Posts tonen met het label persoonlijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label persoonlijk. Alle posts tonen

dinsdag 22 februari 2011

Influenza blues (3 januari 2011)

Als een perfect getrainde estafetteploeg ging het van 2010 naar 2011. Lief had haar weekje 'rustig aan' tussen kerst en ouwejaar voor de volle honderd procent besteed aan het bestrijden van een virus dat onder de naam influenza door het leven gaat. Op oudejaarsdag leek het tij zich eindelijk te keren. Wat er in het kort op neerkwam, zo bleek die avond, dat ik het stokje over had genomen en niesend, hoestend en proestend aan het nieuwe jaar begon.
Een paar dagen en een stuk of tien aspirine c's later denk ik (hoop ik) dat ik niet verder ben gekomen dan een flinke verkoudheid. Maar - de vrouwen zullen dat ongetwijfeld hartstochtelijk beamen - wij mannen lijden ook daar onder als onder de zwaarste pest-epidemie uit de geschiedenis. Hoewel ik me bewust ben van deze reputatie probeer ik elke vorm van bevestiging te vermijden. Ik gesel dus mijn neus in stilte (de zachtste zakdoekjes lijken van schuurpapier) en antwoord 'goed', elke keer als me gevraagd wordt hoe ik me voel. Desondanks kan ik niet voorkomen dat ik in een wanhopig zuchten uitbarst als ik met een totaal verstopte neus aan het avondeten zit. De mond blijft open (anders stik ik) en de oren klappen dicht (want ik moet ook slikken tussendoor). Ik voel me een alpinist op een van de hoogste flanken van de K2 die dankzij een dichte mist niet van het uitzicht kan genieten.

Dat lijden van ons, mannen, heeft ons door de jaren al menigmaal het schaamrood op de kaken gebracht. Want onze vrouwen, de echtgenotes, verloofdes, vriendinnen, ja zelfs de moeders (!), verdragen ons geklaag, gesteun en zacht gekerm (dat laatste op de momenten dat we voelen dat we nu echt aan het doodgaan zijn, een geluid van overgave) met dat engelengeduld dat alleen zij voor ons op kunnen brengen, maar o wee, hoedt je voor het eerstvolgende verjaardagsfeestje op de kalender. Daar wil je als man helemaal niet naartoe, maar je moet. Dat zit nu eenmaal vast aan het overleven aan een massale aanval van de meest verschrikkelijke virussen. Maar je wilt niet, want je weet wat daar gaat gebeuren...
Een tijdje laat ze je in de waan dat HET onderwerp niet aangeroerd gaat worden, je draagt immers zelf een zee aan alternatieven aan, geestdriftig, inlevend, en op den duur zelfs met een spoor van zelfvertrouwen. Maar dan, TSJAK!!! ,,O ja, Ron heeft ook zijn verkoudheidje gehad. Iets van anderhalve dag, maar het leek wel of hij dood ging!!!''
Kennen jullie dat?

Er is echter een andere kant van de medaille, en die heet de blues. De blues, de misère in het kwadraat, de ellende bezongen op een manier die zelfs onze scheppers doet in een bui van bittere tranen uit doet barsten. De blues, vrucht van de gevoelens van een man. Wie anders dan een man kan of wil immers de ellende nog ellendiger ondergaan dan ze al is? Niemand. Alleen de man is daartoe in staat, en daarom moet de blues dus wel door een man zijn uitgevonden.



Eén van mijn absolute favorieten van het genre is Blind Willie Johnson. Alles aan de, op 22 januari 1897 in Brenham (Texas) geboren Johnson is blues. Zijn hele leven is blues.
Willie's moeder overleed toen hij nog klein was en zijn vader trouwde een andere vrouw. Tijdens een ruzie tussen pa Johnson en zijn tweede vrouw wierp deze laatste een handvol natronloog in het gezicht van de kleine Willie. Hij was toen zeven jaar oud en, als gevolg van het bijtende goedje in zijn ogen, blind voor de rest van zijn leven.
Zijn vader stuurde Willie vaak de straat op om wat geld bij elkaar te zingen. Hij begeleidde zichzelf daarbij op een zogenaamde sigarendoos-gitaar. Hoewel er zo'n 30 registraties van Blind Willie Johnson zijn is de straat altijd zijn podium gebleven. Een podium waarop het slecht verdienen was. Toen zijn bouwvallige huis in Beaumont in 1945 afbrandde was er geen geld om ergens anders te gaan wonen, en zo sleet Mr. Blues zijn dagen op en rond de ruïnes. Na twee maanden kreeg hij malaria. Het ziekenhuis weigerde hem vanwege zijn huidskleur en zo overleed Blind Willie Johnson op 18 september van dat jaar.




I muzzle my nose,
I couch,
I couch,
I spit,
and I sneeze.
Oh, the end,
it will not take long anymore
upto the end,
the end of the influenza blues

Hondenleven (13 december 2010)

Op zoek naar en wachtend op een nieuwe baan vul ik mijn tijd intussen met huisman te zijn. Een zwaar onderbetaald werk, dat nooit ophoudt.

Tijdens het laatste rondje voor het slapen gaan heeft een van onze honden, Cicia, zich gisteravond geprikt aan een rozestruik. Ik had er niets van gemerkt, maar vanmorgen plakte er een spoortje geronnen bloed op haar linker oor. Even schoonmaken met een wattendoekje en lauw water, en ontsmetten natuurlijk. Onze bejaarde dame ondergaat het alsof ze vreselijk gestraft wordt. Staart tussen de poten, oren in de nek, wat het er niet gemakkelijker op maakt. Onze andere viervoeter, Oronzo, is tijdens dergelijke operaties in geen velden of wegen te zien. Af en toe verschijnt zijn kop even wantrouwig vanachter de bank om te kijken of het leed al geleden is.
Ook wat kleine spikkeltjes bloed op een paar plavuizen. Daar zal ik me na het rondje met Cicia en Oronzo over het dorp aan wijden.

Wat kleine spikkeltjes bloed op een paar plavuizen. Hé, voor de voordeur een vage afdruk van een schoen. De mijne. Voeten vegen, Ron! In de keuken ontdek ik wat kruimels die Oronzo over het hoofd heeft gezien. En voor ik het weet ben ik dus het hele appartement aan het dweilen. Dit, na eerst goed gestofzuigd te hebben natuurlijk.
De honden houden er niet van als er gestofzuigd en gedweild wordt. Verstoord kijken ze me vanuit hun mand aan terwijl ik met het zweet op het voorhoofd aan het zwoegen ben. Vooral Oronzo is een meester in het tot uitdrukking brengen van zijn hondegedachten. Of ik dat niet een andere keer kan doen? Of ik niet zie dat hij en Cicia het op het ogenblik heel druk hebben met het verantwoord uitbuiken na het zojuist genoten (en door mij geprepareerde) ontbijt?



Buiten schijnt de zon. Een aangename 15 graden wijst de thermometer op het balkon aan. De krant ligt nog opgevouwen op de keukentafel, ik ben er nog niet aan toegekomen. De dweil verdwijnt in het sop. Wat zou nu precies de betekenis zijn van "een hondenleven leiden", vraag ik me af terwijl ik hem uitwring.

Kleur (25 november 2010)

Het laatste streepje op de benzinemeter knippert, maar het is niet ver tot aan de distributore in het dorp. Geen self-service, althans niet overdag. Behalve benzine verkoopt hij ook fietsen, en een aangename babbel. Over het weer; sommige dingen zijn op een aangename manier globaal.

Een zwaar, miezerige tranen huilend wolkendek heeft zich opengetrokken. Penseelstreken azuur verdringen het grijs steeds verder naar de horizon. De novemberzon brengt wat kleur. Desondanks blijft een ritje langs wat bedrijven in de buurt heel deprimerend. Pessimisme over de toekomst valt af te lezen van de kale traptreden die naar de receptie leiden van een producent van verpakkingsmateriaal. ,,Maar we zijn in cassa integrazione'', zegt de jongeman aan de balie klagerig. Cassa integrazione, arbeidstijdverkorting, het woord van de dag in het Italië van vandaag. Bij een transportbedrijf kost het me zelfs moeite om ze mijn curriculum vitae in ontvangst te laten nemen. Als ze zien dat ik ook Duits spreek gaan ze toch overstag. Een sprankje hoop. Bij twee andere bedrijven is de sfeer niet veel beter: buiten rode vlaggen van de vakbonden op de omheining, binnen een stilte als in een grafkamer. Maar bij beiden een knappe secretaresse, heel aardig bovendien, die alle problemen met een glimlach naar de achtergrond lijken te kunnen schuiven.

Op de terugweg even wat boodschappen doen bij de Coop. "La Coop sei tu", is het motto van deze supermarktketen. De Coop ben jij. O ja? En waarom heb ik dan drie merken zout, drie merken peper, drie merken basilicum in mijn kruidenrek staan terwijl de wat minder alledaagse kruiden nergens te vinden zijn? Frisdrank, eten voor de honden, melk, margarine, rijst, pasta. Geen groenten, want die smaken bij de supermarkt over het algemeen naar weinig. Daarvoor ben ik gisteren al naar de maandagmorgenmarkt geweest in het dorp.

De honden zijn blij als ik thuis kom. Zij vinden het best fijn me de hele dag over de vloer te hebben. De bloemen op de salontafel pareren het gekwispel van staarten.



Zoals elke dag heb ik de tijd om de krant van a tot z uit te pluizen. Ierland wankelt, en de euro is een dubbeltje op zijn kant. De regeringscrisis in Italië, Berlusconi. Het grootste deel van Italië is Berlusconi beu, maar de zakenman weet zich ondanks alles nog steeds gesteund door 30 procent van de Italianen. De overige 70 procent wil niets meer over Berlusconi lezen, journalisten willen niets meer over Berlusconi schrijven, maar schijnen een chronisch probleem te hebben om andere onderwerpen op de voorpagina's te plaatsen. De Bologna-bijlage wordt gevuld met de financiële problemen van de plaatselijke voetbalclub en de plaatselijke politieke problemen van de Partito Democratico. Ook in Bologna wil iedereen het binnen de grootste oppositie-partij het voor het zeggen hebben, waardoor het maar steeds niet duidelijk kan worden wat de werkelijke richting van de PD is.

Tijd om aan het avondeten te gaan denken. Vandaag wordt het een bella peperonata mediterranea. Bella, want met de vier paprika's die je er voor nodig hebt ben je ervan verzekerd dat je iets kleurigs op tafel zet. Het oog wil tenslotte ook wat.
Vier paprika's dus, wat volgens het kookboek genoeg zou moeten zijn voor vier personen maar waar ik mijn vraagtekens bijzet. Ze hadden geen groene op de markt, dus heb ik maar twee gele en twee rode gekocht. De stengel eraf, het "klokhuis" en de pitjes eruit (wat een priegelwerk!) en de rest vormt, in vrij grote stukken gesneden, de basis voor dit gerecht.
Geen idee waarom, maar als ik tomaten koop kom ik meestal thuis met van die kleintjes. Kersentomaatjes. Natuurlijk zijn ook andere tomaten goed voor de peperonata, maar ik doe het dus met kersentomaatjes. Een halve kilo, die ik, ook al zijn ze klein, nog eens op halve stukjes snijdt.
Sinds ik een paar maanden geleden mijn pink eens flink heb opengehaald bij het op schijfjes schaven van een courchette heb ik de groentesnijder naar de verste vergeethoek van een van de keukenlaadjes verbannen. Met een mesje duurt het wel wat langer, maar ik voel me een stuk veiliger. Desondanks zijn de tranen die ik uit bij het op schijven snijden van een ui geen tranen van emotie, maar gewone tranen die vrij schijnen te moeten komen bij het snijden van een ui. Oronzo, onze kleinste hond, die tot nu toe naast me heeft zitten wachten of er misschien iets eetbaars van het aanrecht valt houdt het bij het ruiken van de ui voor gezien en vertrekt naar zijn mand.
Ik ben bijna klaar met de voorbereidingen. Nog een teentje knoflook snipperen en de braadpan kan op het vuur. Vijf eetlepels olijfolie (extra vergina natuurlijk), waarin ik vijf ansjovisjes "smelt", om een originele culinaire term van mijn vriend Paul te gebruiken. Zoals altijd spetteren ze als een gek. De miniscule druppeltjes hete olie op mijn hand doen me elke keer weer denken aan die keer dat ik, toen ik nog klein was, onderuit ging met mijn fiets en een flinke bos brandnetels mijn val wist te breken. Vlug het vuur wat lager en de ui en de knoflook erbij. De keuken vult zich met de heerlijke geur van gebakken ui. Gek dat zoiets simpels me het water in de mond doet lopen.
Als de ui begint de kleuren gooi ik de tomaatjes en de paprika erbij en het grootste deel van het werk zit erop. Ik draai het vuur op z'n laagste stand, voeg zout toe en roer de groenten door elkaar. Dan gaat het deksel op de pan om alles in een half uurtje gaar te laten koken.

Ook al sta ik graag in de keuken, ik ben nog steeds geen zelfverzekerde kok. Ik blijf altijd in de buurt van het fornuis "voor het geval dat" en in de tussentijd lees ik een boek. Op het ogenblik ben ik bezig aan de laatste van Michel Houellebecq, "De kaart en het landschap" waarvoor hij dit jaar bekroond is met de Prix Goncourt. Aan het eind van elke bladzijde ontbreek ik hem even om in de pan te roeren. Dat lijkt veel, maar ik lees in het Italiaans en mijn leesritme is ook na dertien jaar nog niet wat het in het Nederlands is. Alles pruttelt tevreden, de paprika's, de tomaatjes, de uien en ikzelf.
Ook Houellebecq pruttelt, maar iets minder tevreden. Hij heeft zichzelf naast de hoofdpersoon Jed Martin een rol gegeven in "De kaart en het landschap" en zet zich als een einzelganger neer, pessimist en gemakkelijk vatbaar voor depressies van ongekende diepte.
Na 25 minuten haal ik het deksel van de pan om te proeven en eventueel nog wat zout toe te voegen. Maar dat laatste is niet nodig. Perfekt, ook al zeg ik het zelf. Ik laat het deksel van de pan om het overtollige vocht gedurende de laatste vijf minuten te laten verdampen en als de kookwekker afloopt draai ik het gas uit. Het is nog even wachten totdat Lief thuiskomt, maar dat is niet erg. De peperonata moet niet heet zijn als je het serveert. Waarmee? Rijst of cous-cous? Daar ben ik nog niet helemaal uit.



Het is inmiddels half vijf. Tijd voor een rondje met de honden, voordat het donker wordt.
De lucht kleurt rood aan de einder. Vogels kwetteren in een boom alsof het een lente-avond is. De eerste sterren plinken echter al in een snel donker wordende hemel. Het is november, bijna winter en voor vrijdag verwacht men de eerste sneeuw. Althans, zo heeft de pompbediende me vanmorgen vertelt.

Dingen die ik nooit alleen zou doen (20 november 2010)

Het was op een dag na precies tien en een half jaar geleden dat ik met Kevin naar Maranello was geweest. April 2000, hij was nog net geen zeven.

Ik ben net verhuisd als mijn zoon een weekje komt logeren. Kev is inmiddels zeventien, zit in het eindexa- menjaar en heeft tentamens. En herfst- vakantie. En vele interesses die niet echt met de mijne overeen komen. Maar we bepalen samen de uitstapjes en zo doe ik dingen die ik normaal gesproken alleen nooit zou doen. Zoals nog eens terug gaan naar de Galleria Ferrari in Maranello.








En het was leuk!

Waar de kinderen slapen (4 november 2010)

De foto's zijn ooit gemaakt met een Kodak. Niet digitaal, niet bijgewerkt, de ene keer wat overbelicht, een andere keer wat donker. Het rolletje ontwikkeld, in in de loop van de jaren steeds fletser geworden levensechte kleuren afgedrukt op glanzend fotopapier. Met een wit randje eromheen.
Het zijn de foto's van mijn slaapkamertje waar ik vanuit mijn wiegje het donker van de nacht vulde met de rustige ademhaling van een nieuwe wereldburger die de toekomst met vertrouwen vooruit ziet. Totdat er zich iets op begon te spelen wat ik nog geen naam kon geven, maar wat, zoals later bleek, honger heette en ik de halve Bernhardstraat bij elkaar brulde.

Het kamertje en de wieg zijn eenvoudig. Zachte kleuren; mijn vader had zelfs de deur in een lichtgeel jasje gekwast. De gordijnen, de commode, zelfs de pot, alles in een rustgevend en geruststellend pastel. Dezelfde kleuren die ik 32 jaar later tegenkwam in het met zorg ingerichte slaapkamertje van mijn pasgeboren zoon.
Voor iedere ouder is de slaapkamer van een nieuwkomer uniek, maar meestal is het tegendeel werkelijkheid. De zuigeling die in zijn bedje op zijn of haar duim ligt te sabbelen, die is uniek. Maar de slaapkamertjes waarin de wiegjes staan zijn vaak - om in de sfeer te blijven - één pot nat en een spiegel van wat de bladzijden van de thematijdschriften vult.
Pas na verloop van jaren krijgt het kamertje karakter. Babykamer wordt kinderkamer, kinderkamer wordt tienerkamer, tienerkamer wordt puberkamer, en geleidelijk wordt zichtbaar wie daar werkelijk leeft. Niet de ouders, niet de hoofdredacteur van 'Ouders van nu', maar een jong leven dat zijn of haar karakter vormt, zijn of haar interesses ontwikkelt en die bijstelt op het moment dat dat uitkomt.
Op mijn kamertje herinner ik me vaag de eerste platen van Pluto, Donald Duck en Dombo. Helderder is de periode dat ik op het voetballen ging en de striphelden plaats maakten voor alle elftallen van de eredivisie, waarvan er uiteindelijk één club overbleef. Gefiguurzaagde (of is het figuurgezaagde?) vliegtuigjes aan het plafond en op de boekenplank. Totdat de muziek zijn intrede deed. The Sweet en The Osmonds (inclusief Mary!) waren mijn eerste groepen. Gelukkig kreeg ik snel door dat er meer onder de zon was en de glitterpop-posters gingen van de muur die van een oogverblindend paars behangetje en Jim Morrison, Jimmy Hendrickx, The Stones, Che Guevara werd voorzien. Schaars geklede dames wurmden zich na verloop van tijd tussen deze groten der aarde en het hele stel begeleidde me door de pubertijd heen.
Mijn kamer had karakter gekregen, mijn karakter.




In zijn boek "Where children sleep", dat deze maand ook in Italië uitkomt, heeft James Mallison (in 1973 geboren in Kenya, opgegroeid in Engeland en sinds 2003 woonachtig in Venetië) 56 kinderen uit 24 landen gefotografeerd, en daarbij hun  slaapkamer. Een hele mooie serie, waarin de fotograaf niet alleen de slaapkamer aan haar bewoner koppelt maar ook aan het land en de omstandigheden waarin het kind opgroeit.
,,Ik hoop dat de foto's en de verhalen daarbij vooral kinderen aanspreken zodat gelukkige kinderen (zoals ik was) misschien meer waarderen wat ze hebben'', zegt Mallison in zijn voorwoord. ,,Maar ik hoop vooral dat het boek de kinderen aanzet om over de ongelijkheid in de wereld te denken.''

Hieronder enkele foto's uit "How children sleep" en de bijbehorende tekst.

Kaya, four, lives with her parents in a small apartment in Tokyo, Japan. Her bedroom is lined from floor to ceiling with clothes and dolls. Kaya’s mother makes all her dresses – Kaya has 30 dresses and coats, 30 pairs of shoes and numerous wigs. When she goes to school, she has to wear a school uniform. Her favourite foods are meat, potatoes, strawberries and peaches. She wants to be a cartoonist when she grows up.

Jasmine (‘Jazzy’), four, lives in a big house in Kentucky, USA, with her parents and three brothers. Her house is in the countryside, surrounded by farmland. Her bedroom is full of crowns and sashes that she has won in beauty pageants. She has entered more than 100 competitions. Her spare time is taken up with rehearsal. She practises her stage routines every day with a trainer. Jazzy would like to be a rock star when she grows up.

Home for this boy and his family is a mattress in a field on the outskirts of Rome, Italy. The family came from Romania by bus, after begging for money to pay for their tickets. When they arrived in Rome, they camped on private land, but the police threw them off. They have no identity papers, so cannot obtain legal work. The boy’s parents clean car windscreens at traffic lights. No one from his family has ever been to school.

Dong, nine, lives in Yunnan province in south-west China with his parents, sister and grandfather. He shares a room with his sister and parents. The family own just enough land to grow their own rice and sugarcane. Dong’s school is 20 minutes’ walk away. He enjoys writing and singing. Most evenings, he spends one hour doing his homework and one hour watching television. When he is older, Dong would like to be a policeman.

Indira, seven, lives with her parents, brother and sister near Kathmandu in Nepal. Her house has only one room, with one bed and one mattress. At bedtime, the children share the mattress on the floor. Indira has worked at the local granite quarry since she was three. The family is very poor so everyone has to work. There are 150 other children working at the quarry. Indira works six hours a day and then helps her mother with household chores. She also attends school, 30 minutes’ walk away. Her favourite food is noodles. She would like to be a dancer when she grows up.

Roathy, eight, lives on the outskirts of Phnom Penh, Cambodia. His home sits on a huge rubbish dump. Roathy’s mattress is made from old tyres. Five thousand people live and work here. At six every morning, Roathy and hundreds of other children are given a shower at a local charity centre before they start work, scavenging for cans and plastic bottles, which are sold to a recycling company. Breakfast is often the only meal of the day.

Thais, 11, lives with her parents and sister on the third floor of a block of flats in Rio de Janeiro, Brazil. She shares a bedroom with her sister. They live in the Cidade de Deus (‘City of God’) neighbourhood, which used to be notorious for its gang rivalry and drug use. Since the 2002 film City of God, it has undergone major improvements. Thais is a fan of Felipe Dylon, a pop singer, and has posters of him on her wall. She would like to be a model.

Nantio, 15, is a member of the Rendille tribe in northern Kenya. She has two brothers and two sisters. Her home is a tent-like dome made from cattle hide and plastic, with little room to stand. There is a fire in the middle, around which the family sleep. Nantio’s chores include looking after the goats, chopping firewood and fetching water. She went to the village school for a few years but decided not to continue. Nantio is hoping a moran (warrior) will select her for marriage. She has a boyfriend now, but it is not unusual for a Rendille woman to have several boyfriends before marriage. First, she will have to undergo circumcision, as is the custom.

Douha, 10, lives with her parents and 11 siblings in a Palestinian refugee camp in Hebron, in the West Bank. She shares a room with her five sisters. Douha attends a school 10 minutes’ walk away and wants to be a paediatrician. Her brother, Mohammed, killed himself and 23 civilians in a suicide attack against the Israelis in 1996. Afterwards the Israeli military destroyed the family home. Douha has a poster of Mohammed on her wall.

Tzvika, nine, lives in an apartment block in Beitar Illit, an Israeli settlement in the West Bank. It is a gated community of 36,000 Haredi (Orthodox) Jews. Televisions and newspapers are banned from the settlement. The average family has nine children, but Tzvika has only one sister and two brothers, with whom he shares his room. He is taken by car to school, a two-minute drive. Sport is banned from the curriculum. Tzvika goes to the library every day and enjoys reading the holy scriptures. He also likes to play religious games on his computer. He wants to become a rabbi, and his favourite food is schnitzel and chips.

Lamine (above), 12, lives in Senegal. He is a pupil at the village Koranic school, where no girls are allowed. He shares a room with several other boys. The beds are basic, some supported by bricks for legs. At six every morning the boys begin work on the school farm, where they learn how to dig, harvest maize and plough the fields using donkeys. In the afternoon they study the Koran. In his free time Lamine likes to play football with his friends.

Joey (below), 11, lives in Kentucky, USA, with his parents and older sister. He regularly accompanies his father on hunts. He owns two shotguns and a crossbow and made his first kill – a deer – at the age of seven. He is hoping to use his crossbow during the next hunting season as he has become tired of using a gun. He loves the outdoor life and hopes to continue hunting into adulthood. His family always cook and eat the meat from the animal they have shot. Joey does not agree that an animal should be killed just for sport. When he is not out hunting, Joey attends school and enjoys watching television with his pet bearded dragon lizard, Lily.

Bronnen:
- La Repubblica
- Telegraph



maandag 7 februari 2011

Via 2 Giugno (2 juni 2009)

Op 2 juni is het feest in Italia, la Festa della Repubblica, het Feest van de Republiek.
Ik – en velen met mij – heb altijd gedacht dat de republiek op deze datum was uitgeroepen, maar dat is niet juist. Op 2 juni 1946 werd de uitslag bekend van het referendum waarin de Italianen het koningshuis definief lieten vallen en de monarchie dus plaats maakte voor de Italiaanse republiek. Deze werd uiteindelijk op 18 juni van dat jaar uitgeroepen.


In Via 2 Giugno is weinig te merken van het feest. Er is wat minder verkeer dan normaal van moeders die hun kinderen op de fiets of te voet naar school brengen. Wat inhoudt dat het heel stil is. Ons deel van de Via 2 Giugno is namelijk niet meer dan een zand- en kiezelpad vol putten en gaten, en wordt daarom over het algemeen gemeden door de auto’s.



De enige levende ziel is Signor Tomasi die in zijn groentetuin aan het werk is. Er zijn er veel hier in de buurt die Tomasi heten.
Signor Tomasi is al ver in de tachtig, maar slaat geen dag over in zin ‘orto’. En hij maakt graag een praatje. ‘Le patate’ blijken het niet goed te doen dit jaar. Te weinig water. Mei is immers de droogste mei sinds decenni geweest en de halve dag regen van afgelopen zondag heeft weinig effect gehad. Thuis heeft signor Tomasi zijn tomaten staan. ,,De grond onder de planten is droog’’, vertelt hij. ,,Zelfs na de regen.’’
,,Maar de bonen doen het goed’’. Trots wijst hij op de drie rijen bonen die hij een aantal weken geleden geplant heeft.

Dan, met een blik op de grasmaaier die ik klaar gezet heb. ,,Maar het is feest vandaag. Je zou niet moeten werken.’’ Ik neem hem mee achter ons huis, de tuin in, waar een meer dan weelderige grasmat onder de zon in de wind zijn sprieten doet wuiven. Hij knikt begrijpend. ,,Ja, misschien toch beter dat je daar wat aan doet.’’
Ik nodig hem uit voor een koffie. ,,Heel even dan’’, zegt signor Tomasi. ,,Ik moet namelijk de druiven gaan draaien bij een vriend van me.’’ De koffie laat niet lang op zich wachten. In de tussentijd legt hij me uit dat ze de druiven af en toe draaien om ze allemaal evenveel van de zon te laten profiteren.
De koffie gaat erin als gods woord in een ouderling. Hij bedankt ons en weg is hij. Voordat hij in zijn Punto stapt roept hij: ,,Jullie lusten toch bonen, hè?’’

zondag 6 februari 2011

Een kaartje uit... Amsterdam (8 mei 2009)

Terug naar Westdorpe (1).
 



Terug naar Westdorpe. Een weekje lage landen.

Amsterdam stond aanvankelijk slechts als passage op ons programma, onderweg van Schiphol naar Westdorpe. Maar een vriendin vertelde dat we de tentoonstelling "Van Gogh en de kleuren van de nacht" niet over mochten slaan.
Het is zaterdagavond, rond de klok van zeven. In Italië viert men de bevrijding, en wij staan weer op het Stationsplein. Zoals precies een jaar geleden. Achter ons het centraal station, als een kloppend hart. Moegeshopte gezinnen, de handen vol tassen, verdwijnen door de openstaande deuren naar binnen. Toeristen en zaterdagavondstappers komen naar buiten, de voorpret en verwachting als een rode blos op de wangen. Voor ons de halte van de tram, en iets verderop aan het Damrak de put, die wat grootte en diepte weinig lijkt te hebben ingeboed ten opzichte van vorig jaar.
Welke lijn was het ook alweer, de 1 of de 11? Het blijkt uiteindelijk lijn 2 te zijn.

Het Leidseplein gonst. Een groep van vijf breakdancers (heten die nog zo?) maakt het publiek enthousiast. Achter de toeschouwers trappen wat jochies anoniem een balletje. Een ouwere passant houdt de bal even hoog als die zijn kant oprolt. De romantiek van het straatvoetbal, ook dat hoort bij Amsterdam.
We drinken een pilsje op een terras voordat we binnengaan bij Stoop & Stoop. Het is er goed, gezellig en dus altijd vol, maar na vijf minuten is er een tafeltje vrij. Naast ons twee ouders met hun zoon van een jaar of vijftien. De jongen doet me aan mijn zoon denken. Een beetje onwennig in het grote lichaam dat het nog gedeeltelijke kinderhart verbergt. Verlegen lijkt het, maar ik geloof niet dat dat het is. Als ze betaald hebben wordt hun plaats ingenomen door twee vriendinnen, die elkaar lang niet gezien hebben. Ze hebben veel te bespreken, oude liefdes, nieuwe liefdes, collega's, het werk. Ze hoeven niet te fluisteren met twee Italianen aan het tafeltjes naast zich.
Als we met een voldaan spinnende maag terug naar ons hotelletje lopen is het donker, maar de stad bruist en de terrasjes zitten vol. De breakdancers zijn vertrokken, en de voetballertjes zitten waarschijnlijk thuis te 'gamen'. Hun plaats is ingenomen door een cellist die nog moet beginnen, of misschien al klaar is met zijn optreden. Zijn instrument wacht gelaten op de dingen die komen gaan, de stok of de kist.


Al een paar keer is het ons gelukt een hotelletje bij het Vondelpark te vinden. Dat heeft iets speciaals, op de vroege ochtend door het park naar het centrum wandelen. De vogels begroeten fluitend het begin van de dag, trimmers demonstreren onverbloemd de vele stijlen van het zich in looppas voortbewegen, ieder apart uitnodigend tot wat fantasieën over hoe hij of zij buiten het trainingspak door het leven gaat. Ik neurie Acda en De Munnik.
Voor het Van Gogh Museum staat om iets over negen al een lange rij. Het miezert en we hebben weinig zin ons aan te sluiten. Er zijn vast en zeker andere musea met een kortere wachttijd.




We kiezen voor het FOAM. De vaste collectie heeft het veld moeten ruimen voor de tentoonstelling "Richard Avedon: Photographs 1946 - 2004", maar dat blijkt helemaal niet erg te zijn. Het is een schitterende collectie, waarin te zien is hoe het werk van de eigenzinnige Avedon zich in de jaren heeft ontwikkeld. Van vernieuwend modefotograaf tot zijn ontwapende portretten, waarin hij de ziel van zijn onderwerpen bloot weet te leggen.
Zien eten doet eten, zeggen ze wel eens. Dat is een beetje hetzelfde met fotograferen. Als ik na een weekje Lage Landen thuiskom blijk ik 541 fotootjes gemaakt te hebben. Ik ben min of meer een op-goed-geluk-fotograaf en ik weet, als hiervan één procent redelijk van kwaliteit is, dan is het meegenomen.

Verderop aan de Herengracht, op nummer 497, huist het KattenKabinet. Naast de kassa zit een kat, die zich gewillig laat aanhalen. Op de trap naar de eerste verdieping worden we voorbijgestoken door een tweede kat, op een bankje ligt een derde een uiltje te knappen en een vierde zit lodderig in de vensterbank naar buiten te kijken. Tot zover de levende hoofdrolspelers in dit bijzondere museum. De collectie is heel bijzonder met Picasso en Henri de Toulouse-Lautrec als meest in het oog springende namen. De kat in de kunst, in de reclame, in de literatuur. Een hele brede horizon.

De regen wijkt heel geleidelijk voor hier en daar een opklaring met zelfs af en toe een stukje blauw en een zonnestraal. Lanterfanteren in Amsterdam. De lekker dikke zaterdag-Volkskrant, sleutelhangers met klompjes voor vrienden en collega's, kaartjes, poffertjes aan de Stadhouderskade, een bundel van Martin Bril, foto's, klik, klik, klik.
























En dan Van Gogh. Kleuren van de invallende avond, kleuren van de nacht. De aardappeleters, de zaaiers,
de sterrennacht. Magie. Het eerste doek en het laatste lijken bijna niet door dezelfde persoon geschilderd. Ertussen ligt een geschiedenis, een ontwikkeling, die in de tentoonstelling prachtig in beeld wordt gebracht. Enkele fragmenten van Vincents brieven aan broer Theo geven weer hoe de schilder worstelde naar een, voor hem dikwijls minst onbevredigende eindresultaat. Ik zou hier vele uren rond kunnen lopen, maar er resten er slechts anderhalf tot aan sluitings- en etenstijd.

Van Gogh heeft weinig grote doeken geschilderd. Zijn meeste werken zouden wat oneerbiedig 'schilderijtjes' genoemd kunnen worden. Ook mijn pas aangeschafte aanwinst van Martin Bril zit vol schilderijtjes, maar dan anders. Op een terrasje blader ik "Het verdwenen kruispunt" door. Bril schrijft dorpstafereeltjes, polderlandschappen, Nederland, op een bijna tastbare manier. In Nuenen, waar Van Gogh gewoond heeft, neemt hij plaats bij het raam van Café De Zwaan.

,,In het park, tussen de lindebomen, staat een beeld van de getormenteerde schilder. Het lijkt niet, maar waarom zou het?
...
Sky Radio brengt intussen de nieuwste Madonna, twee mannen die op De aardappeleters niet zouden misstaan komen De Zwaan binnen en bestellen luidkeels 'een bokske'."


Voor ons geen 'bokske', maar een gewoon pilsje bij café Dante. De Italiaanse Lonely Planet heeft het over een galerie op de eerste verdieping met werk van Herman Brood. Ongelovig loop ik de trap op, en ja hoor, daar hangen ze. Felle kleuren, primitieve figuren alsof ze rechtstreeks uit een hallucinerende droom gestapt zijn. Was dit zijn wereld? Voor we verder gaan drinken we er nog eentje, op Herman.

Amsterdam lijkt op te houden als je de deur van het Indonesische restaurant Cilubang achter je dichttrekt. Ik ken niet veel restaurants in Amsterdam, maar van degene die ik ken is dit mijn favoriet. Het lijkt of je op bezoek bent bij een verre oom en tante, gastvrij en dichtbij. Een hand op je schouder, het omroeren van de gerechten op tafel om uit te leggen wat het precies is. Elke maaltijd lijkt speciaal voor jou bereid, met liefde, en dat proef je.
Muziek klinkt zacht op de achtergrond, maar is niet altijd afgestemd op de periode van het jaar. Nog vier dagen tot koninginnedag en halverwege de avond komt Bing Crosby op kousevoeten voorbij met 'White Christmas'. Ook dit hoort bij Cilubang.

Geen koffie na deze keer. Ook geen afzakkertje onderweg naar ons hotelletje. Morgen gaan we naar Utrecht en we willen vroeg vertrekken. Nu maar hopen dat het niet sneeuwt.

 

Foto (7 april 2009)

 

Deze foto maakte in 1998 met m'n eerste digitale camera. Hij is gemaakt in Abruzzo, maar ik weet niet meer precies waar. Het zou in L'Aquila geweest kunnen zijn, daar waar gistermorgen om half vier het episch centrum van de zwaarste aardbeving lag die Italië in de laatste honderd jaar getroffen heeft. Maar ik geloof het niet. Ik weet het niet zeker. We deden een weekje Abruzzo in de late zomer van het jaar waarin Marco Pantani zowel de Giro d'Italia als de Tour de France won. Op weg naar het zuiden waren we nog langs zijn woonplaats Cesena gereden, waar het geel en het roze als eerbetoon aan "il Pirata" de boventoon voerden. Het jaar ook waarin Frank Sinatra overleed, en Lucio Battisti. José Saramago won de Nobelprijs voor de literatuur. Het jaar waarin Juventus met Edgar Davids voor de 25e keer kampioen van Italië werd. In Nederland ging Davids' ouwe club Ajax met het kampioenschap aan de haal. Het tweede kabinet Kok zag het daglicht en Bløf brak door met "Liefs uit Londen".
Op 4 februari 1998 trof een aardbeving met een kracht van 6.1 op de schaal van Richter het noorden van Afghanistan waarbij 5000 mensen om het leven kwamen. Op 30 mei beefde de aarde weer in hetzelfde gebied en nog een 5000 Afhanen overleefden de schok niet. Ook in het zuiden van Italië werd dat jaar een "terremoto" geregistreerd. Een schok met een kracht van 5.3 trof op 9 september Basilicata en Calabria. Er was één dode te betreuren. Het aantal slachtoffers en de schade viel echter in het niets vergeleken met de aarbeving van bijna een jaar daarvoor toen in Umbria en Marche 11 mensen om het leven kwamen en het historische Assisi zwaar beschadigd werd.

Wij deden in de late zomer van 1998 dus een weekje Abruzzo en omgeving, en ik herinner me vooral de aangename temperatuur en de diepe kleuren van de avondzon op het strand van Grottammare. Ik herinner me het nationale park "Gran Sasso", de bergen waarvan de toppen schuil gingen in de grijze wolken van een regenachtige woensdagmiddag. Ik herinner me de dorpjes in de late zomerzon, een broodje in de schaduw van een boom op een plein, het rustige leven wat aan mijn ogen voorbijtrok. En ik herinner me de man op de foto. Ik weet zelfs nog precies wat ik zei toen ik hem zag zitten. ,,Zo wil ik ooit ook mijn pensioen beleven.''

Toen ik gisteren het nieuws van de aardbeving in Abruzzo hoorde moest ik aan deze foto denken.

zaterdag 5 februari 2011

... en schaatser (11 januari 2009)

Als ik zo de internet-edities van de vaderlandse dagbladen doorblader lijkt de Elfstedenkoorts weer in volle hevigheid te zijn toegeslagen. Mijn speurtocht naar het laatste nieuws over de Tocht der Tochten maakt duidelijk dat het virus tot ver over de landsgrenzen reikt. Ik neem gemakshalve aan dat ik niet de enige Nederlander in het buitenland ben die het een beetje voelt kriebelen.
Ook in Italië wordt geschaatst, maar het is mondjesmaat. Compleet dichtgevroren meren liggen er spiegelglad maar maagdelijk bij. Een dergelijke ijsvloer, die in mijn omgeving gemakkelijk tot een dikte gaat van 30-40 centimeter, zou in Nederland ongetwijfeld het podium zijn waarop een massa schaatsliefhebbers hun rondjes 36, hun Cherryflips (niet te verwarren met de sherryflip), Lutzen, Salchovs, Rittbergers en Axels ten toon zouden spreiden. Op de bevroren plassen in Trentino heerst echter een diepe, winterse rust, een enkele uitzondering daargelaten.
Het kunstrijden kent wel wat aandacht, maar "ons" hardrijden op de schaats gaat hier schuil onder een gigantische ijsberg van desinteresse. Er is één officiële 400-meter baan in Italië en die bevindt zich in Baselga di Piné, een dorp met een kleine 4500 inwoners, 18 kilometer verwijderd van Trento. Je vindt er geen files als er de nationale kampioenschappen worden verreden. De reportage van ongeveer een minuut die het regionale tv-journaal over het evenement verzorgt toont als het echt druk is een menigte van anderhalve man en een paardekop. Ofwel "un uomo e mezzo e una testa di cavallo", want het zijn tenslotte de Italiaanse nationale kampioenschappen hardrijden op de schaats. Grote namen als Roberto Sighel en Enrico Fabris (de eerste woont in Baselga di Piné, de tweede in Asiago, op het randje van de provincie Trentino) klinken als je ze in Nederland uitspreekt, maar in Italië worden wenkbrauwen vragend opgetrokken als je de wereld- en olympische kampioenen vernoemt. ,,Chi?'' ,,Wie?''

De Elfstedentocht die mij het meest bijstaat is die van 1986. En niet alleen omdat Evert van Benthem op die 26e februari geschiedenis schreef door in een tijd van 6 uur, 55 minuten en 17 seconden voor de tweede opeenvolgende keer als winnaar op de Bonkevaart in Leeuwarden over de finish te gaan. De 14 editie van de 199.600 meter lange slooptocht is voor mij vooral onvergetelijk geworden dankzij een toenmalige collega van me, die ik hier Piet zal noemen omdat hij zo heet. Piet heeft niet meegedaan, maar was na 1985 zo in de ban geraakt van de tocht dat hij een jaar later vrij wilde nemen om de hele rit rechtstreeks vanaf de bank in de behaaglijk warme huiskamer mee te maken. Helaas kon hij die donderdag geen snipperdag krijgen, maar dat was geen probleem. 's Morgens om zes uur bij de start drukte hij de ''rec'' van zijn videorecorder in en het spel kon beginnen. De televisie ging uit, er werd rustig ontbeten en met een goed gemoed vertrok Piet naar het werk. Om iets voor negen belde hij de eerste keer naar huis, voor het geval zijn echtgenote eens zou vergeten er een andere videoband in te steken. Piet was die dag een tevreden mens, en aan iedereen die het wel en niet horen wilde liet hij weten dat hij vanavond, of morgen en misschien ook nog eens zaterdag de hele tocht op zijn gemak zou kunnen bekijken. Elke meter. Om iets voor twaalven, ongeveer een uur voordat Van Benthem over de finish zou gaan, werd nog eens naar huis gebeld. En om drie uur nog eens, want Piet wilde ook de toerrijders aan zien komen. De bandenwisseling van zes uur 's avonds redde hij zelf door zich meteen na het werk met de snelheid van een in de laatste honderd meter op de hielen gezeten koploper van de Elfstedentocht naar huis te spoeden. Om negen uur werd voor de laatste keer die dag de de ''stop'' van de videorecorder ingedrukt, de ''eject'' volgde in één vloeiende beweging, heel even wachten tot de klep zich opende, band eruit, band erin, klep dicht, klik en klak, "rec". Een pitstop in de formule 1 was er niks bij.
Toen Piet de volgende morgen op het werk verscheen leek het of hij meteen om twaalf uur, aan het eind van de uitzending, aan zijn project - het in zijn geheel bekijken van de Elfstedentocht - begonnen was. Hij zag er moe uit, niet uitgeslapen en bovendien had hij een pesthumeur. Pas om een uur of tien kwam het hoge woord eruit: de Elfstedentocht was op Nederland 1 uitgezonden, maar de videorecorder had op Nederland 2 ingesteld gestaan.

Piet en ik werkten op een fabriek in Sluiskil, een fabriek die vroeger de Compagnie Neérlandaise de l'Azote heette. Vroeger betekent van 1929 tot 1963. Toen veranderde men van eigenaar en van naam. Later gebeurde dat nog twee keer, maar desondanks bleven en blijven veel oudere Zeeuws Vlamingen het bedrijf de Lazotte noemen. Dat is wel zo eenvoudig.
De Lazotte maakte vanaf het begin af aan kunstmest, en het schijnt dat je door een kleinigheidje te veranderen in het produktieproces al heel gauw en eenvoudig over kunt gaan tot de produktie van springstof. Toen Nederland in de Tweede Wereldoorlog door onze oosterburen werd bezet bleek de fabriek dan ook meer dan een gezonde dosis aan interesses op te wekken bij de Duitsers. Men wilde de fabriek maar wat graag weer opstarten, waar de Engelsen echter lucht van kregen en dus regelmatig wat bommen op de installaties uitstrooiden. Toen had men nog niet de beschikking over de uiterst geavanceerde precisiewapens die nu in omloop zijn. Het precisie-element in de bombardementen van toen was de piloot, één oog dichtgeknepen, het andere geopend en dan maar mikken. Dat ging wel eens fout natuurlijk, maar om nu te zeggen dat de resultaten tegenwoordig zoveel beter zijn dan toen. Ik heb er mijn twijfels over.
Op een mooie zomerdag in die oorlogsjaren was mijn moeder, een jaar of twaalf oud toen, er met een paar vriendinnetjes op de fiets op uitgetrokken. Vanaf Axel via de Steenovens naar Spui, en dan door de Koegorsstraat naar de Sassing en terug naar huis. Halverwege de Koegorsstraat kom je achterlangs de Lazotte, en daar barstte de hel los. Engelse vliegtuigen kwamen over en losten hun vracht, die bressen sloeg in opslagloodsen, vlammen sloeg uit ingewikkelde pijpleidingsystemen, putten sloeg in de omliggende akkers, en een anker sloeg voor het leven in de herinnering van drie meisjes. Hun fietsen lagen midden op de weg, en ze hadden beschutting gezocht in een droogstaande sloot, waar ze huilend en met de vingers in de oren afwachtten.
Toen de rust weerkeerde kropen ze uit hun schuilplaats en zonder nog een woord te zeggen fietsten ze als de wind terug naar huis. Ze konden - gelukkig - hun verhaal navertellen, en de bommen waren van de toekomstige bevrijder. Voor de rest, Sluiskil, Hamburg, Ramallah, Jerusalem, Gaza, wat is het verschil? Er liggen 65 jaar geschiedenis tussen, waarin schijnbaar weinig is geleerd en veranderd. Onschuldige burgers sneuvelen nog altijd, overal ter wereld.

Het laatste stukje op de fiets, langs de Sassing, de Grote Kreek, naar Axel. De Grote Kreek, waar ik 21 jaar later voor het eerst met de schaatsen aan op het ijs stond. Het feit dat nog eens precies 21 jaar later Van Benthem zijn tweede Elfstedentocht won mag gerust louter toeval genoemd worden.
Ook het feit dat een van de onderdelen van de kür bij het kunstschaatsen Axel genoemd wordt heeft niets te maken met het Zeeuwsvlaamse stadje waar ik ben opgegroeid, maar alles met de Noorse schaatser Axel Paulsen (1855-1938) die de sprong voor het eerst uitvoerde. De zeer eigenzinnige Paulsen was ook nog eens de beste hardrijder aan het eind van de negentiende eeuw, maar het is niet bekend of hij de sprong ook tijdens dit soort wedstrijden uitvoerde. Wel schijnt hij de de mijl eens achteruit gereden te hebben. In 1888 moet dat geweest zijn, op Hollands ijs. Zijn tijd was een meer dan verdienstelijke drie en een halve minuut.
Maar het Axel waar ik het over heb heeft nooit een stempel kunnen drukken op het kunstrijden, het hardrijden of enige andere wintersport. Ik realiseer me dat ik daar mede debet aan ben geweest. Met enige fantasie zou ik tot de conclusie kunnen komen dat ik het "klapschaatsen" heb uitgevonden (vernoemd naar het geluid waarmee ik tijdens mijn krabbelpartijen regelmatig met het zitvlak de harde ijsvloer beroerde), maar deze term komt slechts als zelfstandig naamwoord in de woordenboeken voor, en niet als werkwoord. Ik was geen talent op de gladde ijzers. Mijn rondjes 36,6 waren minuten in plaats van seconden. Het "tikkertje op ijs" was meer geliefd bij mijn vriendjes dan bij mij, waarschijnlijk omdat ik 'em altijd was en niemand te pakken wist te krijgen. Mijn grootste probleem was het stoppen, wat ik nooit onder de knie heb weten te krijgen. En dat is lastig bij het schaatsen. Je hebt dan twee keuzes. Of door blijven rijden totdat de dooi invalt of je in de walkant boren om op die manier tot stilstand te komen. Ik opteerde voor het laatste, temeer omdat ik daar na verloop van tijd wel enige bedrevenheid in kreeg. Het werd uiteindelijk mijn sterkste onderdeel van het schaatsen.

De winters uit mijn jeugd bezorgden gelukkig niet alleen ijs, maar ook sneeuw. Daar was ik meer in thuis. Op het groentje (ik geloof niet dat dat toen al zo heette) voor de deur van mijn achterbuurjongetje Kees kwam bij de eerste sneeuwval altijd een sneeuwpop te staan. Daarbij gingen we niet al te kieskeurig te werk. Het deerde ons weinig dat het egale wit van de drie bollen waarmee onder-, bovenlichaam en hoofd gevormd werden hier en daar wat donkerder kleurde dankzij de hondekeutels die zich ook op het groentje bevonden.
Bij ons iglo-project was dat anders. Hier wilden we alleen de witste sneeuw voor wat we met een kruiwagen overal vandaan haalden. Avond na avond werkten we eraan na schooltijd. Rond etenstijd kreeg het iets van een sterreclame. Bure Jannie maakte dikke witte boterhammen met pindakaas die ze ons door het raam aanreikte. Keesje en ik aten ze, gezeten op de vensterbank, op. Ze raakten geen keelgat, want honger hadden we gekregen van al dat werk. Voor ons glinsterde de basis van onze iglo in het gelige licht van de lantaarnpaal. Het zou helemaal af zijn geweest als er op dat moment iemand langs was gekomen...
,,Zo, jongens. Smaakt het?''
,,Hmm, hmm.''
,,Boterham met pindakaas zeker, hè?''
,,Ja, ze zeggen dat je er sterk van wordt, van pindakaas.''
,,Dan willen jullie vast wel architect worden, hè?''
,,En schaatser.''
,,Eet dan maar lekker door, jongens.''

Ik weet niet wat Keesje later is gaan doen voor de kost. Ik ben in ieder geval geen architect geworden. En al evenmin schaatser.