Posts tonen met het label honden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label honden. Alle posts tonen

dinsdag 22 februari 2011

Hondenleven (13 december 2010)

Op zoek naar en wachtend op een nieuwe baan vul ik mijn tijd intussen met huisman te zijn. Een zwaar onderbetaald werk, dat nooit ophoudt.

Tijdens het laatste rondje voor het slapen gaan heeft een van onze honden, Cicia, zich gisteravond geprikt aan een rozestruik. Ik had er niets van gemerkt, maar vanmorgen plakte er een spoortje geronnen bloed op haar linker oor. Even schoonmaken met een wattendoekje en lauw water, en ontsmetten natuurlijk. Onze bejaarde dame ondergaat het alsof ze vreselijk gestraft wordt. Staart tussen de poten, oren in de nek, wat het er niet gemakkelijker op maakt. Onze andere viervoeter, Oronzo, is tijdens dergelijke operaties in geen velden of wegen te zien. Af en toe verschijnt zijn kop even wantrouwig vanachter de bank om te kijken of het leed al geleden is.
Ook wat kleine spikkeltjes bloed op een paar plavuizen. Daar zal ik me na het rondje met Cicia en Oronzo over het dorp aan wijden.

Wat kleine spikkeltjes bloed op een paar plavuizen. Hé, voor de voordeur een vage afdruk van een schoen. De mijne. Voeten vegen, Ron! In de keuken ontdek ik wat kruimels die Oronzo over het hoofd heeft gezien. En voor ik het weet ben ik dus het hele appartement aan het dweilen. Dit, na eerst goed gestofzuigd te hebben natuurlijk.
De honden houden er niet van als er gestofzuigd en gedweild wordt. Verstoord kijken ze me vanuit hun mand aan terwijl ik met het zweet op het voorhoofd aan het zwoegen ben. Vooral Oronzo is een meester in het tot uitdrukking brengen van zijn hondegedachten. Of ik dat niet een andere keer kan doen? Of ik niet zie dat hij en Cicia het op het ogenblik heel druk hebben met het verantwoord uitbuiken na het zojuist genoten (en door mij geprepareerde) ontbijt?



Buiten schijnt de zon. Een aangename 15 graden wijst de thermometer op het balkon aan. De krant ligt nog opgevouwen op de keukentafel, ik ben er nog niet aan toegekomen. De dweil verdwijnt in het sop. Wat zou nu precies de betekenis zijn van "een hondenleven leiden", vraag ik me af terwijl ik hem uitwring.

woensdag 16 februari 2011

Ontbijten met Oronzo en Paolo Nutini (31 januari 2010)

Heel voorzichtig worden de dagen ietsjes langer. Vooral 's avonds zie je het duidelijk.
's Morgens wat minder. Als ik om zes uur opsta is het donker zoals het in december om zes uur donker was. Onderweg van de slaapkamer naar de badkamer passeer ik de honden. Genoeglijk rekken ze zich even uit, draaien zich op hun andere zij en doen nog even de ogen dicht. Wakker worden moet je op je gemak doen.
En ik ontbijt, alleen. De programmering van Radio 3 is veranderd, en het muziekprogramma 'Il terzo anello' is er niet meer tussen zes en zeven. In plaats daarvan praat men over het wereldnieuws. Interessant, dat zeker, maar niet altijd bevorderlijk voor je eetlust. Haïti is nog steeds wereldnieuws, maar na twee weken is het in de Italiaanse kranten al zoeken met een vergrootglas naar een paar regels over de laatste stand van zaken. We hebben even gehuiverd bij de beelden, we hebben op wikipedia gekeken waar Haïti ligt en wat er zich normaal gesproken afspeelt in het land (mijn God, die waren er zelfs vòòr de aardbeving al beroerd aan toe!!!), we hebben ons geweten gesust met een financiële bijdrage, maar we moeten verder. De wereld draait door, en we kunnen nu niet blijven, we kunnen nu niet langer blijven staan.

In het weekeind is het licht als ik ontbijt, samen met Lief. En de honden zijn wakker. Hoewel hij weet dat ik hem tijdens het eten nooit iets toeschuif, neemt Oronzo een strategische positie in. Naast mijn stoel. Je weet immers nooit of er een paar kruimels op de grond belanden.


Zaterdag is het boodschappendag. Bij de supermarkt verkopen ze ook plantjes, en een paar weken geleden heb ik een potje met wat tulpenbollen meegenomen. De tulpen zijn inmiddels al bijna uitgebloeid, maar hun kleuren kondigen nog fier en vlammend het voorjaar aan.


Morgen is het maandag, en donker als ik mijn krentenboterham met boter besmeer. En het voorjaar is weer een dag dichterbij.


 


Alhoewel zijn naam anders doet vermoeden zijn Paolo Giovanni Nutini's ouders allebei Schots. Zijn overgrootvader werd echter, vier generaties terug, in Barga, in de Italiaanse provincie Lucca, geboren en hiermee is de achternaam van de singer-songwriter uit Pailey verklaard.
Paolo Nutini (geboren op 9 januari 1987) debuteerde in 2006 met het album 'These Streets' bij Atlantic Records en behaalde een derde plaats in de hitlijsten. De single 'Last request' was de best verkopende single van het album.
Zijn tweede album, 'Sunny Side Up' kwam in mei 2009 meteen op nummer 1 de Britse hitlijst binnen.

Het nummer 'January' werd door Paolo Nutini verschillende keren live uitgevoerd, maar is tot nu toe nog niet op cd verschenen.

Bron: Wikipedia.

zaterdag 29 januari 2011

Sporen in Puglia (2): bau (31 juli 2008)

De Nederlandse hond zegt "waf", of als het een grote is "woef". In Duitsland spreken de viervoeters (der Hund) hun omgeving aan met "wuff" of "wau". Als de Franse hond (le chien) zich laat horen hoor je "ouah" of "ouaf". In Engeland (the dog) gaat het eenvoudig "woof", terwijl de Spaanse hond (il perro) een temperamentvol "guau-guau" voortbrengt. Ieder land laat zijn hond in de eigen volkstaal blaffen. In Italië zegt de gemiddelde hond (il cane) die je op straat tegenkomt "bau, bau". Mits het geen toerist is. Wij hebben twee honden, Cicia en Oronzo. Zij blaffen "waf, waf" en "bau, bau", want we hebben ze tweetalig opgevoed.

 

Cicia (de donkere op de foto) en Oronzo (de lichte) hebben een echt hondeleven, in de positieve zin van het woord. Ze hadden het een stuk slechter kunnen treffen, want het zijn allebei vondelingen. En we hebben ze hier gevonden, op het terrein rond het huis, in Selva di Fasano.
Cicia is een kruising van van alles en nog wat, maar de kenmerken van een herder hebben de overhand hebben. Ze lag tien jaar geleden met haar pups in de schaduw van de muur die de tuin van de straat scheidt toen Lief (die ik toen nog niet kende) hier op vakantie kwam. Bijna alle hondjes waren al dood, slecht eentje vertoonde nog iets van leven of wat daarvan over was. De pup werd naar Don Angelo gebracht, Cicia bleef bij Lief en haar zus. Ze was ongeveer een jaar oud en broodmager, wat haar haar naam bezorgde. Cicia, dikzak. Zo moest ze worden. Ze kreeg haar injecties, werd met allerlei middeltjes van het ongedierte afgeholpen waar ze als transportmiddel dienst voor deed, haar op vele plekken kale huid werd verzorgd, ze kreeg te eten. Cicia sterkte aan, knapte op en werd een prachtige hond. Vrolijk, trouw, dankbaar, maar ook nu nog altijd een beetje terughoudend. Haar pub overleefde het helaas niet.
Vier jaar geleden klaagden de mama's en de nonna's in de buurt steen en been over het feit dat er her en der 's nachts wasgoed gestolen werd. Er zat geen echte lijn in de verdwijningen. Nu waren het herenonderbroeken, dan weer panties, een andere keer weer overhemden of t-shirts die als vlekken bij een 90-graden-wasbeurt uit een kledingstuk verdwenen. Het was de periode waarin een klein vertegenwoordigertje van het type vuilnisbakkenras bij ons over de vloer begon te komen. Op een avond was Cicia aan het eten en Lief vulde ook een bord voor de bezoeker. Het was zes uur. Na het eten vertrok het heerschap, zich genoegzaam boerend de lippen schoonlikkend, en liet zich niet meer zien. Tot de volgende avond, om kwart voor zes. Hij had het servet nog niet alvast omgeknoopt, maar kwam als welopgevoed gast wel met een presentje af. Een damesblouse. De wasknijpers zaten er niet meer aan, maar je kon nog wel zien waar ze gezeten hadden. Dit was zijn manier om duidelijk te maken dat hij ons geadopteerd had. Vanaf dat moment maakte Oronzo dus deel uit van de familie. Oronzo, zoals de patroonheilige van het barokke Lecce, Sint Oronzo. Aan het eind van die vakantie reisde hij met ons mee naar Trento.

Er zullen ongetwijfeld honden zijn die het beter hebben als de onze. Maar zeker weten dat velen het een stuk slechter hebben. Zwerfhonden in de buurt van Selva di Fasano worden tijdens de wintermaanden zoveel mogelijk opgepakt. Dat is logisch, want dikwijls vormen ze roedels en daarin zijn ze ontzettend agressief, niet alleen tegenover andere dieren maar ook tegenover mensen. Dat oppakken gebeurt niet met zachte hand (de Italiaan staat immers niet bekend als groot dierenvriend) en daarna is het aftellen voor de meeste van de honden. Een dag of drie, tot een week of drie, en dan laat men ze inslapen. Ik heb er geen behoefte aan te weten hoe dat gebeurt.
Vroeger, toen Don Angelo nog leefde was dat anders. Deze priester bulkte dermate van het geld dat hij zijn eigen kerk liet bouwen bij Selva, met een kast van een huis. Zijn terrein liep langs de glooing van de heuvel naar beneden, tot aan de hekken die de Zoo Safari omringen. Don Angelo vertoefde hier de zomer en zorgde eerst en vooral voor de zwerfhonden. Ook in de winter trok hij dagelijks in zijn kleine auto vanuit Fasano naar zijn eigen kerk om de gulle giften van slagerijen, pizzeria's, viswinkels en bakkers aan "zijn" honden te gaan voederen. Niemand snapte goed hoe hij er met zijn enorme lichaam in slaagde in en uit het luid ronkende vehikel (hij deed alles in zijn tweede versnelling) te komen. Voor zijn eigen hond, een bijna witte labrador, was in ieder geval geen plaats meer over en die legde het stuk dagelijks, zijn eigen paden tussen de bomen en struiken volgend, op z'n poten af. Don Angelo was een druk mens. Te druk om zichzelf of zijn kleren regelmatig op een, dikwijls hoognodige schrobbeurt te trakteren. De zwarte habijt die hij weken achtereen droeg was op den duur dermate verzadigd van de etens- en drankresten die drie of meer maal daags langs de geestelijke kin naar beneden druppelden, dat het kledingstuk met gemak rechtop zou hebben kunnen blijven staan zonder steun van het omvangrijke lijf van de eigenaar. Een opmerkelijke verschijning dus, Don Angelo, die toch dagelijks maar vooral 's zondags op een vaste schare "fans" in zijn kerk mocht rekenen. De oude dametjes, de dikke donkere kousen over de blanke benen, biddend terwijl de kralen van de rozenkrans tussen de doorleefde vingers heen gleed. De schaapjes die hun herder devoot volgden tot hij na een ernstige ziekte op 75-jarige leeftijd overleed en, zoals men dat zo mooi zegt in die kringen, teruggeroepen werd naar het huis van zijn vader.
Maar nu zijn de zwerfhonden dus een probleem in Selva di Fasano, of eigenlijk in heel Puglia, of eigenlijk in heel Italië. Weinig toeristen die er geen tegenkomen. Het is een teken aan de wand. Met het land gaat het niet best, cultureel niet en economisch al helemaal niet. In een land waar het goed gaat zie je weinig of geen zwerfhonden of -katten. Nederland, Noorwegen, noem maar op.

Wij verzorgen deze vakantie de "catering" voor Pietro. Pietro heeft iets van een jachthond in zich, en is vooral de eerste dagen heel wantrouwig. Hij "woont" een paar bochten ver weg in ons straatje, althans, daar springt hij tevoorschijn vanachter een muurtje als hij 's morgens onze auto aan hoort komen. De afstand tussen Pietro en ons neemt dagelijks iets af. Een meter of tien de eerste dagen, een flinke stap op het eind. Maar altijd houdt hij net genoeg ruimte om niet aangehaald of geaaid te kunnen worden. Het is duidelijk dat hij minder prettige ontmoetingen met mensen heeft gehad. Van z'n luizen en z'n teken kunnen we hem dus niet afhelpen, van zijn lege maag wel. Blikken hondevoer, resten pizza's, vlees en vis die we soms meevragen in een restaurantje, het gaat er in als Gods woord in een ouderling - om even in de geest van Don Angelo te blijven. Soms krijgt Pietro na een tijdje gezelschap van twee andere honden, een pub en dominant mannetje, half zwerver en half erfhonden bij een vrijwel vervallen huisje in de buurt.
Ons voorzichtige plan om Pietro eventueel mee naar het noorden te nemen moeten we dus laten vallen. Straks staat hij hier dus alleen, weten we, te wachten tot we langskomen. Dat is en rot gedachte. We zijn wat meer gerust gesteld als we op een avond bij de buren langs gaan. Buurman Losavio wil absoluut dat wij een bus olijfolie meenemen voor zijn grote vriend de generaal, Lief's vader die het in de periode voorafgaande aan zijn pensioen tot de rang van generaal heeft weten te schoppen bij de carabinieri (het onderwerp bij uitstek overigens in de Italiaanse variant van de Belgenmop - niet Lief's vader, maar de carabinieri). Losavio kent Pietro, kent het dominante reutje dat door hem James gedoopt is, kent nog niet de pub maar wel de waarschijnlijke moeder. Als een reïncarnatie van Don Angelo namelijk rijdt hij in de winter om de andere dag door weer en wind de heuvel op naar het pleintje voor de kerk waar hij de honden eten geeft. Hij en de andere mensen hier in de buurt leggen in het najaar wat geld bij elkaar en zo wordt in de kosten voorzien. Mooi, hè?

En toch, als we na twee weken vakantie vertrekken, Pietro voor de laatste keer te eten hebben gegeven, en ik in de achteruitkijkspegel zie hoe hij ons nakijkt, voel ik me een beetje een verrader.
De volgende morgen, zondag, de laatste dag van de vakantie. Ik wordt vroeg wakker in ons eigen bed. Cicia en Oronzo liggen nog languit in hun mand, want ook gisteren is het een lange reis geweest. Ik draai me om, kijk hoe de eerste zonnestralen die door de luiken sijpelen hun lijnen trekken op de muur, precies tussen de twee zwart-wit foto's in die Toto, een vriend uit Ferrara, me kado gegeven heeft toen ik daar vertrok.
Ik denk aan Pietro.

Sporen in Puglia (1): tegengestelde richting (27 juli 2008)

Mijn wekker loopt om kwart over zes af. Mijn inwendige wekker, want ik heb vakantie en volg het ritme dat m'n lichaam aangeeft. M'n eigen ritme volgen, het is een vrijheid die ik als een van de grootste voordelen zie van een vakantie. Kwart over zes is vroeg, een nawee is van het "gewone" doordeweekse ritme waarbij het klokje op mijn nachtkastje om zes uur opgewonden begint te piepen. Ik weet dat ik na verloop van enkele dagen rond dit tijdstip de binnenkant van mijn oogleden nog zal liggen te bestuderen, maar als ik daarna uitgerust naast mijn bed sta zal het niet later zijn dan zeven uur. En dat blijft zo. Carpe diem, pluk de dag.

Er zijn mensen die al naast hun bed staan voordat ze hun ogen open hebben. Bij mij duurt het altijd even. Langzaam wijken de wolken waarin m'n slaap gehuld is, of soms nog moeizamer is het alsof ik een keldertrap beklim. Aan het eind de morgen, die ik kalm begroet. Boven me het wonderlijke dak van de trullo. De honden merken waarschijnlijk aan mijn ademhaling dat ik wakker ben, want een natte neus port in m'n rug. Rechts van me kijkt Oronzo me opgewekt aan, zijn voorpoten op de rand van het bed. Achter hem staat Cicia, veel ouder al, luid geeuwend en nog wat slaapdronken op de poten, maar ook zij klaar om de dag te beginnen. Links van me, Lief. Ze slaapt nog, en haar rustige ademhaling is één met de geluiden van de morgen die vanachter de vensterluiken het halfdonker van de slaapkamer binnendringen. Ik glij uit m'n bed en voel de aangename koelte van de tegels onder m'n voeten. Op de voet gevolgd door twee enthousiaste viervoeters strompel ik wat stijfjes naar de buitendeur, die na de twee draaien van de sleutel met een ijzeren klik uit het slot springt. De zware deur zwaait open en Oronzo en Cicia schieten langs m'n benen naar buiten. Ik zet de deur vast aan de haak in de muur, rek me uit. Voor me trekt de achterkant van de nacht naar het westen, een frisheid achterlatend die de bloemen op het terras hun kelkjes uitnodigend doet openen. De bijen en wat vlinders zijn al druk in de weer en doen zich tegoed aan rozerood, leliewit, fuchsiaroze. Hoog daarboven een hemel van blauw. Dit is m'n paradijsje.



Ik open de luiken, behalve die van de slaapkamer. Door het open raam van de badkamer werpt de zon haar eerste lange zacht-oranje stralen naar binnen. Een overrijpe abrikoos ligt onder het boompje vlak bij het raam. Tientallen mieren doen zich tegoed aan het onverwachte vroege ontbijt en nemen de restjes op hun rug mee naar huis. Vogels fluiten en in stilte probeer ik te tellen hoeveel verschillende soorten ik kan onerscheiden. Een bij zoemt voorbij en houdt verbaasd even halt voor het open raam. ,,Wie is die lelijke blote vent daar voor het raam?'' Mopperend verdwijnt ze achter de badhanddoeken, die inmiddels droog aan de waslijn op de kustlijn hangen te wachten.





Ik zet het ontbijt klaar voor straks. Drinkyoghurt, sinaasappelsap, brood, boter, jam, en "boccanotti", een soort cakejes met een amandelvulling en jam. Het is iets typisch uit deze streek, en de beste koop je bij bakkerij "La Spiga d'Oro", vlakbij L'Assunta. Met de cappuccino wacht ik. Nog een half uurtje of een uur. Dan is ook Lief wakker.

Met een glaasje jus en een boek ga ik naar buiten. Ik zet een van de ligstoelen op de hoek van het terras, daar waar 's morgens een briesje de laatste nevelen vantussen de oren blaast en de zon vrij spel heeft. Het schijnt dat dit het ideale tijdstip van de dag is om te schrijven, maar ik heb opzettelijk mijn laptop niet meegenomen. Dus ik denk en krabbel slechts als houvast voor later af en toe een vluchtige regel in een schrift dat nog wel een plaatsje in mijn reistas heeft weten te bemachtigen.
Of ik lees. Want ik heb tijd. Heerlijk. Ik ben deze vakantie met vier boeken van thuis vertrokken. In het Italiaans, wat me over het algemeen wat meer tijd kost maar ook meer voldoening geeft. "Opposta direzione" ("Tegengestelde richting") is er een van. Het is de eerste roman van Stefano Giordano, een leraar uit Trento die ik persoonlijk ken. Een paar maanden geleden ben ik samen met mijn vriend Giorgio naar de presentatie van het boek geweest, en eindelijk kom ik nu dan toch aan toe.





"Opposta direzione" is het verhaal van Lorenzo, die - pas afgestudeerd aan de universiteit van Bologna - in de zomer van '83 door ex-studiegenote Anna wordt uitgenodigd om op vakantie te gaan in Corsica. Lorenzo accepteert, maar heeft eigenlijk overal wel wat op aan te merken. De Corsicanen, de buitenlandse toeristen, het eten, het transport, alles. Zo blijkt Lorenzo te zijn, want terugkijkend op zijn studententijd gaat de litanie onveranderd verder: de bureaucratie, de kwaliteit van de professoren, de feesten. Allemaal één pot nat, met Lorenzo als triest middelpunt. Hij wil overal bijhoren, maar zet zich tegelijkertijd sterk af van alles wat de omgang van een groep begint te krijgen.
Anna's zusje Carla, veel jonger als de andere twee, is de andere reisgenote. Lorenzo voelt wel voor een relatie, maar dat is bij voorbaat een verloren strijd. Carla heeft immers een relatie en het relatieverschil wordt door Lorenzo onoverbrugbaar bevonden. In werkelijkheid loopt hij eenvoudig een blauwtje en zijn zijn gedachten meer bij een eerdere stukgelopen relatie dan bij het hier en het nu.

Op de omslag van "Opposte direzione" werd een verwijzing gemaakt naar de verschillen van twee generaties. De ideologische generatie '68 en de individualistische generatie jaren '80. De hoofdpersoon heeft geen van de twee bewegingen werkelijk van binnenuit meegemaakt, net zomin als de schrijver. Verrassend is dat hier in de roman zelf bijna niet op wordt terug gekomen. Stefano Giordano blijft helaas rondzwemmen in de draaikolk van zelfmedelij die zijn hoofdpersoon Lorenzo voor zichzelf geschapen heeft. Of voor de schrijver, want het schijnt dat het boek redelijk wat autobiografische elementen bevat.





Ik klap mijn boek dicht, heb geen zin om direct een ander te beginnen. Ik houd daar niet van, geef liever het gelezene een beetje tijd om te bezakken, een plaatsje te vinden op een van mijn innerlijke boekenplanken.

Ik sta op en fluit om te weten waar de honden uithangen. Cicia komt meteen de hoek omrennen, maar Oronzo laat langer op zich wachten. Later hoor ik bij buurman Luigi dat Oronzo 's morgens steevast een paar honderd meter van huis te vinden was. Hofmakerij en ondertussen een "vorkje meeprikken" op het erf van ene Pugliëse schoonheid. Een kwartiertje en dan voldaan naar huis. We gaan een blokje om. Onze "trulli" op een heuvel die zo'n 400 meter boven Fasano uitsteekt, en ik hou ervan om 's morgens vroeg naar de rand van ons terrein te lopen vanwaar je over de vlakte tot aan de zee uitkijkt. Direkt aan de voet van de heuvel dus Fasano, met haar beroemde Zoo Safari, een van de grootste dierentuinen van Europa. Maar ik ben geen dierentuinliefhebber, dus ik ben nog nooit in de Zoo Safari geweest. Ik vind het op zich zelfs wel prettig dat we het park niet kunnen zien vanaf hier.
Vanaf Fasano lopen de wegen als witte krijtstrepen over de ongeveer vijf kilometer brede vlakte. Zover het oog rijkt olijfbomen, als een groene zee tot aan de kustlijn. En op de kustlijn Capitolo, in het verlengde van Fasano. Wat meer naar rechts zie ik de vuurtoren van Torre Canne. En nog wat verder naar het zuiden, meer landinwaarts, Ostuni, de witte stad. En over de kustlijn de zee, de echte. Vanaf mijn uitzichtspunt kun je al een beetje bepalen of het de moeite loont om straks naar het strand te gaan. Want als er teveel wind staat zie je heel vaag en klein, maar onmiskenbaar de koppen op het water. En dan kun je net zogoed thuisblijven. Vandaag zie ik ver onder me slechts een spiegel, de zee is "mareolo" zoals Lief en haar zus dat in hun taaltje zeggen.
We draaien ons om en gaan terug, de honden iets voor me, of iets achter me, maar steeds in de buurt. Ze houden van deze rondjes. Door de bosjes, waar elke boom zijn eigen verhaal heeft. Er staan ook wat fruitbomen. Langs de groentetuin van Peppino, de zoon van Nenette, en terug naar de groep huisjes. Nenette hoort hier, maar dit jaar is ze er niet. Ze sukkelt met haar gezondheid en verkiest haar huisje in het hete Fasano boven de kleine "trullo" in Selva. Ook Peppino kan er niet bij. ,,Dan gaat ze de rozenkrans bidden met haar vriendinnen'', zegt hij hoofdschuddend. Ook de luiken van de trullo naast het kleine kerkje zijn hermetisch afgesloten. Hier brengt normaal gesproken zia (tante) Pia de zomer door, met haar dochter Maria-Cristina, maar ook zij zit in de lappenmand. Luigi en Maria zijn de laatsten. Ze wonen hier niet alleen 's zomers maar ook 's winters.
Het is niet eenvoudig hier het hele jaar te wonen, want de winters zijn koud en er zijn weinig anderen die niet terugkeren naar het lage Fasano na de zomer. Ook werk is moeilijk te vinden in Puglia. En wie hier ziek wordt weet niet hoe snel hij naar het noorden van Italië moet komen om enige kans op een goede behandeling te krijgen. Dat kost geld, en bovendien worden patiënten uit het zuiden niet altijd met open armen ontvangen in het rijke noorden.
En toch...

Als ik terugkom op ons terras komt de geur van verse koffie me tegemoet. Lief is wakker en mijn cappuccino is bijna klaar. Ik haal de badhanddoeken van de waslijn en ga naar binnen.
,,Mare mareolo'', zeg ik. ,,Buongiorno.''



donderdag 27 januari 2011

Via 2 Giugno (2 juni weg)


Onze straat heet Via 2 Giugno, de 2 juni weg. Daarvóór woonden we in de Via 4 Novembre, maar toen we op een mooie morgen wakker werden bleken we verhuisd te zijn. Het uitzicht was nog steeds hetzelfde, maar we woonden op een ander adres. ,,U hoeft alleen familie en bekenden van de adreswijziging op de hoogte te stellen'', zo had de gemeente ons ruim van tevoren in een brief geschreven. ,,Alle officiële instanties, zoals bank, energiebedrijf en gemeente, daar zorgen wij voor.'' Het was een hele geruststelling. We zijn nu iets van twee jaar verder, en nog steeds ontvangen we de afrekeningen voor gas, water en licht op ons oude adres. Gelukkig weet Mario, onze postbode, ons te vinden en zijn we nog niet afgesloten.

 
Via 2 Giugno refereert naar een historische datum in de geschiedenis van Italië. Op 2 juni 1946 werd namelijk het eerste institutionele referendum gehouden waarmee de Italianen kozen voor een republiek. Dit ten koste van het koninkrijk, en dus van de koninklijke familie Savoia die na 85 jaar naar het buitenland werd verbannen. Hoewel de Savoia's gedurende de oorlog openlijk de kant van de fascisten gekozen hadden was het verschil tussen voor en tegen niet zo groot als dat je zou verwachten. Nog altijd 10,7 miljoen bleven de koning trouw, terwijl 12,7 miljoen Italianen voor een republiek kozen. Deze kwam er dus dankzij het referendum, en werd officieel op 1 januari 1948. Nog steeds gaan er stemmen over fraude tijdens het referendum.
Het Feest van de Republiek - La festa della Repubblica - op 2 juni is de enige officiële Italiaanse feestdag. Dit slechts vanaf 2000, toen het tweede kabinet Amato na een onderbreking van ongeveer 2 decennia het feest in eer herstelde, en tevens officieel verklaarde. Niemand werkt vandaag. En ik ook niet. Normaal moet ik me 's maandags haasten en weet ik niet hoe snel ik Via 2 Giugno achter me moet laten. Vandaag heb ik het op het gemak gedaan.





Via 2 Giugno bestaat grofweg uit 2 gedeeltes. Het westelijke deel, daar waar hij aansluit op de Via 4 Novembre, is het nieuwst. Het is gemakkelijk te herkennen omdat het geasfalteerd is. Het merendeel van de woningen ligt aan de zuidkant van de straat. Aan de linkerkant heeft men op nummer 36 een heel wonderlijk bouwsel geconstrueerd waarvan we nog steeds niet weten of het een woning is of niet. Voor zover we reikhalzend hebben kunnen waarnemen is er op de begane grond een grote garage, en op de tweede verdieping een soort van serre. Het pand staat op een enorme lap grond. Een eindje verder staat nog een ander pand (nummer 30, maar het is zo lelijk dat ik het niet wilde plaatsen), waar een haan met fel gekleurde veren en scepter zwaait. Er lopen veel dieren rond en 's morgens vroeg, als de zon opkomt, is het er een heerlijk lawaai van de natuur die wakker wordt. 



Aan de andere kant eerst nummer 19, nummer 19. Een beetje raar huis, weinig venster en weinig beweging. Ook buiten niet. Des te meer beweging in de appartementen ITEA, van de woningbouw. Hier gonst het van het leven. Hier wordt de was gedaan, ook op de nationale feestdag. Een herzien gedicht waarvan alleen "= AMORE" is overgebleven. De rest van de tekst is in zwart gesluierd. Een overleden liefde. En daaronder het rauwe "VALE TI DROGI" (Vale je bent aan de drugs). Met de puntjes op de i. Hier wordt geleefd, gezwoegd, gelachen, gehuild. Tranen op het asfalt blijven achter. In en rond de daarvoor bestemde containers. Schrijven is één ding, lezen is weer wat anders. 




En dan het oostelijk deel van Via 2 Giugno. Daar waar Dik waakt op nummer 12, of is het nummer 89. Ook Gianni heeft vrij, en er is in deze contreien geen betere plek te bedenken om je mountain-bike echt te kunnen testen. Boven zijn bol gonst het. Want nummer 12 kijkt naar het nieuws, nummer 14 maait het gras, nummer 16 luistert naar de radio en nummer 18 zit op internet. En Oronzo en Cicia houden de wacht. 



En aan de overkant, daar waar het betreden slechts voorbehouden is aan tuinkabouters en groentegrollen, ritselt en wordt gegroeid. Gieters wachten op water, netjes in het blauw gelid. Een ficus gaat z'n eigen gang. En een tuinkabouter houdt het voor gezien. Want het is 2 juni in de 2 juni weg. En het is feest.



De zwart-wit afbeelding komt van wikipedia.it.