Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen

zondag 13 februari 2011

Karel (17 september 2009)

Karel was een bijzonder mens. Toen ik hem leerde kennen was hij al met pensioen. Ik ben er nooit echt achter kunnen komen wat hij deed voordat hij met pensioen ging.
Maar eenmaal oud en bejaard sleet hij zijn dagen in zijn draaistoel voor de televisie. Of die aanstond of niet, dat maakte niet uit. Karel zat daar, liet enorme winden en vloekte de engelen in de hemel het kippevel op de vleugels. De godslasteringen waren min of meer een automatisme. Ze hoorden bij het leven, bij het functioneren van het lichaam, zoals adem halen, in slaap vallen, wakker worden. Maar een scheet was voor Karel iets meer, een wind waaide duidelijk op een hoger niveau. Zelfs na de duizenden die hij er in de loop van de jaren had gelaten, genoot hij zichtbaar van elke nieuwe die hij met veel trompetgeschal de ether inslingerde. In zijn ogen fonkelde een ondeugende, jongensachtige schittering, en met een glimlach draaide hij zich in de richting van het eventueel aanwezige publiek om de reakties dankbaar in ontvangst te nemen.
Karel was – dat zal inmiddels duidelijk zijn – niet gelovig. Zijn vrouw daarentegen wel. Ze geloofde minstens voor twee. Toen Karel eenmaal de laatste adem uit had geblazen was de televisie de deur al uit voordat de kist met daarin de overledene het pand had verlaten.

Karel en de televisie. Ze hadden een bijzondere relatie, die werd beheerst door lange stiltes. Zoals in een lang huwelijk waarin de partners weinig woorden meer nodig hebben om elkaar te begrijpen.
Op nieuwjaarsdag keek Karel naar het skispringen in Garmisch-Partenkirchen. Zonder geluid, want het kon hem weinig schelen wie er won. Zelfs het nieuws volgde hij zonder audio. ,,Het is zo al ellendig genoeg'', was zijn mening. Het was één van die meningen waar Karel stevig aan vast hield. Een ouwe boom, die stormen getrotseerd had, wellicht wat takken verloren. Maar die nog steeds daar stond waar hij ruim zeventig jaar geleden geplant was, ietwat gebogen, maar fier overeind.
,,Dus jij bent Rokus'', zei hij me tijdens onze eerste ontmoeting. Het was geen vraag, maar een stelling.
Ik zei hem, nee, dat ik Ron heette, maar Karel schudde het hoofd. ,,In Axel heten ze allemaal Rokus, dus jij ook.''
Hij is me voor de rest van zijn leven Rokus blijven noemen, tussen knetterende winden en de meest schilderachtige vormen van blasfemie door.





Het is al laat als we in onze kamer in Kalamaki, aan de zuidkust van Kreta, aankomen, en we zoeken moe ons bed op.
Als we wakker worden sijpelt het daglicht door de kieren van de luiken voor het venster. Ik sta op, loop naar het raam, benieuwd naar het weer. De luiken zwaaien open en ik wordt begroet door een luid gemiauw. We zijn niet de enige gasten.
We nemen een plakje kaas en een schelletje vlees mee na het ontbijt, maar dat is veel te weinig om een poezemaag naar behoren te vullen. Miauw. Miaaauuww! Miiiaaaaaaauuuww!
Als we tegen de avond terug komen van het strand komt onze medegast ons al hoopvol tegemoet, maar we moeten hem teleurstellen. ,,Nog even. Als we vanavond terugkomen nemen we wat lekkers voor je mee.''
Het dorp ligt dichtbij. De terrasjes aan het strand met kleine tafeltjes en helderblauwe stoelen zijn uitnodigend, maar eerst moeten we bij het supermarktje langs. Om een paar blikken kattenvoer. Ze hebben maar één merk, maar daar blijkt onze vriend best tevreden mee te zijn....


Voor één week, totdat onze vakantie voorbij is, luistert onze Kretaanse vriend naar de naam Karel. Zolang Rokus maar in de buurt is.


maandag 7 februari 2011

Utrecht lezen en plaatjes kijken (15 juni 2009)

Terug naar Westdorpe (2).

Ik was nog nooit echt in Utrecht geweest. Ja, een aantal keren de Jaarbeurshallen voor een toelatingstoets met het oog op een baan bij het rijk en een glanzende toekomst. Dit echter met steeds dezelfde standaardbrief die weken later op de kokosmat achter de voordeur terechtkwam als resultaat. Geen glanzende toekomst, en nooit echt in Utrecht geweest.

Het VVV-kantoor in Utrecht staat aan het Domplein, op nummer negen. Voor de deur, netjes ingebed tussen de klinkers, een lieveheersbeestje. Een van de vele aanwijzingen dat Utrecht prat gaat op ‘haar’ Dick Bruna. Binnen krijg je de indruk dat ze blij zijn dat je er ook bent. Een aardig meisje begint meteen druk te zoeken naar het hotel dat het beste bij onze wensen past. En ze is oprecht enthousiast als ze snel datgene blijkt gevonden te hebben wat we zoeken.
En zo lopen we even later op een fraaie maandagmorgen in april naar ons logeeradres, dat zoals aangegeven, niet ver weg is. In het centrum van Utrecht is eigenlijk niks ver weg. Het doet bijna als een dorp aan. Temeer omdat de meeste winkels nog gesloten zijn.
Maandagmorgen in Utrecht. Het is vrij rustig op straat, met uitzondering van de Bakkerstraat waar een man met Aziatische gelaatstrekken tegen een muur zit. Aan zijn voeten een plas helderrood bloed. Een omstander dept met een flinke hoeveelheid keukenpapier de gapende wond op het voorhoofd van de man. Een paar anderen proberen hem gerust te stellen, praten kalm met hem. Het komt goed, rustig blijven zitten. In het bleke gezicht kijken twee ogen wazig voor zich uit, zonder dat ze iets lijken waar te nemen van het oploopje. De omstanders die wat verder weg staan fluisteren samenscholerig. Het is toch wat. We lopen verder en om de hoek, in de Lange Elisabethstraat, is de politie al onderweg naar de plaats van het delict. Rustig, zonder voetgangers opzij te laten springen, zonder sirene en zwaailichten. Het is maandagmorgen in Utrecht en Italië lijkt een melkweg ver weg.

Een tip: wie musea wil bezoeken en wil shoppen doet er goed aan om Utrecht op maandag te mijden. Er zijn weinig winkels open en ook het Centraal Museum, dat op ons lijstje staat, houdt haar deuren dicht. Alle tijd dus om op het gemak door het oude Utrecht te slenteren, en dat doet alle gesloten deuren al snel vergeten. Utrecht ‘doen’ is vooral Utrecht lezen en plaatjes bekijken.
We keren even terug op onze schreden en springen nog eens bij de VVV binnen voor een plattegrondje en wat kaartjes. ,,Alles naar wens’’, vraagt het vriendelijke meisje van vanmorgen ons. Ja, hoor. Alles oké.

Tegenover de automatische schuifdeuren toornt de Domtoren letterlijk hoog boven ons uit. Ondanks zijn imponente uiterlijk straalt het iets uit van eenzaamheid, met de kerk zo ver verwijderd. Het is moeilijk te vatten dat een tornado hier in 1674 de oorzaak van geweest is.
Aan de rechterkant van de Domkerk vind je de kruisgang, een schilderachtig rustpuntje in het toch al zo rustige Utrecht van dat moment. Hugo Wstinc, een veertiende-eeuwse domkanunnik, schrijft er sinds 1913, door Jan Hendrik Brom in brons gegoten, zijn memoires. Het poortje dat toegang biedt tot de kruisgang heeft een bijzondere geschiedenis, die gezocht moet worden in het Academiegebouw van de Utrechtse Universiteit. In 1891 werd dit gebouw opgetrokken in een neorenaissancestijl, de stijl van het humanisme en een verwijzing naar de oude Griekse beschaving. De toenmalige minister van binnenlandse zaken, Tak van Poortvliet, had altijd gehamerd op een gotisch Academiegebouw omdat dat ‘ruimte-ordelijk’ beter paste bij de Dom. Toen hij zijn zin niet kreeg schijnt hij in eigen persoon 3 jaar later het toeganspoortje te laten hebben bouwen... in neogotische stijl.

Op de hoek van de Servetstraat staat een coffeeshop, met uizicht op de Oude Gracht. Het is er niet druk. Eén enkele klant trekt er eenzaam aan een joint, zonder acht te slaan op de wereld buiten. Waarschijnlijk is hij hier al meer geweest.
Voor ons is de Oude Gracht schilderachtig, van waar je hem ook bekijkt. Zelfs vanonder een paraplu bij af en toe een bui. De wandelkaden schijnen uniek te zijn in de wereld.
De Lichte Gaard schijnt ook Klein Venetië genoemd te worden. Je vindt er enkele regels van Cornelius Carolus Stephan Crone. Ondanks zijn bloeiende bloementuin aan voornamen schreef deze, van 1914 tot 1951 levende schrijver voornamelijk droevige verhalen die veelal in Utrecht gesitueerd waren. Geen idee of dit aan Crone of aan het Utrecht uit die tijd gelegen heeft. Het “Later stond hij in de Lichte Gaard naar de sterrenhemel te kijken. Nu had hij bij zijn verdriet nog de hik gekregen” geeft in ieder geval een beeldende indruk van zijn werk.
Een eindje verder komen we langs Tivoli. Ik herinner me de aankondigingen van concerten hier, lang geleden op Hilversum 3. Ontelbare keren had ik zin om te gaan, maar de afstand Zeeuws Vlaanderen-Utrecht bleek even zovele malen onoverbrugbaar. Op 22 juni treedt Gogol Bordello (wow!) er op, maar ik vrees dat de afstand Trento-Utrecht al even onoverbrugbaar zal zijn als ooit Zeeuws Vlaanderen-Utrecht.
Op een steenworp afstand van Tivoli, op de hoek van de Oude Gracht en de Brandsteeg staat het geboortehuis van Adriaan Florenszoon Boeyens. De geboorte van de spruit werd op 2 maart 1459, 550 jaar geleden, gevierd. Adriaan trad niet in de voetsporen van zijn vader, die scheepstimmerman was, maar hij werd docent, doctor en professor in de filosofie en theologie. Het was het begin van een indrukwekkende carrière die in 1522 bekroond werd met zijn benoeming tot paus. Lang heeft het pontificaat van de eerste en tot nu toe enige Nederlandse paus niet geduurd. Precies 12 maanden en 2 weken na zijn benoeming stierf Adrianus VI op 14 september 1523. Het zou tot 1978 duren voordat opnieuw een niet-Italiaan tot paus werd gekozen.
Eén flank van de Brandsteeg wordt nu opgesierd met een muurschildering: ‘attention: chutes de pierres!’.



Aan de overkant nog een stukje geschiedenis. Een enorme zwerfkei op de hoek van de  Oudegracht en het Eligenhof moest voorkomen dat het pand op die plaats beschadigd werd door voertuigen die de bocht te krap namen. Omdat de duivel er ’s nachts plezier in schepte de kolos als knikker te gebruiken en zodoende de bewoners uit hun slaap hield, besloot men in 1520 de steen met zware kettingen aan de gevel vast te maken. Sindsdien is de duivel uitgeknikkerd en heeft men er een mooie sage bij. In werkelijkheid betreft het een grenssteen die is vastgelegd om te voorkomen dat deze werd verlegd om de grens te wijzigen.

Alan M. Eddison's woorden staan gehouwen in de steeg die de Zadelstraat met de Boterstraat verbindt, 'Modern technology owes ecology an apology'. De Mariaplaats doet me beseffen waarom ik me redelijk thuis voel in Utrecht. “Stairway to Heaven” is niet alleen het rockcafé van de stad, maar ook de verzamelplaats voor menige VK-bloggers-borrel waarover ik gelezen heb. Ik stel me tevreden met een eenvoudig pilsje, en klink met Lief op de gezondheid van mijn mede VK-bloggers. Achteraf had ik misschien beter ook op de gezondheid van het VK-blog zelf geklonken. Maar dat is achteraf praten, wat altijd gemakkelijk is. En ondertussen lijkt alles toch weer op rolletjes te lopen.
Even verder, richting Centraal Station, komen we de man met stier tegen, van de in 1988 overleden Amsterdamse beeldhouwer Paul Grégoire. Het bronzen beeld uit 1967 staat aan de zijkant van het hoofdkantoor van de Steenkolen Handels-Vereeniging.



's Avonds eten we aan het Neude. Het is een van die aangename avonden aan het eind van april. Lekker om met een jasje of een vest aan buiten te zitten, maar voor Italiaanse begrippen toch nog wat frisjes. We eten dikke frieten bij Tapperij de Luifel, ik met een saté en Lief met een vegaschotel. We zijn de enige gasten die binnen zitten, totdat een ander stel aan een tafeltje naast ons plaats neemt. Het verwondert me weing dat ze Italiaans spreken.
Op weg naar het Neude komen we door de Vinkenburgstraat, waarin de Nederlandse "Walk of Fame" verwerkt blijkt te liggen. De laatste Nederlandse film die ik gezien heb was Zwartboek van Paul Verhoeven. Ik heb hem in een Italiaanse bioscoop, dus in het Italiaans nagesynchroniseerd, gezien en zelfs op die manier was Carice van Houten groots. Turks Fruit blijkt de Nederlandse film van de eeuw. 'Rosa di carne' heet hij in het Italiaans, roos van vlees.

Dinsdagmorgen een ontbijtje bij Bakker Bart in de Bakkerstraat. Alles is weer zoals het zijn moet, alle sporen van de plas bloed zijn verdwenen en men spoedt zich naar het werk, naar school of om de boodschappen.

Ook het Centraal Museum is open. We zijn er speciaal een dag langer voor in Utrecht gebleven en we worden niet teleurgesteld. De uitgebreide tentoonstelling 'Scorels Roem' laat het leven van de schilder aan ons voorbij trekken, en we krijgen een idee hoe het er in die periode aan het eind van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw aan toeging. Dat is voor mij persoonlijk een van de mooie dingen van de kunst: een beeld op het leven in een bepaalde periode. Het kennen van de juiste mensen was toen al belangrijk voor je positie in de maatschappij, en Jan van Scorel's nauwe banden met Paus Adrianus hebben hem de positie van beheerder van de kunstschatten van het Vaticaan opgeleverd. Het pronkstuk van de expositie was voor mij zonder enige twijfel Agatha.
Het Centraal Museum heeft echter nog veel meer te bieden. Een stuk kunsthistorie van Utrecht, tot de dag van nu. Vooral het gedeelte met de hedendaagse kunst is mooi opgezet door verschillende thema's te laten zien en uit te leggen.

Morgen gaan we verder, naar Antwerpen. We lopen een laatste rondje door de Domstad. Lief vindt in een winkeltje de tas van haar leven. Echt leer, van Marokkaanse makelij. Het ding draagt de penetrante lucht van een kameel met zich mee die door de regen heeft gelopen, maar dat wordt op de koop toegenomen.
De etalages zijn oranje. Overmorgen is het koninginnedag.


zondag 6 februari 2011

Een kaartje uit... Amsterdam (8 mei 2009)

Terug naar Westdorpe (1).
 



Terug naar Westdorpe. Een weekje lage landen.

Amsterdam stond aanvankelijk slechts als passage op ons programma, onderweg van Schiphol naar Westdorpe. Maar een vriendin vertelde dat we de tentoonstelling "Van Gogh en de kleuren van de nacht" niet over mochten slaan.
Het is zaterdagavond, rond de klok van zeven. In Italië viert men de bevrijding, en wij staan weer op het Stationsplein. Zoals precies een jaar geleden. Achter ons het centraal station, als een kloppend hart. Moegeshopte gezinnen, de handen vol tassen, verdwijnen door de openstaande deuren naar binnen. Toeristen en zaterdagavondstappers komen naar buiten, de voorpret en verwachting als een rode blos op de wangen. Voor ons de halte van de tram, en iets verderop aan het Damrak de put, die wat grootte en diepte weinig lijkt te hebben ingeboed ten opzichte van vorig jaar.
Welke lijn was het ook alweer, de 1 of de 11? Het blijkt uiteindelijk lijn 2 te zijn.

Het Leidseplein gonst. Een groep van vijf breakdancers (heten die nog zo?) maakt het publiek enthousiast. Achter de toeschouwers trappen wat jochies anoniem een balletje. Een ouwere passant houdt de bal even hoog als die zijn kant oprolt. De romantiek van het straatvoetbal, ook dat hoort bij Amsterdam.
We drinken een pilsje op een terras voordat we binnengaan bij Stoop & Stoop. Het is er goed, gezellig en dus altijd vol, maar na vijf minuten is er een tafeltje vrij. Naast ons twee ouders met hun zoon van een jaar of vijftien. De jongen doet me aan mijn zoon denken. Een beetje onwennig in het grote lichaam dat het nog gedeeltelijke kinderhart verbergt. Verlegen lijkt het, maar ik geloof niet dat dat het is. Als ze betaald hebben wordt hun plaats ingenomen door twee vriendinnen, die elkaar lang niet gezien hebben. Ze hebben veel te bespreken, oude liefdes, nieuwe liefdes, collega's, het werk. Ze hoeven niet te fluisteren met twee Italianen aan het tafeltjes naast zich.
Als we met een voldaan spinnende maag terug naar ons hotelletje lopen is het donker, maar de stad bruist en de terrasjes zitten vol. De breakdancers zijn vertrokken, en de voetballertjes zitten waarschijnlijk thuis te 'gamen'. Hun plaats is ingenomen door een cellist die nog moet beginnen, of misschien al klaar is met zijn optreden. Zijn instrument wacht gelaten op de dingen die komen gaan, de stok of de kist.


Al een paar keer is het ons gelukt een hotelletje bij het Vondelpark te vinden. Dat heeft iets speciaals, op de vroege ochtend door het park naar het centrum wandelen. De vogels begroeten fluitend het begin van de dag, trimmers demonstreren onverbloemd de vele stijlen van het zich in looppas voortbewegen, ieder apart uitnodigend tot wat fantasieën over hoe hij of zij buiten het trainingspak door het leven gaat. Ik neurie Acda en De Munnik.
Voor het Van Gogh Museum staat om iets over negen al een lange rij. Het miezert en we hebben weinig zin ons aan te sluiten. Er zijn vast en zeker andere musea met een kortere wachttijd.




We kiezen voor het FOAM. De vaste collectie heeft het veld moeten ruimen voor de tentoonstelling "Richard Avedon: Photographs 1946 - 2004", maar dat blijkt helemaal niet erg te zijn. Het is een schitterende collectie, waarin te zien is hoe het werk van de eigenzinnige Avedon zich in de jaren heeft ontwikkeld. Van vernieuwend modefotograaf tot zijn ontwapende portretten, waarin hij de ziel van zijn onderwerpen bloot weet te leggen.
Zien eten doet eten, zeggen ze wel eens. Dat is een beetje hetzelfde met fotograferen. Als ik na een weekje Lage Landen thuiskom blijk ik 541 fotootjes gemaakt te hebben. Ik ben min of meer een op-goed-geluk-fotograaf en ik weet, als hiervan één procent redelijk van kwaliteit is, dan is het meegenomen.

Verderop aan de Herengracht, op nummer 497, huist het KattenKabinet. Naast de kassa zit een kat, die zich gewillig laat aanhalen. Op de trap naar de eerste verdieping worden we voorbijgestoken door een tweede kat, op een bankje ligt een derde een uiltje te knappen en een vierde zit lodderig in de vensterbank naar buiten te kijken. Tot zover de levende hoofdrolspelers in dit bijzondere museum. De collectie is heel bijzonder met Picasso en Henri de Toulouse-Lautrec als meest in het oog springende namen. De kat in de kunst, in de reclame, in de literatuur. Een hele brede horizon.

De regen wijkt heel geleidelijk voor hier en daar een opklaring met zelfs af en toe een stukje blauw en een zonnestraal. Lanterfanteren in Amsterdam. De lekker dikke zaterdag-Volkskrant, sleutelhangers met klompjes voor vrienden en collega's, kaartjes, poffertjes aan de Stadhouderskade, een bundel van Martin Bril, foto's, klik, klik, klik.
























En dan Van Gogh. Kleuren van de invallende avond, kleuren van de nacht. De aardappeleters, de zaaiers,
de sterrennacht. Magie. Het eerste doek en het laatste lijken bijna niet door dezelfde persoon geschilderd. Ertussen ligt een geschiedenis, een ontwikkeling, die in de tentoonstelling prachtig in beeld wordt gebracht. Enkele fragmenten van Vincents brieven aan broer Theo geven weer hoe de schilder worstelde naar een, voor hem dikwijls minst onbevredigende eindresultaat. Ik zou hier vele uren rond kunnen lopen, maar er resten er slechts anderhalf tot aan sluitings- en etenstijd.

Van Gogh heeft weinig grote doeken geschilderd. Zijn meeste werken zouden wat oneerbiedig 'schilderijtjes' genoemd kunnen worden. Ook mijn pas aangeschafte aanwinst van Martin Bril zit vol schilderijtjes, maar dan anders. Op een terrasje blader ik "Het verdwenen kruispunt" door. Bril schrijft dorpstafereeltjes, polderlandschappen, Nederland, op een bijna tastbare manier. In Nuenen, waar Van Gogh gewoond heeft, neemt hij plaats bij het raam van Café De Zwaan.

,,In het park, tussen de lindebomen, staat een beeld van de getormenteerde schilder. Het lijkt niet, maar waarom zou het?
...
Sky Radio brengt intussen de nieuwste Madonna, twee mannen die op De aardappeleters niet zouden misstaan komen De Zwaan binnen en bestellen luidkeels 'een bokske'."


Voor ons geen 'bokske', maar een gewoon pilsje bij café Dante. De Italiaanse Lonely Planet heeft het over een galerie op de eerste verdieping met werk van Herman Brood. Ongelovig loop ik de trap op, en ja hoor, daar hangen ze. Felle kleuren, primitieve figuren alsof ze rechtstreeks uit een hallucinerende droom gestapt zijn. Was dit zijn wereld? Voor we verder gaan drinken we er nog eentje, op Herman.

Amsterdam lijkt op te houden als je de deur van het Indonesische restaurant Cilubang achter je dichttrekt. Ik ken niet veel restaurants in Amsterdam, maar van degene die ik ken is dit mijn favoriet. Het lijkt of je op bezoek bent bij een verre oom en tante, gastvrij en dichtbij. Een hand op je schouder, het omroeren van de gerechten op tafel om uit te leggen wat het precies is. Elke maaltijd lijkt speciaal voor jou bereid, met liefde, en dat proef je.
Muziek klinkt zacht op de achtergrond, maar is niet altijd afgestemd op de periode van het jaar. Nog vier dagen tot koninginnedag en halverwege de avond komt Bing Crosby op kousevoeten voorbij met 'White Christmas'. Ook dit hoort bij Cilubang.

Geen koffie na deze keer. Ook geen afzakkertje onderweg naar ons hotelletje. Morgen gaan we naar Utrecht en we willen vroeg vertrekken. Nu maar hopen dat het niet sneeuwt.

 

donderdag 3 februari 2011

Een kaartje uit... Brussel (19 december 2008)


Zoals Sjoukje al in juni al aangaf, in Brussel schijnt het dikwijls te regenen. Een dik wolkendek met een breed scala van alle kleuren grijs tikt haar neerslachtigheid met grote spatten op de voorruit van de bus die ons vanaf vliegveld Charlerois naar Gare de Midi vervoert. Brussel is tweetalig, maar op geen enkele plattegrond ontcijfer ik een naam in het Nederlands (of in het Vlaams, zoals je wilt) tussen de kleine lettertjes waarmee straten, pleinen en bezienswaardigheden worden aangeduid. Station Zuid heet dus Gare de Midi, en daar staat onze taxichauffeur ons op te wachten. Hotel Des Colonies, dat weet hij wel te vinden. Het adres is niet eens nodig. Luid mopperend op alles wat zich niet in zijn eigen taxi bevindt rijdt hij ons over rues en avenues. Belgen kunnen niet autorijden, de taxitarieven zijn te laag, en en passant krijgt ook zijn vrouw nog een aantal vegen uit de pan omdat die nergens mee naartoe wil. Naar Amsterdam zou hij willen, en Londen. Maar mevrouw De Echtgenote Van Een Veel Te Veel Pratende Taxichauffeur wil er niet van horen. Voor we het weten staan we in de Rue De Colonies, waar achter geen enkel voorpand een hotel met de naam Hotel Des Colonies schuil blijkt te gaan. Logisch, want dat staat in de Rue des Croisades. Als we daar uiteindelijk aankomen heeft onze "gids" de grenzen van het irritante al lang en breed overschreden, en hetzelfde geldt voor de taximeter in 's mans automobiel.

Ons hotel is een oase van rust na de spraakwaterval waarvan we getuige hebben moeten zijn. In de hal klatert een fonteintje, rustig. De ontvangst is vriendelijk. Des Colonies gaat weliswaar schuil achter een aantal torenhoge kantoorge-bouwen en het Sheraton Hotel, maar desondanks ademt het een bijzondere sfeer uit. Ik zou het niet koloniaal willen noemen, maar je proeft er iets van het reizen uit vervlogen tijden. De vensters op de gangen zijn "art nouveau", de hoge plafonds in de eetzaal en de bar verliezen elke eentonigheid dankzij de ornamenten en het jachtige Brussel stopt bij de dubbele deuren van de entreehal die wellicht toch iets koloniaals uitademt.
Bij de receptie legt een aardige dame ons uit hoe we bij de Grote Markt, de Grand Place, kunnen komen. In het Engels, want pas volgend jaar begint ze een cursus Nederlands. Onze jassen hoog dichtgesnoerd, trekken we erop uit.
Ook nu weer wordt ik getroffen door de relatieve kalmte die in menig Europese hoofdstad heerst, in vergelijking met Italië. Het enige nadeel is misschien de regen, die ons glimlachen doet watertanden. Geen idee of het aan mijn Engels ligt, maar in plaats van zuidwaarts richting Grote Markt volg ik een heel stuk de Boulevard Baudouin, naar het westen. De weg kwijt dus, maar dat geeft een vent nooit helemaal toe. Het lot is me gunstig gezind want als ik na een tijdje aangeef dat het tijd is om linksaf te gaan komen we bij de Vismarkt uit, waar een ijsbaantje en een hele reeks kraampjes er alles aan doen om iets van een kerstsfeer te kweken. Glühwein, pinten, wafels met slagroom en chocolade. Het ziet er heel aanlokkelijk uit, maar we weten ons in te houden. Totdat we in de Rue Sainte-Catherine langs de uitnodigende brasserie "'t Kapiteintje" komen. ,,Dit is België'', fluister ik Lief toe als we binnen zijn. Lange banken langs de muren waarop je schuilgaat achter diepe borden en grote glazen op de tafeltjes ervoor, een bar met minstens tien merken bier, en langs het plafond de kerstversiering, daar iets te lang, daar iets te kort, maar veelkleurig en heerlijk kitsch. Ik krijg een brok in mijn keel, die ik met een Leffe op perfecte temperatuur wegspoel. De ober zingt, deels in het Waals, deels in het Vlaams, en brengt me eenvoudig garnalenkroketten met brood. Het is jaren geleden dat ik die gegeten heb. Het echte watertanden is aangebroken.
Als we na deze pauze uiteindelijk op de Grote Markt aankomen knort mijn maag van tevredenheid, een geluid wat naar de achtergrond verdrongen wordt door de electronische vogelgeluiden die dit adembenemende plein vullen. Het is immers kerst, en daar horen om de een of andere reden electronische vogels bij die in tientallen allumium palen hun nestjes hebben gevonden. Als het donker wordt lichten de palen in allerlei kleuren op en komt er muziek uit. Arme vogels. Vlak bij dit futuristische gebeuren staat in het centrum van de Grand Place "De Kerstboom" van Brussel, traditioneel en zonder teveel poespas groen (de takken) en blauw (de lichtjes) te zijn. En daar weer achter een stal, met echt hooi en echte etalagepoppen. Het doet wat chaotisch aan, en het is allemaal iets teveel van het goede. En het heeft bovendien wat armoedigs. Maar wat je hier ook neerzet, het zal altijd wat armoedig blijven overkomen temidden van de schitterende panden die het plein als een kunstig bewerkte gouden lijst rondom een schilderij omkaderen.











 
Het is goed eten in België. Een tijdje geleden heb ik bij ons een boek voorbij zien komen met de bijzondere titel "Stoemp". Het is van de Belgische kok Albert Verdeyen en gaat dus over eten, en dan met name over de Brusselse stampot, ofwel de stoemp. Een leuk en interessant boek, waarin Verdeyen niet stil blijft staan bij de traditionele recepten. De stijl van eten is veranderd in de afgelopen honderd jaar, dus ook de stoemp heeft zich aangepast aan de hedendaagse smaken. Wat te denken van de Italiaanse "stoemp Fellini"! Het boek verliest desondanks dit zijn "roots" niet, en een aantal bekende Brusselaars doen dus hun favoriete stoemp uit de doeken.
Ik had me dus voorgenomen om, eenmaal in Brussel, ook eens de onvervalste stoemp te proberen. Als ik echter de ene keer de Ballekes à la Marolliene op de kaart zie staan, en de andere keer een stoverij in de Kriek Lambik, lukt het me niet om aan deze culinaire verleidingen te weerstaan. De stoemp blijft dus staan voor een volgende keer, en zo vind ik altijd wel een reden om ooit nog eens terug te kunnen gaan naar een plaats die me bevalt.
Op een avond eten we bij het sfeervolle Volle Gas op de Place Fernand Cocq, waar ook het typisch Belgische waterzooi op de kaart staat. Ik vertel mijn tafelgenotes - alle drie Italiaans - dat in de noordwestelijke hoek van Vlaanderen de waterzooi vroeger nogal eens bereid werd met bisamrat. Noodgedwongen, want er was geen geld voor wat anders, en bovendien schijnt het lekker te zijn. Ongeloof is mijn deel, en om de een of andere reden heeft niemand meer zin in een toetje. Als we buitenkomen regent het. ,,Waterzooi'', denk ik. Bus 71 brengt ons naar De Brouckere en vandaar is het niet ver naar meer naar het hotel.
Beslagen ruiten, de bedompte geur van natte kleren, een waterkoude wind die de paraplu doet overwaaien, laveren om de plassen op het trottoir... The Brussels Blues.


Ik ben de voorbije jaren een paar keer in Amsterdam geweest, maar dankzij de verbouwing van het Stedelijk Museum liep ik de werken van de Cobra-groep steeds mis. In Brussel val ik met mijn neus in de boter, want de Cobra-groep bestaat 60 jaar en ter gelegenheid daarvan is er in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten een speciale tentoonstelling ("Cobra") van Deense, Belgische en Nederlandse kunstenaars. Appel, Corneille, die natuurlijk in de eerste plaats, maar ook het werk van Carl-Henning Pedersen spreekt me aan. Kunst is dikwijls (of altijd?) reaktie, en ik geloof dat het diezelfde Pedersen was die zei: ,,Het wordt tijd dat we die lege vlakken van Mondriaan eens in gaan vullen.''

Ook de permanente collectie van het museum is meer dan de moeite waard. Men begint in de vijftiende eeuw, en daarna wordt je, verdieping na verdieping, eeuw na eeuw, steeds verder de museumkelders en de toekomst doorgeloodst. Het museum leeft, een kleuterklasje zit in de buurt van Fernand Khnopffs "De Kunst / De liefkozingen" op de grond met viltstiften tekeningen te maken, en in de rode zaal luisteren studenten bijna in dezelfde positie ademloos naar het gedreven betoog van hun professor. Achter hem rijzen engelen en gelovigen torenhoog op. We zijn onze kruistocht 's morgens om tien uur begonnen, en rond een uur of vijf blijken we nog één eeuw voor de boeg te hebben. We beginnen enigszins met de tong op onze schoenen rond te lopen, dus we besluiten ook die laatste honderd jaar, net als de stoemp, te laten staan voor de volgende keer.





















's Woensdags regent het niet in Brussel. We trekken er op goed geluk op uit.

Vlakbij ons hotel bevinden zich de botanische tuinen, maar in deze periode van het jaar is er weinig te bewonderen. Ook de serres zijn leeg. De Botanique is nu een cultureel centrum, waar concerten worden georganiseerd en de filmzaal is, op het moment dat wij in Brussel zijn, de zetel van de tiende editie van het Festival Cinéma Mediterranéen. Het complex werd in 1829 ingehuldigd en in de kelders werd ooit de eerste witlof gekweekt. Van die hoogtijdagen is echter weinig meer te merken.
De Rue Royale gaat richting Museumberg. Halverwege komen we langs de Colonne du Congrès, de Congreskolom. Architect Joseph Poelaert, onder wiens leiding dit herdenkingsteken tussen 1850 en 1859 langzaam maar zeker 25 meter de hoogte in werd geboetseerd, schijnt zich te hebben laten inspireren door de Trajanuskolom in Rome.
Een eindje verder zuidwaarts staat de indrukwekkende kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele. De glas-in-lood-ramen zijn als enorme stripboeken en vertellen hun verhalen terwijl de zon zowaar af en toe bijlicht. Bij de ingang hangen wat foto's van de groten der aarde die de kathedraal bezocht hebben, Paus Johannes Paulus II, koning Boudewijn en koningin Fabiola, prins Filip en prinses Mathilde, prins Laurent en prinses Claire. De laatste zes om te trouwen. Met enige tussenpozen, dat zal duidelijk zijn.

Brussel is behalve de stad van het stripverhaal ook en vooral de stad van de "art-nouveau". Er zijn zelfs speciale routes die je langs de hoogtepunten van beide oeuvres voeren. Een paar keer worden we tijdens ons rondje op aangename wijze geconfronteerd met deze specialiteiten van het huis. Vlakbij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten vind je een toonbeeld van de "art-niveau", namelijk het voormalige Old England. Het werd door Paul Saintenoy ontworpen en is sinds zijn bouw in 1899 lange tijd in gebruik geweest als warenhuis. Tegenwoordig is het MIM erin gevestigd, het muziekinstrumentenmuseum. Lief weet me om te praten om eens een uurtje binnen te gaan. Het wordt wat meer want het museum is heel bijzonder. Als bezoeker krijg je koptelefoon en middels een infrarood systeem hoor je bij elk instrument een aantal muziekstukken waarin het een rol speelt. En dan kom je er pas achter wat een rijke muzikale historie dat België wel niet blijkt te hebben. En brokjes uit een ver verleden komen weer boven drijven, muziek die ik ooit op een kermis in Vlaanderen heb gehoord toen ik nog klein was, de televisieserie "Wij, Heren van Zichem", het typische geluid van de mondtrommel. Maar men neemt je ook mee over de Belgische grenzen, Europa in en de wereld over. Je hoeft geen kenner te zijn, maar ook een beetje muziekliefhebber loopt in dit prachtige pand met volle teugen te genieten. Ik kan het van harte aanraden.
Als we buitenkomen schijnt zowaar de zon, en we hebben nog wat tijd over om wat te winkelen, zoals het shoppen vroeger heette. Lief weet vriendin Giusi te strikken, en ik trek er alleen op uit.

Als we donderdags in de trein zitten is m'n bagage twee cd's van Arno Hintjes rijker.

We gaan richting west, naar Brugge, en vandaar zullen we de bus naar Oostburg nemen. Het is de enige manier om met het openbaar vervoer vanuit België naar Zeeuws Vlaanderen te reizen.
We hebben een plaatsje gevonden naast een echtpaar, aan het accent te horen uit de buurt van Leuven of Aarschot. Hij leest Het Laatste Nieuws, vooral de sportpagina's. Zij zit verlegen om een praatje en vertelt dat ze voor controle naar het ziekenhuis in Gent moet. Om half twaalf. Dat komt goed uit, want dan kunnen ze daarna ook gelijk eten in het ziekenhuis. Soep, aardappelen met groente en een stukske vlees, en een toetje voor maar zeven euro. ,,Jao, daor kunt ge zelf toch nie veur koken é meneer.'' Als ze opstaan om op hun bestemming uit te stappen wens ik haar veel succes met de controle.

Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Liefs vakantiestemming gaat er niet onder gebukt. ,,Ach ja, het is in ieder geval geen sneeuw.''

Nog geen vijf minuten later dwarrelen de eerste sneeuwvlokken in het mistroostig langstrekkende polderlandschap naar beneden.





Het kaartje is een van de velen die in Brussel te koop zijn ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958.

Het boek "Stoemp" van Albert Verdeyen is uitgegeven door Lannoo (isbn: 9789020976366).

Op de videoclip zingt Arno Hintjes "Les yeux de ma mère".

Ik was van 1 tot 4 december in de Belgische hoofdstad.

woensdag 2 februari 2011

Een kaartje uit... Parijs (7 oktober 2008)

Het is best leuk om in het buitenland te wonen. Tenminste als je er, zoals ik, zelf voor hebt kunnen kiezen. Ook al blijven er altijd typisch Nederlandse dingen die je mist. De kans om een oude bekende tegen te komen op straat, pepernoten, Hollandse nieuwe, uitwaaien op het strand, om er maar een paar te noemen. En de bloggersborrel, ook die lopen wij, de "buitenlandse correspondenten" steevast mis.
Gelukkig is op die bloggersborrel een leuk alternatief op gang gekomen... Het bloggerskaartje.

Toen ik en aantal weken geleden de zomer had afgesloten op het Griekse eiland Samos, kwam ik thuis en vond de brievenbus gevuld met een redelijke hoeveelheid minder en meer gewenste communicaties. De gebruikelijke rekeningen, de loze beloftes van een rijke schakering aan politieke partijen die zo vlak voor de verkiezingen niet weten in welke bochten ze zich moeten wringen om je best vriend te mogen zijn, wat reclame, en - hé - twee kaartjes. M'n gemoed - tot op dat moment iets beneden peil dankzij het einde van de vakantie - maakte een huppelsprongetje. Want een kaartje sturen is leuk, afgezien van de nare nasmaak van de postzegel (dat ze daar nog nooit eens iets op gevonden hebben), maar een kaartje krijgen is misschien nog wel leuker.
Het eerste kaartje is een geboortekaartje. Vrolijk gekleurde vierkanten met daarop eenvoudig maar herkenbaar een schaap, een bloemetje, een giraf, een slabbetje. Mijn achterneefje Tom doet kond van de geboorte van zijn zusje Lone. Ik heb Tom, en ook Lone, nog nooit in het echt gezien. Maar er is zoiets als een familieband, die is sinds een tijdje weer aangehaald. Op Hyves hebben we onze familie-Hyve, en daar prijkt de jongste telg nu tussen de zwart-wit prentjes van haar overgrootouders.
Het tweede kaartje is een kaartje uit Parijs! Van Amélie! In haar blog "En dus de groeten uit Parijs" gaf ze aan graag nog eens op haar onafscheidbare fiets een ritje naar het centrum van de stad te maken om daar enige kaartjes voor geïnteresseerde VK-bloggers op de post te doen. Ik zou heel ridderlijk kunnen zeggen dat ik haar dat plezier niet wilde ontnemen, maar daarmee zou ik aan de waarheid voorbij gaan. Ik heb namelijk nog nooit een kaartje uit Parijs gekregen en ja, eigenlijk wilde ik die kans niet aan mijn neus voorbij laten gaan. En dus schreef ik aan Amelie: JAAAAAAAA!!! IK WIL EEN KAART UIT PARIJS!!! Achteraf realiseer ik me dat ik wellicht wat gretig heb gereageerd. Maar wat wil je? Ik zit hier in dat door god, jan en alleman verlaten Italië waar geen fluit te doen, te beleven en te zien is, en dan krijg je Parijs op een presenteerblaadje aangereikt. Blijf daar maar eens rustig onder...

Dit is het kaartje...




Het spreekt voor zich dat er ook een achterkant aan het kaartje vastzat, maar die houdt ik voor mezelf. Een alleraardigste groet. Een beetje diepzinnig, waarmee de afzendster zich een waar observeerster toont. Maar die kunst had ik al eerder op haar blog ontdekt.
Amélie voegt in een PS toe (een betere plaats had ze er niet voor uit kunnen kiezen) dat de paus ook daar de stad in de gaten laat houden. O ja, daar had ik iets over gezien in de krant. Gezien, niet gelezen. Nog een geluk dat de paus af en toe eens naar het buitenland gaat, want anders zouden we hier in Italië nooit iets over het buitenland in de kranten kunnen lezen. Want naar het niet Italiaanse nieuws in de pers moet je hier werkelijk met een lantaarntje zoeken.
Dus ik weet dat de paus in Parijs was geweest. En dat hij ook door Sarkozy (gescheiden) en zijn Carla (gescheiden) is ontvangen. Niet lang daarna kom ik het koppel opnieuw tegen op een foto, nu joggend in New York. Zij schijnt harder te lopen dan hem. Kijk, dat is dan weer iets wat ik weet over Parijs. Voor de rest moet ik toegeven dat mijn kennis van de Franse hoofdstad op een bedenkelijk laag niveau rust. Ik ben ook nog nooit "echt" in Parijs geweest. Wel eens voor het werk, in een vorig leven. Twee dagen, waarin ik een aantal fraaie originele Parijs kantoren geruime tijd aan de binnenkant in me heb mogen opslaan om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat ze een opvallende overeenkomst vertoonden met de kantoren in Oslo en Brussel.
Mijn verdere kennis over Parijs komt uit wat boeken, van internet (het blog van Amélie) en uit een film uit 2001 die - geloof het of niet - "Le fabuleux destin d'Amélie Poulain" heet. Totdat ik een maand of vijf geleden het VK-blog binnenstapte is deze film mijn voorstelling van de combinatie Parijs-Amélie geweest.


Voor wie de film niet gezien heeft, Amélie is een serveerster in het Café des Deus Moulins. Als ze niet werkt leeft ze teruggetrokken in haar eigen droomwereldje. Dat verandert als ze in op een verborgen plaats in haar appartement een kistje vind met daarin wat oude spulletjes. Ze gaat op zoek naar de eigenaar, en vanaf dat moment stort haar leventje zich van het ene bizarre avontuur in het andere. De regisseur van "Amélie Poulain" is Jean-Pierre Jeunet, die na zijn Amerikaanse "Alien" uit 1997 besloot terug naar huis te keren en daar in zijn wijk Montmartre een film op te nemen. Ook al kreeg de film wat kritiek als zou hij te Disney-achtig zijn, het werd een succes. Zelfs nu nog zijn er Amélie-fans die in hun vakantie naar Parijs gaan op zoek naar de locaties van de film.
En zo weet ik dus dat het Café des Deux Moulins echt bestaat, in de Rue Lepic, op nummer 15. En dat het Canal St. Martin, waar Amélie haar tijd graag doorbracht met stenen op het water te laten stuiteren, echt schilderachtig is. De Engelse impressionist Alfred Sisley (zijn ouders waren Engels, maar hij is geboren in Parijs) wist dat lang geleden al en schilderde het kanaal in 1870.


Op de plaats van de groente- en fruitkraam van Collignon, in de Rue des Trois Frères 56, vind je de Brasserie Le Carrousel. En een echte victoriaanse carrousel uit de film vind je op de Place St-Pierre, met de indrukwekkende koepel van de Sacre Coeur op de achtergrond.
Voor bijzonder Parijse souvenirs van locaties uit de film kun je terecht bij "Au Clown de la République" op de Boulevard St-Martin 11, waar je allerlei kostuums kunt kopen en kunt huren. Amélie slaagde er voor haar Zorro-outfit.




De muziek voor de film "Le fabuleux destin d'Amélie Poulain" is gemaakt door Yann Tiersen. De musicus-componist werd in 1970 in Brest geboren, maar hij woont tegenwoordig in... Parijs. Hij heeft met Carla Bruni (ja, zij weer) het nummer Le Parapluie van George Brassens opgenomen.




Goh, ik blijk best nog redelijk wat te weten over Parijs, hè? Maar toch, ik wil er ook nog wel eens in het echt naartoe. Wie weet komt het er nog eens van. En dan stuur ik zeker een kaartje.


Wil jij een bloggerskaartje uit Italië? Stuur gerust een berichtje. Ook ik stuur het echt. En maak je geen zorgen, ik kom het niet persoonlijk brengen.

PS: Bedankt voor je kaartje Amélie!

zaterdag 29 januari 2011

Sporen in Puglia (4): Kafka op het strand (7 september 2008)

 We zijn er! We zijn er! Het strand, het strand, het strand...
Kleine landbouwpercelen. Mais die net op begint te komen, granturco heet dat hier. Wat rijen tomaten, gewoon op de grond, ze mogen best een beetje zanderig zijn. Daar tussendoor een zandpad tot aan de duinen. Honderd meter, misschien iets meer. Achter ons een stoffige zandwolk als in een western. Alleen de muziek van Ennio Morricone ontbreekt. In de schaduw van een boompje zit een jongetje van een jaar of tien op een witte plastic stoel. Hij schrijft ons kenteken op een briefje dat onder de ruitenwisser gaat. Vier euro. Voor dat bedrag staat onze auto de hele dag op de parkeerplaats in de schaduw. Geen asfalt, maar zand en kiezelsteentjes.

De "bagno" is spartaans en biedt het essentiële. Er is wat te drinken en te eten, in het weekeind en in het hoogseizoen is er 's middags ook vis en inktvis van de grill. Een grote houten overkapping, daaronder in de schaduw tafeltjes en stoeltjes. Het is een hele familie die alles hier draaiend houdt, la mamma, zoontjes, dochters, neefjes, nichtjes en wie weet wie nog meer. Een van de dochters studeert economie en brengt een deel van de dag met haar donkerblonde krullen boven het toetsenbord van een laptop door. De andere dochter doet economie en je vindt haar altijd vriendelijk lachend en babbelend achter de bar, in de keuken, op het strand, overal waar je net iemand nodig hebt.
Op een morgen staat ze al bij ons nog voordat we een parasol hebben kunnen vragen. ,,Er is arbeidsinspectie'', fluistert ze, met een scheef oog richting twee heren aan een tafeltje. ,,Zogauw ze weg zijn is alles weer normaal.'' Een uurtje later rijdt een auto het parkeerterrein af. In de verte komt Beppino onze richting opsjokken. Onder zijn arm draagt hij onze parasol.
De eenvoud van het strandpaviljoen trekt een bepaald publiek. Krantenlezers, "Repubblica", "Unità", "Manifesto", een enkele "Stampa", zonder uitzondering links getinte dagbladen. Een links strand, dat zie je aan de bezoekers, aan hun kleren, aan de minimale bagage die er meegenomen wordt, aan de afwezigheid van accessoires die lawaai maken. Ergens anders is het misschien moeilijk voor te stellen, maar in Italië zijn er dus linkse en rechtse stranden. Een territorium dat verdedigd wordt als het nodig is. Een aantal jaren geleden kwam een motorboot ons territorium binnengevaren en ging ten anker vlak bij het strand. De radio bonkte zijn bassen tot tegen de duinen, de opvarenden keken dikbuikend en patserig naar de kinderen die zojuist nog fijn aan het zwemmen waren, daar waar de ankerketting nu strak het water in sneed. De strijd was kort maar hevig, begon met het opheffen van enige worstige middelvingers en eindigde met een motorboot die onder een regen van stenen op de vlucht ging. Daar tussendoor werd bijna iemand verdronken.

De zee lijkt echter rechts te volgen en net als in de Italiaanse politiek moet links op ons strand een pas achteruit doen. Elke keer als we hier voor een vakantie terugkomen vinden we het strand wat smaller terug als de keer daarvoor. Het is een probleem wat de gehele Pugliese kust treft, zo lees ik in de krant. Ik sla geen kolom over als ik vakantie heb. De uren kruipen voort, de zon brandt, en na een tijdje knisperen de bladzijden bij het omslaan. De nietjes doen hun werk. En mijn rug wordt rood, ondanks factor 30.
Ik zoek wat verkoeling in het water, de tweede keer vandaag. Mijn eerste duik is over het algemeen meteen als we aankomen, 's morgens vroeg, als de zee op z'n mooist is. Als een spiegel, helder, verfrissend. Als je maar niet achter je kijkt, want dan blijkt je kielzog soms uit een spoor van vreemde luchtbelletjes te bestaan. Wie weet wat voor rotzooi er allemaal in het water zit.
Op het strand blaft een zwarte hond naar zijn baas. Terwijl hij het water met het hoofd schuin uit z'n oren laat lopen verontschuldigt de man zich. ,,Ik heb hem hier vorig jaar achter de duinen gevonden. Hij wil bij me in de buurt blijven maar durft zelf het water niet in.'' Dus zoekt het baasje z'n handdoek maar weer op. Zijn viervoeter heeft het beter getroffen dan vele anderen. Hij legt zijn kop gerust terug op het zand, doet een tukje in de schaduw van een rij strandstoelen die in een keurig kleurig gelid op bezitters te wachten. Want wat is nou een strandstoel zonder bezeten te worden? Maar ze moeten nog een tijdje wachten, het hoofdseizoen is nog niet begonnen en het is nog rustig op het strand. Je kunt de mensen nog van elkaar onderscheiden.



Een vader en zijn zoontje baden pootje. Een zeilbootje aan een touwtje kiest, voorzichtig laverend tussen blanke scheenbeentjes en kuiten door, het ruime sop. Als je de kleuren wegdenkt zou het een tafereeltje uit de jaren vijftig of zestig kunnen zijn. Twee bipsen komen voorbij, brengen vrolijk wippend de kleuren en de 21e eeuw terug. De kwekkende bezitsters dragen achteloos, maar met trots. Het palestra waar je fitness doet is populair in Italië. Een venter probeert ondertussen zijn waar aan de man te brengen.
 
 
Op het stukje strand vlak voor de "bagno" wordt het intussen wat drukker. Het zonnetje klimt aan de einder, en wat crème boven de wenkbrauwen moet voorkomen dat vanavond de vellen over de ogen vallen. De twee zussen uit Bari zijn er ook weer, met de kinderen en de hondjes. ,,Waar zaten we ook weer gisteren?'' ,,Daar!''



Het sap van een perzik loopt langs mijn onderarm naar beneden, richting elleboog. Ik heb het likken opgegeven, want dat is vechten tegen de bierkaai. Vanachter de rijpe vrucht kijk ik naar de zee, de horizon, de lucht. Een schakering van kleuren en tinten blauw, groen en zelfs roze die continu verandert. Ik moet aan de foto 5420 van de Duitse fotograaf Jörg Sasse denken.




Als ik na de vakantie de bewuste foto opzoek moet ik echter toegeven dat mijn werkelijkheid van dat moment weinig van doen heeft met Sasse's plaat.



5420 - Jörg Sasse


Ik heb inmiddels mijn krantje uit en sla mijn boek open waar een ansichtkaart aangeeft waar ik gebleven was. Een halve bladzijde later zie ik vanuit mijn ooghoeken dat twee gitzwarte onderbenen hun wandeling door het rulle zand gestopt zijn ter hoogte van ons plekje. Ik kijk op. Vanonder een Valentino Rossi-pet (althans, er staat nummer 46 op) kijkt een Senegalees me geïnteresseerd aan. ,,Wat lees je'', vraagt hij.
Dat had ik niet verwacht en met enige moeite verbouw ik mijn reeds op de lippen liggende "nee, bedankt" tot een stotterend ''uh... Ka.. Kafka... Kafka op het strand". Het is een titel die hem niets zegt, en hij oppert dat het dan wel een boek zal zijn over Kafka en niet van Kafka.
,,Nou nee, ook dat niet'', zeg ik. Hij kijkt me aan of ik hem voor de gek zit te houden. ,,Maar je bedoelt Kafka'', houdt hij vol, ,, de schrijver, de filosoof, begin 1900.'' En zo komen we aan de praat.
De man heet Azou, komt inderdaad uit Senegal. Dakar, om precies te zijn, waar hij 30 jaar onderwijzer is geweest. Nu is hij met pensioen. Pas als hij dit laatste zegt merk ik dat er wat grijze haren vanonder zijn pet uitsteken. Voor de rest verraadt werkelijk niets zijn gevorderde leeftijd. Pensioen voor iemand die dertig jaar voor de klas heeft gestaan betekent in Senegal een maandelijkse bijdrage van omgerekend net honderd euro. ,,Dat is ook bij ons niet genoeg om een familie van te kunnen onderhouden'', vertelt Azou. En daarom probeert hij nu elke dag op het strand in Puglia wat te slijten. Een kilometer of tien legt hij af, onder de zon, van badgast naar badgast die steeds minder belangstelling voor de koopwaar schijnen te hebben. Het is een teken dat het slecht gaat in Italië. ,,Het is beter om terug te gaan naar Afrika'', zegt hij. Hij heeft navraag gedaan en weet dat de Italiaanse regering hulp biedt aan Senegal middels een project dat "Community Aid 2" heet. De hulp bestaat niet uit geld, maar uit machines, advies, enzovoorts voor Senegalezen die terug gaan naar hun land om daar middels een eigen bedrijfje een nieuwe toekomst op te bouwen. Hij zou graag een tipografie beginnen. Om net dat beetje meer te hebben om zijn familie te kunnen onderhouden ,,en om andere Senegalezen te helpen.''
We bieden hem wat fruit aan, en Azou accepteert het met een van de mooiste en warmste glimlachen die ik ooit gezien heb. ,,Weet je, dit heeft veel meer waarde dan dat je iets van me koopt voor een paar euro. Dit is iets wat jullie met me delen, dit is jullie eten.''
Azou komt later tijdens onze vakantie nog een paar keer langs. Groet ons altijd, zijn mooie witte tanden bloot lachend. ,,Ciao amici.'' Een van zijn levensinstellingen is dat de sporen die je achterlaat altijd iets moois moeten zijn, positief.
Op een dag komt hij ons vertellen dat hij gebeld is door zijn vrouw, vanuit Senegal. De envelop is aangekomen. Zijn project is goedgekeurd, de eerste stap is gezet. Azou is gelukkig, en wij zijn blij voor hem.
Azou gaat verder. Ik pak mijn boek terug op...


"Kafka op het strand" doet me heel in de verte denken aan "De Meester en Margarita", de klassieker van de Rus Michail Boelgakov waarin Satan een bezoek aan Moskou brengt. Niet om het verhaal, maar om het bovennatuurlijke dat feilloos in de realiteit overgaat en vice versa.
In de roman van Murakami Haruki loopt de 15-jarige Kafka Tamura, zoon van een beroemd kunstenaar, weg van huis in Tokyo. Hij kan niet met zijn vader overweg, en zijn moeder heeft niets meer van zich laten horen sinds ze vertrok toen Kafka vier jaar oud was. Kafka is overigens niet zijn echte naam, maar het is de naam door hemzelf gekozen, het is de naam die hem bevalt. Hij komt in Takamatsu terecht, in het zuiden van Japan, waar hij gedurende een aantal uren zijn geheugen verliest. Een zwart gat, waarin iets onheilspellends gebeurd moet zijn. Kafka probeert in de anonimiteit te verdwijnen door een baantje bij een bibliotheek te accepteren.
Parallel aan het verhaal van de jongen vertelt Murakami het verhaal van de oude Nakata, een zonderling figuur Hij heeft een vreemd ongeluk gehad toen hij nog klein was. Hij komt uit dezelfde wijk in Tokyo als Kafka, waar hij met katten comuniceert. Deze bijzondere kwaliteit brengt hem in de problemen, hij pleegt een moord en moet vluchten. Ook hij kiest het zuiden, Takamatsu, en onderweg begint hij te begrijpen dat zijn reis een doel heeft. Maar wat voor doel, dat weet hij niet.
Zoals gezegd, het is een roman waarin werkelijkheid en "de andere kant", verleden en heden feilloos in elkaar overlopen. De twee hoofdpersonen zijn bijzonder interessant, en ze worden in de marge bijgestaan door een groep personages die op z'n minst schilderachtig genoemd kunnen worden. Ik noem er één: Johnny Walker.
De Italiaanse vertaling is meesterlijk.
Tot nu toe de beste roman die ik dit jaar gelezen heb.





Zo rond een uur of zes lijkt de aarde langzamer te gaan draaien. De zee wordt vlak, de geluiden lijken verder af. Het licht is minder hard en de kleuren winnen aan intensiteit. Onze schaduwen worden langer. Ik sla mijn boek dicht.
We pakken onze spullen in en nog even verlengen we ons uitzicht op dit schitterende schouwspel vanachter een pilsje bij het strandpaviljoen.



Daarna met de auto het zandpad af, rustig, maar het is niet te voorkomen dat een zandwolk ons volgt als een ridder in galop. Als in een western...
,,I'm a poor lonesome cowboy.'' Morgen begint alles van voor af aan.