goed in is. ,,Ik wil me weer kunnen bewegen in de anonimiteit, onderzoeken, en schrijven, schrijven.''
En tijd voor zichzelf. ,,Gewoon, een leven. Een huis. Ik wil met vrienden in het openbaar een pilsje kunnen drinken zonder over mezelf te moeten praten, gewoon een boekenwinkel binnenstappen en een boek uitkiezen aan de hand van wat ik lees op de omslag, verliefd kunnen worden. In ben verdomme nog maar 29 jaar.''

De link naar Roberto Saviano's homepage vind je hier.

zaterdag 29 januari 2011

Sporen in Puglia (4): Kafka op het strand (7 september 2008)

 We zijn er! We zijn er! Het strand, het strand, het strand...
Kleine landbouwpercelen. Mais die net op begint te komen, granturco heet dat hier. Wat rijen tomaten, gewoon op de grond, ze mogen best een beetje zanderig zijn. Daar tussendoor een zandpad tot aan de duinen. Honderd meter, misschien iets meer. Achter ons een stoffige zandwolk als in een western. Alleen de muziek van Ennio Morricone ontbreekt. In de schaduw van een boompje zit een jongetje van een jaar of tien op een witte plastic stoel. Hij schrijft ons kenteken op een briefje dat onder de ruitenwisser gaat. Vier euro. Voor dat bedrag staat onze auto de hele dag op de parkeerplaats in de schaduw. Geen asfalt, maar zand en kiezelsteentjes.

De "bagno" is spartaans en biedt het essentiële. Er is wat te drinken en te eten, in het weekeind en in het hoogseizoen is er 's middags ook vis en inktvis van de grill. Een grote houten overkapping, daaronder in de schaduw tafeltjes en stoeltjes. Het is een hele familie die alles hier draaiend houdt, la mamma, zoontjes, dochters, neefjes, nichtjes en wie weet wie nog meer. Een van de dochters studeert economie en brengt een deel van de dag met haar donkerblonde krullen boven het toetsenbord van een laptop door. De andere dochter doet economie en je vindt haar altijd vriendelijk lachend en babbelend achter de bar, in de keuken, op het strand, overal waar je net iemand nodig hebt.
Op een morgen staat ze al bij ons nog voordat we een parasol hebben kunnen vragen. ,,Er is arbeidsinspectie'', fluistert ze, met een scheef oog richting twee heren aan een tafeltje. ,,Zogauw ze weg zijn is alles weer normaal.'' Een uurtje later rijdt een auto het parkeerterrein af. In de verte komt Beppino onze richting opsjokken. Onder zijn arm draagt hij onze parasol.
De eenvoud van het strandpaviljoen trekt een bepaald publiek. Krantenlezers, "Repubblica", "Unità", "Manifesto", een enkele "Stampa", zonder uitzondering links getinte dagbladen. Een links strand, dat zie je aan de bezoekers, aan hun kleren, aan de minimale bagage die er meegenomen wordt, aan de afwezigheid van accessoires die lawaai maken. Ergens anders is het misschien moeilijk voor te stellen, maar in Italië zijn er dus linkse en rechtse stranden. Een territorium dat verdedigd wordt als het nodig is. Een aantal jaren geleden kwam een motorboot ons territorium binnengevaren en ging ten anker vlak bij het strand. De radio bonkte zijn bassen tot tegen de duinen, de opvarenden keken dikbuikend en patserig naar de kinderen die zojuist nog fijn aan het zwemmen waren, daar waar de ankerketting nu strak het water in sneed. De strijd was kort maar hevig, begon met het opheffen van enige worstige middelvingers en eindigde met een motorboot die onder een regen van stenen op de vlucht ging. Daar tussendoor werd bijna iemand verdronken.

De zee lijkt echter rechts te volgen en net als in de Italiaanse politiek moet links op ons strand een pas achteruit doen. Elke keer als we hier voor een vakantie terugkomen vinden we het strand wat smaller terug als de keer daarvoor. Het is een probleem wat de gehele Pugliese kust treft, zo lees ik in de krant. Ik sla geen kolom over als ik vakantie heb. De uren kruipen voort, de zon brandt, en na een tijdje knisperen de bladzijden bij het omslaan. De nietjes doen hun werk. En mijn rug wordt rood, ondanks factor 30.
Ik zoek wat verkoeling in het water, de tweede keer vandaag. Mijn eerste duik is over het algemeen meteen als we aankomen, 's morgens vroeg, als de zee op z'n mooist is. Als een spiegel, helder, verfrissend. Als je maar niet achter je kijkt, want dan blijkt je kielzog soms uit een spoor van vreemde luchtbelletjes te bestaan. Wie weet wat voor rotzooi er allemaal in het water zit.
Op het strand blaft een zwarte hond naar zijn baas. Terwijl hij het water met het hoofd schuin uit z'n oren laat lopen verontschuldigt de man zich. ,,Ik heb hem hier vorig jaar achter de duinen gevonden. Hij wil bij me in de buurt blijven maar durft zelf het water niet in.'' Dus zoekt het baasje z'n handdoek maar weer op. Zijn viervoeter heeft het beter getroffen dan vele anderen. Hij legt zijn kop gerust terug op het zand, doet een tukje in de schaduw van een rij strandstoelen die in een keurig kleurig gelid op bezitters te wachten. Want wat is nou een strandstoel zonder bezeten te worden? Maar ze moeten nog een tijdje wachten, het hoofdseizoen is nog niet begonnen en het is nog rustig op het strand. Je kunt de mensen nog van elkaar onderscheiden.



Een vader en zijn zoontje baden pootje. Een zeilbootje aan een touwtje kiest, voorzichtig laverend tussen blanke scheenbeentjes en kuiten door, het ruime sop. Als je de kleuren wegdenkt zou het een tafereeltje uit de jaren vijftig of zestig kunnen zijn. Twee bipsen komen voorbij, brengen vrolijk wippend de kleuren en de 21e eeuw terug. De kwekkende bezitsters dragen achteloos, maar met trots. Het palestra waar je fitness doet is populair in Italië. Een venter probeert ondertussen zijn waar aan de man te brengen.
 
 
Op het stukje strand vlak voor de "bagno" wordt het intussen wat drukker. Het zonnetje klimt aan de einder, en wat crème boven de wenkbrauwen moet voorkomen dat vanavond de vellen over de ogen vallen. De twee zussen uit Bari zijn er ook weer, met de kinderen en de hondjes. ,,Waar zaten we ook weer gisteren?'' ,,Daar!''



Het sap van een perzik loopt langs mijn onderarm naar beneden, richting elleboog. Ik heb het likken opgegeven, want dat is vechten tegen de bierkaai. Vanachter de rijpe vrucht kijk ik naar de zee, de horizon, de lucht. Een schakering van kleuren en tinten blauw, groen en zelfs roze die continu verandert. Ik moet aan de foto 5420 van de Duitse fotograaf Jörg Sasse denken.




Als ik na de vakantie de bewuste foto opzoek moet ik echter toegeven dat mijn werkelijkheid van dat moment weinig van doen heeft met Sasse's plaat.



5420 - Jörg Sasse


Ik heb inmiddels mijn krantje uit en sla mijn boek open waar een ansichtkaart aangeeft waar ik gebleven was. Een halve bladzijde later zie ik vanuit mijn ooghoeken dat twee gitzwarte onderbenen hun wandeling door het rulle zand gestopt zijn ter hoogte van ons plekje. Ik kijk op. Vanonder een Valentino Rossi-pet (althans, er staat nummer 46 op) kijkt een Senegalees me geïnteresseerd aan. ,,Wat lees je'', vraagt hij.
Dat had ik niet verwacht en met enige moeite verbouw ik mijn reeds op de lippen liggende "nee, bedankt" tot een stotterend ''uh... Ka.. Kafka... Kafka op het strand". Het is een titel die hem niets zegt, en hij oppert dat het dan wel een boek zal zijn over Kafka en niet van Kafka.
,,Nou nee, ook dat niet'', zeg ik. Hij kijkt me aan of ik hem voor de gek zit te houden. ,,Maar je bedoelt Kafka'', houdt hij vol, ,, de schrijver, de filosoof, begin 1900.'' En zo komen we aan de praat.
De man heet Azou, komt inderdaad uit Senegal. Dakar, om precies te zijn, waar hij 30 jaar onderwijzer is geweest. Nu is hij met pensioen. Pas als hij dit laatste zegt merk ik dat er wat grijze haren vanonder zijn pet uitsteken. Voor de rest verraadt werkelijk niets zijn gevorderde leeftijd. Pensioen voor iemand die dertig jaar voor de klas heeft gestaan betekent in Senegal een maandelijkse bijdrage van omgerekend net honderd euro. ,,Dat is ook bij ons niet genoeg om een familie van te kunnen onderhouden'', vertelt Azou. En daarom probeert hij nu elke dag op het strand in Puglia wat te slijten. Een kilometer of tien legt hij af, onder de zon, van badgast naar badgast die steeds minder belangstelling voor de koopwaar schijnen te hebben. Het is een teken dat het slecht gaat in Italië. ,,Het is beter om terug te gaan naar Afrika'', zegt hij. Hij heeft navraag gedaan en weet dat de Italiaanse regering hulp biedt aan Senegal middels een project dat "Community Aid 2" heet. De hulp bestaat niet uit geld, maar uit machines, advies, enzovoorts voor Senegalezen die terug gaan naar hun land om daar middels een eigen bedrijfje een nieuwe toekomst op te bouwen. Hij zou graag een tipografie beginnen. Om net dat beetje meer te hebben om zijn familie te kunnen onderhouden ,,en om andere Senegalezen te helpen.''
We bieden hem wat fruit aan, en Azou accepteert het met een van de mooiste en warmste glimlachen die ik ooit gezien heb. ,,Weet je, dit heeft veel meer waarde dan dat je iets van me koopt voor een paar euro. Dit is iets wat jullie met me delen, dit is jullie eten.''
Azou komt later tijdens onze vakantie nog een paar keer langs. Groet ons altijd, zijn mooie witte tanden bloot lachend. ,,Ciao amici.'' Een van zijn levensinstellingen is dat de sporen die je achterlaat altijd iets moois moeten zijn, positief.
Op een dag komt hij ons vertellen dat hij gebeld is door zijn vrouw, vanuit Senegal. De envelop is aangekomen. Zijn project is goedgekeurd, de eerste stap is gezet. Azou is gelukkig, en wij zijn blij voor hem.
Azou gaat verder. Ik pak mijn boek terug op...


"Kafka op het strand" doet me heel in de verte denken aan "De Meester en Margarita", de klassieker van de Rus Michail Boelgakov waarin Satan een bezoek aan Moskou brengt. Niet om het verhaal, maar om het bovennatuurlijke dat feilloos in de realiteit overgaat en vice versa.
In de roman van Murakami Haruki loopt de 15-jarige Kafka Tamura, zoon van een beroemd kunstenaar, weg van huis in Tokyo. Hij kan niet met zijn vader overweg, en zijn moeder heeft niets meer van zich laten horen sinds ze vertrok toen Kafka vier jaar oud was. Kafka is overigens niet zijn echte naam, maar het is de naam door hemzelf gekozen, het is de naam die hem bevalt. Hij komt in Takamatsu terecht, in het zuiden van Japan, waar hij gedurende een aantal uren zijn geheugen verliest. Een zwart gat, waarin iets onheilspellends gebeurd moet zijn. Kafka probeert in de anonimiteit te verdwijnen door een baantje bij een bibliotheek te accepteren.
Parallel aan het verhaal van de jongen vertelt Murakami het verhaal van de oude Nakata, een zonderling figuur Hij heeft een vreemd ongeluk gehad toen hij nog klein was. Hij komt uit dezelfde wijk in Tokyo als Kafka, waar hij met katten comuniceert. Deze bijzondere kwaliteit brengt hem in de problemen, hij pleegt een moord en moet vluchten. Ook hij kiest het zuiden, Takamatsu, en onderweg begint hij te begrijpen dat zijn reis een doel heeft. Maar wat voor doel, dat weet hij niet.
Zoals gezegd, het is een roman waarin werkelijkheid en "de andere kant", verleden en heden feilloos in elkaar overlopen. De twee hoofdpersonen zijn bijzonder interessant, en ze worden in de marge bijgestaan door een groep personages die op z'n minst schilderachtig genoemd kunnen worden. Ik noem er één: Johnny Walker.
De Italiaanse vertaling is meesterlijk.
Tot nu toe de beste roman die ik dit jaar gelezen heb.





Zo rond een uur of zes lijkt de aarde langzamer te gaan draaien. De zee wordt vlak, de geluiden lijken verder af. Het licht is minder hard en de kleuren winnen aan intensiteit. Onze schaduwen worden langer. Ik sla mijn boek dicht.
We pakken onze spullen in en nog even verlengen we ons uitzicht op dit schitterende schouwspel vanachter een pilsje bij het strandpaviljoen.



Daarna met de auto het zandpad af, rustig, maar het is niet te voorkomen dat een zandwolk ons volgt als een ridder in galop. Als in een western...
,,I'm a poor lonesome cowboy.'' Morgen begint alles van voor af aan.