Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

dinsdag 22 februari 2011

Influenza blues (3 januari 2011)

Als een perfect getrainde estafetteploeg ging het van 2010 naar 2011. Lief had haar weekje 'rustig aan' tussen kerst en ouwejaar voor de volle honderd procent besteed aan het bestrijden van een virus dat onder de naam influenza door het leven gaat. Op oudejaarsdag leek het tij zich eindelijk te keren. Wat er in het kort op neerkwam, zo bleek die avond, dat ik het stokje over had genomen en niesend, hoestend en proestend aan het nieuwe jaar begon.
Een paar dagen en een stuk of tien aspirine c's later denk ik (hoop ik) dat ik niet verder ben gekomen dan een flinke verkoudheid. Maar - de vrouwen zullen dat ongetwijfeld hartstochtelijk beamen - wij mannen lijden ook daar onder als onder de zwaarste pest-epidemie uit de geschiedenis. Hoewel ik me bewust ben van deze reputatie probeer ik elke vorm van bevestiging te vermijden. Ik gesel dus mijn neus in stilte (de zachtste zakdoekjes lijken van schuurpapier) en antwoord 'goed', elke keer als me gevraagd wordt hoe ik me voel. Desondanks kan ik niet voorkomen dat ik in een wanhopig zuchten uitbarst als ik met een totaal verstopte neus aan het avondeten zit. De mond blijft open (anders stik ik) en de oren klappen dicht (want ik moet ook slikken tussendoor). Ik voel me een alpinist op een van de hoogste flanken van de K2 die dankzij een dichte mist niet van het uitzicht kan genieten.

Dat lijden van ons, mannen, heeft ons door de jaren al menigmaal het schaamrood op de kaken gebracht. Want onze vrouwen, de echtgenotes, verloofdes, vriendinnen, ja zelfs de moeders (!), verdragen ons geklaag, gesteun en zacht gekerm (dat laatste op de momenten dat we voelen dat we nu echt aan het doodgaan zijn, een geluid van overgave) met dat engelengeduld dat alleen zij voor ons op kunnen brengen, maar o wee, hoedt je voor het eerstvolgende verjaardagsfeestje op de kalender. Daar wil je als man helemaal niet naartoe, maar je moet. Dat zit nu eenmaal vast aan het overleven aan een massale aanval van de meest verschrikkelijke virussen. Maar je wilt niet, want je weet wat daar gaat gebeuren...
Een tijdje laat ze je in de waan dat HET onderwerp niet aangeroerd gaat worden, je draagt immers zelf een zee aan alternatieven aan, geestdriftig, inlevend, en op den duur zelfs met een spoor van zelfvertrouwen. Maar dan, TSJAK!!! ,,O ja, Ron heeft ook zijn verkoudheidje gehad. Iets van anderhalve dag, maar het leek wel of hij dood ging!!!''
Kennen jullie dat?

Er is echter een andere kant van de medaille, en die heet de blues. De blues, de misère in het kwadraat, de ellende bezongen op een manier die zelfs onze scheppers doet in een bui van bittere tranen uit doet barsten. De blues, vrucht van de gevoelens van een man. Wie anders dan een man kan of wil immers de ellende nog ellendiger ondergaan dan ze al is? Niemand. Alleen de man is daartoe in staat, en daarom moet de blues dus wel door een man zijn uitgevonden.



Eén van mijn absolute favorieten van het genre is Blind Willie Johnson. Alles aan de, op 22 januari 1897 in Brenham (Texas) geboren Johnson is blues. Zijn hele leven is blues.
Willie's moeder overleed toen hij nog klein was en zijn vader trouwde een andere vrouw. Tijdens een ruzie tussen pa Johnson en zijn tweede vrouw wierp deze laatste een handvol natronloog in het gezicht van de kleine Willie. Hij was toen zeven jaar oud en, als gevolg van het bijtende goedje in zijn ogen, blind voor de rest van zijn leven.
Zijn vader stuurde Willie vaak de straat op om wat geld bij elkaar te zingen. Hij begeleidde zichzelf daarbij op een zogenaamde sigarendoos-gitaar. Hoewel er zo'n 30 registraties van Blind Willie Johnson zijn is de straat altijd zijn podium gebleven. Een podium waarop het slecht verdienen was. Toen zijn bouwvallige huis in Beaumont in 1945 afbrandde was er geen geld om ergens anders te gaan wonen, en zo sleet Mr. Blues zijn dagen op en rond de ruïnes. Na twee maanden kreeg hij malaria. Het ziekenhuis weigerde hem vanwege zijn huidskleur en zo overleed Blind Willie Johnson op 18 september van dat jaar.




I muzzle my nose,
I couch,
I couch,
I spit,
and I sneeze.
Oh, the end,
it will not take long anymore
upto the end,
the end of the influenza blues

vrijdag 18 februari 2011

In de plassen springen (5 maart 2010)



Rutger Hauer had nog geen dingen gezien die wij, mensen, ons niet voor konden stellen. Paul Verhoeven's instinct was wellicht al 'basic', maar een rolprent daarover was nog ver weg.
Het was 1969. Acht jaar was ik, en ik keek naar Floris. Geproduceerd door Paul Verhoeven, met Rutger Hauer in de hoofdrol.




Rond dezelfde tijd was Pipi Langkous op televisie. Pippi was het bekendste geesteskind van Astrid Lindgren. Minder avontuurlijk, maar ook bij haar was ik een redelijk vaste gast. Het was een Zweedse serie, maar desondanks zagen we hem in het Nederlands. Net als Floris overigens, maar daar was dat normaal.

En dan was er ook nog een serie van een jaar eerder die 'Samen op 't eiland Zeekraai' heette. Ook naar een boek van Astrid Lindgren, en (dus) ook een Zweedse serie. Maar het grote verschil met Pipi Langkous was dat er in het gezin Melkerson wél Zweeds werd gesproken door vader Melker, dochtertje Malin en de zoontjes Nico, Johan en Pelle.
Dat maakte indruk op me. Veertig jaar na dato hoor ik Malin nog de hond roepen: ,,Bootsman, Bootsman!'' En tegen haar broertje de standaardzin: ,,Pelle, wittoewa?''



 


Als ik om iets over zeven thuiskom is op Radio3 net 'Hollywood' begonnen. De titel zegt het al, het is een programma over films. Lief vertelt me over haar werk, Oronzo en Cicia dribbelen ongeduldig rond de tafel want het is tijd voor hun rondje. Ik luister dus niet echt wat er op de radio gezegd wordt. Ik heb er dus geen idee van waarom de het-lijkt-of-ik-vlieg-muziek van Sigur Ros gedraaid wordt. Dat is ook niet echt belangrijk. Belangrijk is dat het gedraaid wordt. Het nummer heet Hoppípolla en is... hemels.




Hoppípolla is IJslands en betekent zoiets als 'in de plassen springen'. Een prachtwoord als je het mij vraagt.
Buiten is het frisjes, maar het heeft gelukkig niet geregend. We maken ons avondrondje. Ik heb de muziek van Sigur Ros in mijn hoofd en mijn gedachten dwalen af naar Bootsman, naar Pippi Langkous, naar Floris...

De tijden veranderen (22 februari 2010)

,,Heb je gezien hoe de Hollander het schaatsen heeft gewonnen?’’
Maandagmorgen, iets voor achten. Zoals elke morgen zijn we verzameld voor ‘la macchina del cafè’, het koffie-apparaat. Gisteren was een mooie dag en velen hebben ervan geprofiteerd om te gaan skieën. Skieën, de bergen, het hoort bij de Trentini zoals de sloten en het schaatsen bij de Nederlanders horen. Valentina houdt niet van skieën en heeft naar de Olympische Spelen zitten kijken. Waar ‘De Hollander’ gewonnen heeft. Een beetje beschaamd moet ik bekennen dat ik mijn landgenoot niet heb gezien. De tijden veranderen.
,,Wat voor afstand?’’, vraag ik. ,,De 1500 meter’’, zegt Valentina.
,,En hoe heet die Hollander?’’ Op die vraag moet Valentina het antwoord schuldig blijven. Ze maakt weliswaar enige schaatsbewegingen, maar er is niets in haar stijl wat me naar welke Nederlandse schaatsenrijder dan ook leidt. Niet eens naar Ard en Keessie.

De tijden veranderen. Ooit zat ik als klein jongetje de hele zaterdag en zondag voor de televisie. De PZC was nog een krant die die qua formaat driekwart van de tafel bedekte. Vier pagina’s werden ingenomen door de schema’s van de 500, de 5000, de 1500 en de 10000 meter. Tabellen met open vakjes die, naarmate de dag vorderde gevuld werden met de rondetijden van elk koppel.
Ard Schenk, Kees Verkerk, Jan Bols. Dikke ‘schaatspakken’, herkenbare schaatsmutsen. De beelden in zwart-wit. Onder in het beeld de tijd die nog eenvoudig in tienden van seconden (dat was al heel wat) met de lange slagen op het rechte eind en de pootjes-over in de bochten meeliep. Het omega-tekentje, wat voor velen de eerste aanraking met het Grieks was. Een randje sneeuw vormde de afscheiding tussen de twee banen, en een val werd nog niet veroorzaakt door een blokje.
En de stem. Nee. DE STEM. Theo Koomen die alles in een onstuitbaar enthousiasme van commentaar voorzag. Ik hoor nog zijn woorden toen Ard Schenk in 1971 op de tien kilometer voor het eerst onder de vijftien minuten (14:55.9) bleef. Een eeuwigheid, maar desondanks bleef ik aan de buis gekluisterd en werd er slechts tijdens de dweilpauzes gegeten.

Een jaar later schreef ‘de lange’ wederom historie door op de Olympische Spelen van Saporro drie maal goud te winnen. Men schaatste nog gewoon buiten. Het enige binnenijs dat we kenden was dat in het vriesvak van de koelkast. De winter verlamde Nederland nog niet. En men droomde van de Elstedentocht die na Reinier Papings overwinning in 1963 alweer acht jaar op zich liet wachten.
Om de herhaling van de beelden van Schenk te zien moesten we wachten tot 31 december in het sport-jaaroverzicht.
Het was 1972 en ik was elf jaar oud. Nog nooit had ik van Bob Dylan gehoord, laat staan van zijn ‘The times they are a-Changin’.



2010.
Nederland zucht onder een lange winter, maar droomt van een Elfstedentocht die na Henk Angenent’s overwinning in 1997 alweer 13 jaar op zich laat wachten. Het zout is op. Zelfs het kabinet glijdt uit.
2010.
Ik zoek op internet wie de 1500 meter heeft gewonnen. Het blijkt Mark Tuitert te zijn, waar ik nog nooit van gehoord heb (sorry Mark). Ik lees dat het de eerste Nederlander is die de Olympische titel op deze afstand in de wacht sleept na Ard Schenk in 1972. Schenk deed dat in een tijd van 2:02.96. Tuitert deed dat afgelopen zaterdag in 1:45.57. Op internet zie ik zijn zegetocht zo vaak als dat ik maar wil, net als die van Ireen Wüst en Sven Kramer.
2010.
Sinds ‘The times they are a-Changin’ heeft het werk van Bob Dylan de meest verrassende richtingen gekozen. Verrassend was ook zijn laatste album, ‘Christmas in the Heart’, waarop 15 kerstklassiekers in een soms meer, soms minder origineel Dylan-jasje werden gegoten.
Op 12 maart staat Uncle Bob weer gewoon op de planken. In Osaka begint hij zijn zoveelste wereld-tour.
Ik denk dat ik vanavond ‘Live at Budokan’ maar weer eens uit de kast haal.


Ontbijten met twijfels, en Tschaikovsky (19 februari 2010)

Het is al minder donker als ik om iets over zes het balkon opstap. De bergen zijn al niet meer één met het zwart van het nachtelijk firmament, en hun contouren steken weer al duidelijk af tegen het bic-blauw waarmee de overgang van nacht naar dag de hemel ingekleurt.
Het is nog frisjes, maar zeker niet meer zo koud als een paar weken geleden. Hoewel, koud? Ik las gisteren in de krant dat de voorbije maand wereldwijd de op drie na warmste januari van de laatste honderd jaar was.
Januari, februari. De ‘r’ zit dus nog in de maand. Ik haal vier sinaasappelen uit de bij 'de Siciliaan' gekochte kist op het balkon, wat precies genoeg is voor twee glazen ‘spremuta’.


Gigi krijgt ze de laatste tijd flink om de oren. Gigi Buffon, de beste keeper ter wereld. Zijn Juve is inmiddels afgezakt naar de zesde plaats, en maar liefst 32 maal heeft hij moeten vissen. Zo heette dat ooit, als je als doelman de bal uit het net moest halen. Best een mooie beeldspraak.
Ik ben nooit een visser geweest, in de zin van in alle rust uren lang naar een dobber te zitten staren. Wel heb ik jaren lang het doel verdedigd bij de pupillen en de junioren van mijn clubje, de VV Axel. VV betekent Voetbal Vereniging, maar voor de elftallen waar ik de sluitpost was had het ook voor Veel Verliezend kunnen staan. Ik was een lange, maar zeker geen grote. Ik had mijn ups en downs, en helaas voor mijn ploeggenoten waren die ups even spaarzaam als dat de downs legio waren. We wonnen wel eens omdat ik in vorm was, momenten die ik nog steeds koester. Maar de keren dat we de boot ingingen dankzij mijn pittoreske blunders hadden de overhand. Gek, maar ook die blunders koester ik. Af en toe komt er eentje als een ‘kantstoter’ bovendrijven in de zee van herinneringen aan mijn jeugd, en dan moet ik me inhouden om niet hardop te lachen.

Voor me stond onze laatste man, die naar de veel betekende bijnaam ‘Strukel’ luisterde. ‘Struikel’, in ABN, maar dat werd toen nog niet gesproken op de velden van de VV Axel. Het zal je niet verbazen dat zowel Strukel als ik (bijna) nooit in staat zijn geweest om ons elftal overeind te houden. Maar we verdienden ons brood er niet mee, en we hadden lol.
En dus voel ik met Gigi mee. Ook hem lukt het de laatste tijd niet zijn team overeind te houden. En aangezien hij er wel zijn brood mee verdient, en duidelijk niet echt veel lol heeft tussen de palen, voel ik dubbel met hem mee.

Het zou te ver gaan Gigi’s matige prestaties als reden aan te voeren waarom de Cocopops van onze ontbijttafel zijn verdwenen. De Cocopops in die felrode kartonnen doos vanwaar een nog overtuigende Buffon ons zelfverzekerd over de mokken met dampende thee en de kruimels op de bordjes aankeek. De Cocopops, die heel eenvoudig niet in het assortiment voorkomen van de supermarkt waar we tegenwoordig de boodschappen doen. Het is een bio-supermarkt, zonder grote merken, zonder veel te uitgebreide keuzemogelijkheden, zonder flessen bronwater uit Puglia omdat er ook bronwater uit bronnen om de hoek gebotteld worden.
Bio-produkten hebben al meteen bij de eerste oogopslag twee karakteristieken: de prijs, die over het algemeen redelijk wat hoger is, en het uiterlijk. Het ziet eruit zoals het eruit ziet, zonder kleurstoffen, zonder een met allerlei middelen glimmend gemaakte schil, en er zit af en toe wel eens een plekje aan. Dat neem je als bio-consument graag op de koop toe, want dat hoort nu eenmaal bij dat onbespoten, ongemanipuleerde spul. En zo nuttig ik dus ’s morgens corn flakes van biologische mais, een dikke snee zelf met biologische bloem gebakken brood, eco-solidale thee van eerlijk betaalde theeplukkers ergens heel ver weg, en sinaasappelsap, vers geperst uit sinaasappels met hier en daar een plekje en wat oneffenheidjes op de oranje schil.
Dat is een bewuste keuze. Dat weet ìk en - zo pieker ik al een aantal weken - dat weet die grote producent met zijn glimmende bespoten produkten natuurlijk ook. En dat doet me een beetje ongemakkelijk op mijn stoel wiebelen (ik zou het graag lichtebillen noemen, maar daarvoor heeft mijn gewicht de limiet al ruimschoots overschreden) en nog meer piekeren. Want die grote producent met zijn glimmende bespoten produkten is niet dom, daar ben ik van overtuigd. Die doet er achter de schermen waarschijnlijk alles aan om een verloren consument terug te winnen. Achter de schermen, wat dikwijls gelijk staat met hetgene wat het daglicht niet mag zien.
Wat ik dan piekerend voor me zie zijn de immense bananenplantages van het merk met het blauwe etiketje waar de te kleine bananen op een grote hoop gegooid worden (niet te voorzichtig om een ‘bewerkte’ schil te verkrijgen) en vervolgens van een groen eco-vriendelijk-stickertje worden voorzien. Ik zie de lopende banden van een appelsienen-multinational: de mooiste sinaasappels worden door het personeel van de band genomen en in een plastic oranje netje gestopt. Wat blijft liggen wordt een eind verder van de band gehaald om in koekjes, cake en jus d’orange verwerkt te worden. De minst fraaie exemplaren worden pas op het eind van de band gehaald en daar voorzien van een eco-solidaal merkje. Ook bio-business is business, pieker ik, en waar business is wordt geld verdiend. Heel veel geld.

Ik neem een slok van mijn sinaasappelsap. Het smaakt allemaal wel beter, denk ik... geloof ik... toch?
Mijn blik dwaalt af naar de eenvoudige verpakking met corn flakes van verantwoord gecultiveerde mais. Ik mis de zelfverzekerde glimlach van Gigi. Jammer dat ik de lege doos niet bewaard heb.





Het tweede deel uit Tschaikovky's 'Seizoenen' wordt voor het gemak dikwijls 'Februari' genoemd. De oorspronkelijke naam is echter 'Carnaval'.
Doe daar maar eens een polonaise op...



De foto van de sinaasappels komt van www.sodahead.com.

Het concert (5 februari 2010)

In het begin was het best wennen. Ik zag 'Rain Man' voor de tweede keer, en opeens bleek Dustin Hoffman Italiaans te spreken. Dat was een jaar of tien geleden. En vandaag is het nog steeds zo. Zo goed als alle buitenlandse films gaan in een nagesynchroniseerde versie de bioscoopzalen in. Als je weet hoe de originele stem is, merk je soms met verbazing hoeveel de Italiaanse stem op de originele lijkt. En als je weet hoe de originele stem is, merk je soms hoe beter de Italiaanse stem bij de buitenlandse eigenaar past als de originele.
Hoewel een nagesynchroniseerde film veel van haar 'ziel' verliest is het niet te ontkennen dat Italianen meesters zijn in het 'dubbelen' van de stemmen. Er zijn stemmen die bijna even beroemd zijn als de acteurs, en het is een regel dat één stem voor het leven gekoppeld blijft aan dezelfde acteur.

Vandaag gaat 'Le concert' in Italië in première. Of beter, 'il concerto', want zo heet de laatste film van Radu Mihaileanu bij ons. Natuurlijk is hij in het Italiaans.
Ik had echter het geluk er op tijd achter te komen dat mijn 'stam-bioscoop' - de Astra in Trento - het voor elkaar had weten te krijgen een voorpremière te organiseren (eerder was de film slechts op het Filmfestival van Rome te zien geweest), en zo heb ik 'Het Concert' vorige week donderdag al kunnen zien. Het was een hele bijzondere avond, zo'n zonnestraalte dat onverwacht door het grijze monotone wolkendek van de werkweek doorbreekt.
Het was de dag na de wereldherdenkingsdag van de slachtoffers van de holocaust, en voor de film vertoond werd trad de Ziganoff op, een regionale groep die, zoals leider Renato Morelli het aangaf, pingpongt tussen de stijlen klezmer en de vroege jazz uit het begin van de vorige eeuw. De groep is genoemd naar Mishka Ziganoff.

Ziganoff Jazzmer Band

Hun concert was een goed gekozen verbinding tussen de herdenking, die in Italië altijd veel aandacht krijgt, en ‘Le Concert’, de film waarin Andrei Filipov, dirigent van het Bolshoi-orkest in het Rusland van Breznev, ontslagen wordt om het simpele feit dat hij de joodse muzikanten niet uit zijn orkest wilde weren.
En dan de verrassing. Omdat de film nog niet in distributievorm voorradig was moesten we genoegen nemen met de in het Italiaans ondertitelde versie. Wauw! De Russen spraken Russisch, en de Fransen spraken Frans! Dat was op zich al een reden voor enthousiasme. Een enthousiasme dat slechts toenam bij het zien van de film.



De film gaat dus over Andrei Filipov. Nadat hij als orkestmeester ontslagen is (vernederd, want dit gebeurd tijdens een publiek optreden van zijn orkest) blijft hij als klusjesman en schoonmaker in het concertgebouw van Moskou werken. We zijn 30 jaar verder en op een dag onderschept hij een fax waarmee het Bolshoi-orkest voor een concert in Parijs wordt uitgenodigd. In een waanzinnige bui besluit hij dat zijn orkest van weleer daar moet spelen. Zijn beste vriend, voormalig orkestlid en nu chauffeur op een ambulance, verklaart hem voor gek, maar laat zich uiteindelijk toch meeslepen door het enthousiasme van Andrei. Met veel moeite worden de voormalige muzikanten terug opgespoord, met steun van een sponsor (een element uit de entourage van de hedendaagse Russische mafia) krijgen ze het zelfs voor elkaar de reis te betalen. Er blijven slechts twee ‘minieme’ puntjes over: Filipov wil met alle geweld Tchaikovsky’s ‘concert voor viool in D major opus 35’ uitvoeren en als soliste wil hij niemand anders als de Franse Anne-Marie Jacquet. Natuurlijk is daar een reden voor.


‘Le Concert’ zou een drama kunnen zijn (in feite is het verhaal dat ook), maar Mihaileanu heeft de film een compleet andere richting opgestuurd en er een comedie met een gouden randje van gemaakt. De titel zegt het al, het is een film waarin de muziek een hoofdrol speelt, maar niet alleen de klassieke muziek. Toen de in Boekarest geboren regisseur student was verruilde hij Roemenie voor Frankrijk om aan het regime van Ceausescu te ontkomen, maar hij heeft zijn ‘roots’ nooit willen verloochenen. Dat komt in zijn films, naast enige politieke zinspelingen, vooral tot uitdrukking in zijn muziekkeuze. Gipsy-muziek speelde in zijn ‘Train de vie’ al een hele belangrijke rol, en komt in ‘Le concert’ verrassend vaak de hoek om kijken.

Het duel uit 'Train de vie'.

woensdag 16 februari 2011

Ontbijten met Oronzo en Paolo Nutini (31 januari 2010)

Heel voorzichtig worden de dagen ietsjes langer. Vooral 's avonds zie je het duidelijk.
's Morgens wat minder. Als ik om zes uur opsta is het donker zoals het in december om zes uur donker was. Onderweg van de slaapkamer naar de badkamer passeer ik de honden. Genoeglijk rekken ze zich even uit, draaien zich op hun andere zij en doen nog even de ogen dicht. Wakker worden moet je op je gemak doen.
En ik ontbijt, alleen. De programmering van Radio 3 is veranderd, en het muziekprogramma 'Il terzo anello' is er niet meer tussen zes en zeven. In plaats daarvan praat men over het wereldnieuws. Interessant, dat zeker, maar niet altijd bevorderlijk voor je eetlust. Haïti is nog steeds wereldnieuws, maar na twee weken is het in de Italiaanse kranten al zoeken met een vergrootglas naar een paar regels over de laatste stand van zaken. We hebben even gehuiverd bij de beelden, we hebben op wikipedia gekeken waar Haïti ligt en wat er zich normaal gesproken afspeelt in het land (mijn God, die waren er zelfs vòòr de aardbeving al beroerd aan toe!!!), we hebben ons geweten gesust met een financiële bijdrage, maar we moeten verder. De wereld draait door, en we kunnen nu niet blijven, we kunnen nu niet langer blijven staan.

In het weekeind is het licht als ik ontbijt, samen met Lief. En de honden zijn wakker. Hoewel hij weet dat ik hem tijdens het eten nooit iets toeschuif, neemt Oronzo een strategische positie in. Naast mijn stoel. Je weet immers nooit of er een paar kruimels op de grond belanden.


Zaterdag is het boodschappendag. Bij de supermarkt verkopen ze ook plantjes, en een paar weken geleden heb ik een potje met wat tulpenbollen meegenomen. De tulpen zijn inmiddels al bijna uitgebloeid, maar hun kleuren kondigen nog fier en vlammend het voorjaar aan.


Morgen is het maandag, en donker als ik mijn krentenboterham met boter besmeer. En het voorjaar is weer een dag dichterbij.


 


Alhoewel zijn naam anders doet vermoeden zijn Paolo Giovanni Nutini's ouders allebei Schots. Zijn overgrootvader werd echter, vier generaties terug, in Barga, in de Italiaanse provincie Lucca, geboren en hiermee is de achternaam van de singer-songwriter uit Pailey verklaard.
Paolo Nutini (geboren op 9 januari 1987) debuteerde in 2006 met het album 'These Streets' bij Atlantic Records en behaalde een derde plaats in de hitlijsten. De single 'Last request' was de best verkopende single van het album.
Zijn tweede album, 'Sunny Side Up' kwam in mei 2009 meteen op nummer 1 de Britse hitlijst binnen.

Het nummer 'January' werd door Paolo Nutini verschillende keren live uitgevoerd, maar is tot nu toe nog niet op cd verschenen.

Bron: Wikipedia.

Ontbijten met Tom Waits (22 november 2009)

Terug in Italië. Op Malpensa weigert een bus-chauffeur de 50 euro aan te nemen van een Chinees die naar het centrum van Milaan wil. ,,Ga maar in de aankomsthal een kaartje kopen'', bijt hij de toerist toe. In het Italiaans natuurlijk.
Terug in Italië. Het centraal station van Milaan is een één grote bouwkeet. De nieuwe opzet van de loketten functioneert al, en doet een beetje aan Amsterdam denken. Jammer dat slechts de helft van de 18 loketten bezet is. Pas na 25 minuten ben ik aan de beurt en de trein richting Verona is al vertrokken. Anderhalf uur wachten dus. Zonder bankjes op de perrons, want die hebben ze in Milaan weg gehaald zodat zwervers er geen gebruik meer van kunnen maken. Ook als je iets te eten wil wat niet voorverpakt is, moet je het station uit.
Terug in Italië. De afstand Milaan-Verona is niet echt groot. Desondanks blijken de slechts 170 kilometer voldoende om de stampvolle trein een vertraging van 25 minuten op te doen lopen. De aansluiting naar Trento mis ik. Nog eens veertig minuten wachten. Maar op het station van Verona staan in ieder geval bankjes.
Terug in Italië. Ik ben maar een week weg geweest, maar sommige dingen was ik vergeten.

Als ik thuiskom zijn de bladeren van de bomen plotseling allemaal geel. Ze vallen met bosjes. De temperatuur is nog even aangenaam, maar binnen een week ligt de eerste sneeuw op de bergen rondom Trento. Als ik 's morgens ga werken is het nog donker, als ik 's avonds thuiskom na het werk is het al donker. De keukenlamp schijnt in m'n thee. November.




Ik ben een zomermens, doe mijn best niet neerslachtig te worden. Het valt niet altijd mee. Een brok in m'n keel als de supporters, 45.000, in het voetbalstadion van Hannover afscheid nemen van Robert Enke. Enke, 22 jaar, was doelman van de plaatselijke club en van het Duitse elftal. Hij had geen hulp gezocht tegen een depressie die hem jaren achtervolgd schijnt te hebben en hem tenslotte op een spoorwegovergang dichtbij Hannover te pakken heeft gekregen.
Jammer dat Milan nooit belangstelling heeft getoond voor Enke, of Inter, Juventus. Of welke andere Italiaanse club dan ook. In Italië is het niet zo eenvoudig je voor een trein van het leven te beroven. Nooit zijn ze op tijd.



De keukenlamp schijnt in m'n thee. Daarnaast de doos met Kellogg's Coco Pops. In september, toen ik ook terug kwam van vakantie, en alles nog veel groener was, had ik het er al over. Op de doos prijkt Gigi Buffon, keeper van Juventus en van het Italiaanse elftal. Zelfverzekerd prikt zijn wijsvinger in de richting van de lezer, de ontbijter. Zelfverzekerd zijn Gigi's woorden: ,,Begin opnieuw vanaf het ontbijt en merk dat het je beter maakt.''
Gigi Buffon, doelman, net als Robert Enke. Gigi Buffon, ooit slachtoffer van een enorme depressie, net als Robert Enke. Gigi kan het navertellen. Robert niet. Zou het aan de treinen in Italië liggen? Aan de Coco Pops? Of gewoon aan Italië?


In Trento is, weer iets vroeger als de voorgaande jaren, de traditionele kerstmarkt begonnen. Gisteren, de eerste dag van "il mercatino di Natale", werden er al 20.000 bezoekers geteld. Ik was er niet bij. Ik heb het al gezien, drie jaar geleden, vier jaar geleden, vijf. Het is steeds hetzelfde. Het enige wat elk jaar verandert is de prijs. Maar er zijn mensen die elk jaar gaan. Ze vinden het leuk, en ik vind het leuk voor ze dat ze het leuk vinden. Niet omdat het bijna kerst is, maar gewoon omdat ik zo ben.
Eén van mijn collega's probeert me ook nu weer een keer mee te krijgen. ,,Dan gaan we enkel voor de Brulé'', oppert hij. Vin brulé is warme rode wijn, de Italiaanse versie van de glühwein, maar warme alkohol stijgt me onmiddellijk naar m'n kop. Ik weet niet waarom, maar de opmerking van mijn collega doet me aan Tom Waits denken. Misschien heeft het met de alkohol te maken.
Ik heb wat jaren geleden - ik woonde al een tijdje in Italië - een aanval van nierstenen gehad. Dat wens ik niemand toe. Maar na een paar maanden kuren, bombarderen met geluidsgolven enzo, was ik er weer vanaf. Denk ik. Wel moest ik nog een paar keer op crontole komen. Bij de laatste controle vertelde ik de specialist dat ik geen last had van witte wijn, maar dat na een paar glazen rode wijn mijn nieren een beetje gevoelig werden. Hij keek me aan, de wenkbrouwen fronzend, dacht na en gaf me een hele wijze raad: ,,Dan zou ik me alleen bij witte wijn houden.''

November. De keukenlamp schijnt in m'n thee. En Tom Waits zingt.



zondag 13 februari 2011

De musjes uit Castelrotto (14 oktober 2009)

Een kilometer of vijftien boven Bolzano, niet al te ver van de A22, de Brennero, ligt Castelrotto. De A22 voert naar Oostenrijk. Hemelsbreed misschien een kilometer of dertig naar het noorden ligt de grens.
Ze spreken hier al Duits. Austria heet dus al Österreich, de Brennero Brenner, de A ventidue A zweiundzwanzig, en de regio hier heet geen Alto Adige maar Süd Tirol. En Castelrotto heet Kastelruth. Behalve Duits (82%) spreekt men hier ook het Ladinisch (15%), waar voor de buitenstaander geen touw aan vast te knopen is. Voor de volledigheid, Ciastel is de naam van Castelrotto in het Ladinisch.


Kastelruth (laat ik de bevolking in haar waarde laten en het noemen zoals zij het noemen) ligt op een hoogte van 1060 meter, op de zuidelijke rand van het prachtige Val Gardena (Gröden in het Duits, Gherdëina in het Ladinisch). Inclusief de gehuchten Bulla (Pufels in het Duits, Bula in het Ladinisch), Roncadizze (Runggaditsch/Runcadic) en Oltretorrente (Überwasser/Sureghes) telt de gemeente Kastelruth 6428 inwoners. Dat is niet veel, maar enkele namen van dit handjevol Zuid Tirolers is desondanks aan de onbekendheid ontstegen.
Eduard Burgauner bijvoorbeeld, een in 1873 geboren zoon in een pottenbakkersfamilie, die zijn artistieke talenten als schilder exploreerde. Hij deed een dappere poging om Kastelruth van een eenvoudig bergdorpje in de plaats met de meeste fresco's van Zuid-Tirol te veranderen.
De skieërs Peter Fill (1982) en Denise Karbon (1980), beiden ook vorig jaar nog goed voor verschillende medailles op mondiaal niveau, kom je hier gewoon in het wild tegen.
De Oostenrijkse historicus en diplomaat Leo Santifaller (1890-1974) kwam uit Kastelruth. Hij was geen Italiaan maar Oostenrijker, aangezien Zuid-Tirol pas aan het eind van de eerste wereldoorlog - op 10 september 1919, toen het Verdrag van Saint Germain ondertekend werd - Italiaans werd.
Ook de dichter, diplomaat, zanger, componist en politicus Oswald van Wolkenstein (1377-1445) schijnt in Kastelruth of omgeving geboren te zijn. Wie weet wat hij zong en componeerde?

Nu we het toch over zingen en componeren hebben, Kastelruth heeft ook haar eigen folkgroep. De Kastelruther Spatzen heten ze, oftewel de Musjes uit Kastelruth. Zanger Norbert Rier en zijn zes-koppig gevolg vieren dit jaar hun 25-jarig bestaan. In die kwart eeuw hebben ze maar liefst 38 albums opgenomen (het eerste heette Viel Spaß und Freude) en 7 dvd's uitgebracht. Ze spelen slechts voor volle zalen en feesttenten en om de een of andere reden zijn ze ontzettend populair vanaf de Noord- en de Oostzee tot in het zuiden van Zuid-Tirol.
Hun fans vinden ze het einde, 'supertoll'. Voor mij is het horror...




Als je mij vraagt wat voor muziek dit is, dan is mijn antwoord waarschijnlijk 'kut-muziek'. Dit wilde ik nog even naar voren brengen omdat deze term in het Italiaans niet bestaat. Ook niet letterlijk of bijna letterlijk vertaald als 'musica della figa'. Afgezien van de Kastelruther Spatzen-fans, noemt men het hier 'musica del cazzo'. Lulmuziek. Gek, hè?

8 oktober 1971 (8 oktober 2009)

Af en toe kom je op internet hele aangename verrassingen tegen. In mijn middagpauze zat ik wat te surfen, en mijn oog viel op de titel “huit octobre 1971”.





Het is een track van het album “Troupeau bleu” van de formatie Cortex, die vanaf 1974 tot begin jaren ‘80 furore maakte in het Franse en Europese jazz-circuit. De lp stamt uit 1975 en werd in een record tijd van twee dagen opgenomen. Later volgden nog drie andere officiële albums.

Oprichter en leider van Cortex was Alain Mion.
De pianist werd in 1947 in Casablanca geboren, maar groeide op in Parijs. Voorafgaande aan de periode Cortex had hij al een eigen trio, waarmee hij op verschillende festivals optrad.

Alain Mion maakt nog steeds muziek. Hij heeft inmiddels zo’n 30 produkties op zijn naam staan bij platenlabels over de hele wereld. Cortex gaf dit jaar, in een vernieuwde samenstelling, een concert in de New Morning in Parijs.

Hij eerst (5 oktober 2009)

Begin jaren 40 van de vorige eeuw. Een stadje in het zuiden van Polen. De Duitse bezetters zijn op jacht, op jacht naar verraders. Het is heel eenvoudig om als verrader aangezien te worden door de nazi's. Het niet eens zijn met hun waan-ideeën is genoeg.
Velen in Wadowice zijn het niet met de Duitsers eens, en zijn dus verraders. Als de eerste pantserwagens denderend de stad ingereden komen weten velen te vluchten, maar niet iedereen. Wie zich niet in veiligheid heeft weten te brengen, wordt samengedreven op het plein tegenover de basiliek. Het wit van het gebouw symboliseert de kleur van de vrede. Vrede, een term zonder betekenis in het Polen van die jaren. Het contrast van het wit van de basiliek met de grijze kleren, de grauwe, van angst verwrongen gezichten van de massa is zo immens dat het bijna onwerkelijk wordt.

In de Zacisze, een van de straatjes achter de basiliek wordt een jongen hardhandig door een Duiste soldaat uit een kelder gesleurd, waar hij zich verstopt had. Hij is bang, maar blijft helder denken. Als de soldaat zijn aandacht heel even verslapt zet hij het op een lopen, linksaf de Krakowska in, weg van basiliek. Hij slaat rechtsaf de Teatralna in, hopend de Henryka Sienkiewicza te bereiken, een brede straat met bomen die hem wellicht uit het zicht van zijn achtervolger kunnen houden. Maar de jongen is moe, en de voetstappen van de soldaat komen steeds dichterbij. Ten einde raad slaat hij een zijstraat in, maar op hetzelfde moment realiseert hij zich een fatale fout gemaakt te hebben. De straat loopt dood. Wanhopig klopt hij op deuren, op luiken, maar nergens een teken van leven. Niemand laat hem binnen.
Aan het eind van de straat draait hij zich om. Zijn rug tegen de muur, de handen in de hoogte, biddend. Hij is nog maar 21 jaar oud, zou nog een heel leven voor zich kunnen hebben. Het schijnt geen indruk te maken op de soldaat, die grijnzend dichterbij komt. Als hij tot op 5 meter genaderd is neemt hij zijn wapen van zijn schouder en legt rustig aan...
En op dat moment klinkt er een stem vanuit de hoogte. Geen gewone stem, maar een stem met iets... ja, hoe omschrijf je dat? Met iets hemels, iets goddelijks. Misschien is dat nog de beste omschrijving.
,,Schiet niet op die jongeman'', zegt de stem bevelend. ,,Hij mag niet sterven, want eens zal hij paus zijn!''
De soldaat laat zich niet zomaar uit het veld slaan. Hij kijkt met één oog schuin omhoog in de richting vanwaar de dreunende stem vandaan schijnt te komen, maar houdt zijn wapen gericht op de jonge Pool voor zich. ,,O, is dat zo'', roept hij zonder enig spoor van eerbied. ,,En wat als ik niet schiet? Hè? Wat levert het voor mij op?''
Boven hun hoofden klinkt gemompel, wijfelend, maar dan herneemt de stem zijn gezag. ,,Goed'', klinkt het. ,,Goed. Ook jij wordt paus. Maar hij eerst.''



 
De clip is gemaakt door Silvio di Giorgio, en is ook te zien op Virus, de satirische web-bijlage van de Italiaanse krant L'Unità.
De tekst is niet gebaseerd op bewezen feiten.

Ontbijten met Gigi Buffon en Green Day (30 september 2009)

Eenmaal terug van een weekje vakantie Kreta blijkt het opeens nog donker te zijn als de wekker op maandagmorgen om zes uur afloopt. Het duister draagt niet echt bij aan de feeststemming, die het begin van de eerste werkdag begeleidt. Bovendien blijkt het buiten heel frisjes te zijn, maar dat verandert na een paar dagen. September wordt een mooie nazomermaand, en de dagelijkse ritmes hernemen zich snel, alsof ik nooit ben weg geweest.

De voetbal-competitie is weer begonnen. Ik volg het niet meer van nabij, maar desondanks ontkom ik er niet aan. Na een aanwezigheid van enkele maanden staart Gigi Buffon me aan de ontbijttafel weer aan vanaf de doos met Cocopops. De nummer 1 (zo zet de goede man ook zijn handtekening) van Juventus – nee, van Italië – nee! Van Europa – nee!! Van de wereld – nee!!! Van het heelal – wijst er in, zeker niet door hemzelf gekozen woorden op hoe goed het is de dag met Cocopops te beginnen. Ik voel me al een stuk beter nu. Op de zijkant van de doos staat beschreven wat er allemaal in die balletjes zit, die inmiddels in mijn melk ronddrijven. Energie, eiwit, suiker, zetmeel, vet, vezels, sodium/natrium, zout, vitame B1, vitame B2, vitame B3, vitame B6, foliumzuur, vitame B12, vitame C, vitame D, ijzer, magnesium, fosfor, zink, kalium. Met de eetlepel halverwege lees ik het hele rijtje. Met open mond, verwonderd dat ze al dat spul in zo’n klein balletje weten te proppen. Verbaasd ook, want tussen de ingrediënten zie ik een paar dingen staan die regelrecht naar de bodem van mijn cocopop-kom zouden moeten zinken, terwijl heel het spul toch vrolijk en ietwat knisperend op het melkoppervlak rond blijft drijven. Is dit te vertrouwen?

Radio 3 verwent me, zoals elke morgen, met lekker-rustig-wakker-worden-muziek. Klassiek. Tot kwart voor zeven, want dan is het tijd voor vijf minuten radio-journaal. Op 17 september komen zes Italiaanse militairen om bij een aanslag in Afghanistan. Italië rouwt, en de demonstratie voor de persvrijheid wordt een aantal weken opgeschoven.

Op vakantie aten we een roereitje bij het ontbijt. Ja, je moet iets als er geen cocopops in de buurt zijn. Dat leek ons wel iets voor thuis, in het weekeinde, want dan hebben we wat meer tijd. Maar het is er nog niet van gekomen. Geen zin om ’s morgens vroeg te gaan staan bakken, geen zin in een eitje. Gek eigenlijk, dat sommige dingen tijdens een vakantie blijken te functioneren en vervolgens thuis niet willen lukken.




Billie Joe Armstrong van Green Day schreef “Wake me up when September ends” in nagedachtenis aan zijn vader. Deze overleed op een dag in september, toen Billie Joe 10 jaar oud was.



vrijdag 11 februari 2011

Bezoekuur (26 augustus 2009)

Met veel moeite voegt ze in. Achter haar klinkt een claxon en in haar achteruitkijkspiegel ziet ze zijn middelvinger de hoogte in geheven. De rest van zijn gedaante gaat veilig schuil achter de wolken spiegelende voorruit. Ze reageert niet. Blijft rustig, zoals altijd. Een kastanjebruine lok valt over haar voorhoofd. Met haar rechter hand wrijft ze hem opzij, en drukt de radio aan.
De rij gaat langzaam, maar vooruit. Felle koplampen achter haar, drukke gebaren, claxon, middelvinger. Eén baan worden er twee, de file opgelost. Ze blijft links, haalt in. 120. Achter haar wordt geknipperd, getoeterd. Haar voet gaat vol op de rem. Het rood glimt plotseling op, maar wordt als gevolg van de minimale afstand niet gezien.

De krant. Een ziekenhuisbed. Gips, spalken, metaal. ,,Ze is dood'', zegt hij half hardop. ,,Klotewijf'', sist hij er achteraan. Hij heeft er nog geen seconde bij stilgestaan dat hij de laatste is geweest die met haar gecommuniceerd heeft. Maar hij heeft een mooi verhaal voor de vrienden die op dat moment zijn kamer binnenkomen.

Bezoekuur.


Ontbijten met Tchaikovsky (17 augustus 2009)

,,Da Ferragosto rinfreschia il bosco’’ zeggen ze in Trento en omgeving. Vanaf Ferragosto koelt het af in de bossen.
Ferragosto is een van de zekerheden in Italië die ondanks alles, regeringen van links en regeringen van rechts, recht overeind blijft staan. Ferragosto is 15 augustus, Maria-hemelvaart, en dan wordt er niet gewerkt. Ook ik slaap uit, wat inhoudt dat ik rond een uur of acht opsta.
Ik zet thee, en vul de keukentafel met de dingen die bij het ontbijt horen. Onderleggers, twee bordjes, bestek, brood, boter, aardbeien- en sinaasappeljam, drinkyoghurt, melk, cocopops, suiker. En de thee natuurlijk. Maar eerst gaat de radio aan.
Mijn favoriete programma is helaas al voorbij op dit tijdstip. Door de week ontbijt ik met een gedeelte van het eerste uur van ‘Il terzo anello’, ‘de derde ring’, op radio 3. Voor het grootste gedeelte klassieke muziek, waarbij het rustig wakker worden is. Als leek op dit gebied heb ik de afgelopen jaren veel nieuws ontdekt, en veel geleerd. Naar klassieke muziek moet je leren luisteren. De uitzending wordt altijd om kwart voor zeven onderbroken voor het radiojournaal. Dat is voor mij het sein dat ik moet beginnen voort te maken, want om zeven uur moet ik op de fiets zitten of in de bus. Anders ben ik niet op tijd op m’n werk. Maar vandaag is het zaterdag, én Ferragosto, dus ik kan rustig aandoen. Want zelfs de winkels zijn op 15 augustus gesloten.
Alleen de boeren werken vandaag. De appels zijn bijna klaar om geplukt te worden en dus rijdt men af en aan met enorme kisten. Die worden klaar gezet voor het moment dat de seizoensarbeiders zich melden. Over een paar dagen, op z'n hoogst over een paar weken. De plukkers zijn dikwijls buitenlanders, want voor de prijzen die de boeren kunnen betalen maakt het eigen volk z'n handen niet vuil. Er is fruit in overvloed en op de veiling dalen de prijzen elk jaar meer. Onverklaarbaar dat ze desondanks in de supermarkt blijven stijgen.

,,Da Ferragosto rinfreschia il bosco.’’ Die vlieger lijkt dit jaar niet op te gaan. Voor de komende week verwacht men nog steeds temperaturen tot 35 graden. Met aan het eind van de week kans op bewolking en af en toe een bui. En dat gaat al weken zo. Door de week is het het prachtigste weer van de wereld en in het weekeind is het minder. Bewolkt, zoals nu. Maar de warmte blijft hangen onder het wolkendek, bedompt, vochtig. Een rondje met de honden is alsof je in een scheet rondloopt, zoals Billy Connolly ooit zei.
Sommigen hier menen dat na 15 augustus de zomer voorbij is, ook al is het nog warm. Het lijkt me een beetje overdreven. Maar het is een feit dat de dagen korten. Als ik door de week om iets over zes het kokende water over het thee-ei giet is het al goed kijken waar ik op moet houden om te voorkomen dat de theepot overloopt. Een paar weken geleden was dat nog niet zo. Nog even en ik moet het lampje onder het keukenkastje aanknippen. De lucht die door de openstaande balkondeuren de keuken binnenkomt is ook iets frisser. Maar allesbehalve onaangenaam. Ook 's avonds begint het iets koeler te worden. Ons balkon is het mooiste terras dat je je voor kunt stellen. Onder je de tuin, in de verte de bergen. Ik lees er tot een uur of negen. Daarna wordt het te donker en beginnen de muggen hun aanval op elk stukje bloot vel.


Een paar dagen geleden, rond een uur of half zeven, passeerde tijdens 'Il terzo anello' een van de stukken van ‘De jaargetijden’ van Tchaikovsky. April. ,,Wat een gekke keuze’’, dacht ik. ,,Het is augustus.’’ Een zoektocht op internet leerde me dat April beter bij de rest van de muziek van die dag paste. En toch, ook “Augustus” is best mooi.





Pjotr Tchaikovsky schreef 'de jaargetijden' in opdracht van ene meneer Nikolai Bernard. Twaalf stukken die op de eerste van elke maand in het tijdschrift Nuvellist moesten verschijnen. Kenners schrijven over 'de jaargetijden' dat het veraf staat van het beste wat de componist geschreven heeft. Het is oppervlakkig, het mist hart en ziel.
Tchaikovsky schreef 'de jaargetijden' - ook bekend onder opus 37a - in 1875 en 1876. De stukken verschenen aanvankelijk niet onder de naam van de maand. Nummer 8 van de serie heette bijvoorbeeld 'de oogst'.


maandag 7 februari 2011

Balkan Beat Box (27 juli 2009)

Zoals ik al verwacht had, ik was op 22 juni niet in Utrecht toen Gogol Bordello daar optrad. Op internet las ik dat het buiten koud was, maar dat de temperatuur in Tivoli tot tropische waarden opliep.

Eén maand later blijkt een ex-lid van Gogol Bordello in Trento op het podium te staan, Ori Kaplan. Kaplan, geboren in Israel, is samen met landgenoot Tamir Muskrat de drijvende kracht achter Balkan Beat Box, die op 26 juli een tournee door Frankrijk, Spanje en Italië in Trento afsloot. Ik kon er op de fiets naartoe.



Helaas was er veel te weinig aandacht geschonken aan het optreden van de New Yorkse groep. Heel toevallig kwam ik een aankondiging van het concert tegen op een culturele website in Trentino.
En met mij niet meer dan zo’n honderd andere nieuwsgierigen, die zich voor een piepklein podium in een piepklein park in Trento hadden verzameld. Voor de rest was het parkje bevolkt door haar vaste bezoekers: ouders met kinderen die zich vermaakten in het speeltuintje, oude dametjes die hun kleine hondjes aan het uitlaten waren, een bejaarde in zijn rolstoel, een handjevol junks die er dag in dag uit een plekje vinden op hun bank. Ik moet terugdenken aan de paar filmpjes die ik eerder op de dag op You Tube heb gezien, waarin Balkan Beat Box optreedt voor uitzinnig hossende menigtes van duizenden geestdriftige fans. Voor de leden moet Piazza Centa in Trento wel een hele trieste aanblik zijn.

Maar ze laten er weinig van merken. Vanaf het eerste nummer gaan ze er vol tegenaan en binnen een kwartier staan de eerste concertgangers te dansen voor het podium. Eén voordeel hebben ze: er is plek genoeg.
De groepen hebben weliswaar een gezamenlijk project op hun naam staan, maar Balkan Beat Box blijkt desondanks geen simpele copie te zijn van Gogol Bordello. Het is weliswaar gypsy, maar veel minder punk als Eugene Hütz en zijn band. De naam van de groep zegt eigenlijk alles. Heel veel invloeden vanuit de Balkan, maar ook uit vanuit Zuid-Europa en Noord-Afrika. Ori Kaplan lijkt werkelijk alles uit zijn saxofoon te krijgen. Al die invloeden worden samengesmolten met behulp van aanstekelijke beat box ritmes. Zanger en percussionist Tomer Yosef rapt als een New Yorker, maar zijn slang maakt dikwijls plaats voor Arabische teksten.
Balkan Beat Box wijzigt dikwijls van formatie, soms zelfs van concert tot concert. In Trento bestaat de groep uit ‘slechts’ zes personen, waardoor Tamir Muskrat regelmatig een beroep moet doen op de ‘toverdoos’ die naast zijn drumstel staat opgesteld. Koortjes uit een doosje, een ingeblikte koperset. Het mag de pret niet drukken.



Gianna Nannini, aangenaam... (18 juni 2009)

Gianna Nannini werd geboren in Sienna, op 14 juni 1956. Volgens eigen zeggen begon ze ooit met zingen om haar uitspraak te verbeteren. Ze sprak vrij onduidelijk, slikte haar woorden voor driekwart in, en dit werd als een goede therapie gezien.
Het zingen werd meer dan een therapie. Sinds haar eerste hit in 1979 is het haar bron van inkomsten.

Die eerste hit was 'America'. Het was een loflied op de masturbatie en leidde dus tot talloze discussies, die zeker debet waren aan het succes. Op de hoes van 'America', ontworpen door Mauro Convertino, stond het vrijheidsbeeld. De fakkel in haar hand had plaats gemaakt voor een vibrator met een 'stars-and-stripes'-motiefje.

Sommigen vinden dat het intro verdacht veel op dat van 'Since you've been gone' lijkt van Head East, later gecovered door Rainbow.
Persoonlijk kan ik eigenlijk alleen maar tot de conclusie komen dat Gianna heel goed geluisterd heeft naar het intro van 'Vicious', zoals Lou Reed dat op 21 december 1973 in de New Yorkse Academy of Music ten gehore bracht en een jaar later op het schitterende album Rock n Roll Animal te horen was.
Oordeel zelf maar...


Dit is hoe Gianna Nannini 'America' op 3 november 2002 in Basel op de planken bracht...




... en dit is Head East met 'Since you've been gone'...




...en tot slot een bijzondere opname van 'Vicious' van Lou Reed. Op dezelfde avond opgenomen als de versie op 'Rock n Roll Animal'.




Als afsluiter de tekst van 'America'

Cercherò mi sono sempre detta cercherò
troverai mi hanno sempre detto troverai
per oggi sto con me mi basto
nessuno mi vede
e allora accarezzo la mia solitudine
ed ognuno ha il suo corpo a cui sa cosa chiedere
chiedere chiedere chiedere
Fammi sognare lei si morde la bocca e si sente l'America
Fammi volare lui allunga la mano e si tocca l'America
Fammi l'amore forte sempre più forte come fosse l'America
Fammi l'amore forte sempre più forte ed io sono l'America
cercherai mi hanno sempre detto cercherai
e troverò ora che ti accarezzo troverò
ma quanta fantasia ci vuole per sentirsi in due
quando ognuno è da sempre nella sua solitudine
e regala il suo corpo ma non sa cosa chiedere chiedere chiedere chiedere
Fammi volare lei le mai sui fianchi come fosse l'America
Fammi sognare lui che scende e che sale e si sente l'America
Fammi l'Amore lei che pensa ad un altro e si inventa l'America
Fammi l'amore forte sempre più forte ed io sono l'America



PS: dit is een veel leukere aangenaam dan de vorige. Ook dit is gelukkig Italië!

De Nobelprijswinnaar, de schoenmaker, de autoverkoper, economie en de bastaard zonen van Dionisos (11 juni 2009)

Zaterdagmorgen, 30 mei. Ik snuffel wat tussen de boeken op Piazza Duomo. Naast me doet James Heckman hetzelfde. Het 'Festival dell'Economia' is aan de gang en gisteren is deze vierde editie geopend met een lezing van de Nobelprijswinnaar voor de Economie 2000. De goede man is professor aan de University of Chicago en luistert naar de naam James Heckman. Dezelfde James Heckman die hier naast me in een boek staat te bladeren.
Ondertussen neemt mevrouw Heckman, charmant in het wit gekleed, het programmaboekje van het Economiefestival door. ,,Morgenmiddag is het wat minder interessant'', zegt ze tegen haar man. ,,Denk je dat we tijd vrij kunnen maken om ook eens wat in de omgeving rond te kunnen kijken?'' Iets in het 'hmm-mmm' van Heckman zegt me dat hij er niet echt veel zin in heeft, maar dat hij er hoogst waarschijnlijk wel aan koud is.
Dit is het 'Festival dell'Economia' in Trento, dat dit jaar in het teken staat van 'identiteit en globale crisis'.

Economie heeft voor velen wat saais. Zolang het wandelen is door kilometerslange galerijen van cijfertjes, kan ik daar heel goed inkomen en ben ik het er ook wel mee eens. Maar economie is veel meer. Het heeft met consumptiegedrag te maken, de psyche van de mens komt om de bocht kijken. En hier wordt het enorm interessant. De economie van nu bestaat al lang niet meer uit het beantwoorden van een vraag, of het voorzien in een behoefte. Behoeftes worden gecreëerd. Een gedragspatroon wordt gestuurd. De mens laat zich, meer of minder gemakkelijk, leiden. Tot ze de "val" doorzien of eenvoudig uitgekeken zijn en op iets anders overstappen wat al op maat klaar blijkt te liggen. Ik vind het intrigerend hoe knappe koppen in staat zijn om de golven in het consumptiepatroon van de massa te voorzien en als de beste surfers precies die golven uit te kiezen die hen het meeste profijt brengen.

De voorbereidingen voor het festival beginnen doorgaans een maand of negen van tevoren. De finale bestaat uit 3 dagen van lezingen, discussies en presentaties, waarin alles tot in de perfectie is georganiseerd. Waar Heckman en ik onze boeken uitzoeken kun je het programma direkt op enkele beeldschermen volgen. De ontmoetingen vinden plaats in de grote aula's van de Universiteit van Trento, in enkele 'palazzi' van de Autonome Provincie Trentino, in de twee theaters in de stad, en in het Castello del Buonconsiglio. Hier begint dit weekeinde ook een grote tentoonstelling over het oude Egypte. "Egitto mai visto" heeft enkele stukken die voor het eerst in Italië te zien zijn. Over planning gesproken.

Met onze nieuwe aanwinsten stappen we bij 'Lo Scrigno del Duomo' binnen, waar we met een paar vrienden hebben afgesproken voor een 'aperitivo'. Buiten zit Diego Della Valle, het boegbeeld van het 'made in Italy'. Zijn schoenen Tod's, Hogan en Fay worden over de hele wereld verkocht, maar hij heeft desondanks altijd de voeten op de grond weten te houden. Eerder heeft hebben hij en Giampaolo Fabris (een specialist op het gebied van sociaal en consumptiegedrag) in Palazzo Geremia een dialoog gehouden met als titel 'De constructie van een brand'. Della Valle steekt niet onder stoelen of banken dat hij het vooral dankzij de denkwijze van zijn vader zover geschopt heeft. Hetgene wat je biedt moet een identiteit hebben, de klant moet zich ermee kunnen en willen identificeren. Alles draait dus om je klant. Marketing was iets waar de oude Della Valle niets over wilde horen.
Terwijl de schoenenmaker bij 'Lo Scrigno' met zijn gezelschap aan de pasta zit is wordt in het theatro sociale over het laatste boek van Enrico Letta gesproken. "De bouw van een kathedraal" heet het. Een van de sprekers is Luca Cordero di Montezemolo, president van Ferrari en Fiat. Uiteindelijk blijken vooral de aanwezige journalisten veel nieuwsgieriger naar Di Montezemolo's mening over het mislukken van de Fiat-Opel samenwerking dan naar zijn mening over het boek van gedeputeerde van de Partito Democratico.

Wellicht heeft mevrouw Heckman haar plannen voor de zondag moeten veranderen, want als ik 's morgens vol goede moed de grasmaaier klaar heb gezet begint het te regenen. Het blijkt voor de hele dag te zijn. Pas tegen de avond klaart het op. Gelukkig maar, want in het kader van het randprogramma van het economiefestival treden in het park van Piazza Dante de Bastard Sons of Dioniso op. De overwinning in de Italiaanse versie van X-Factor is hen op een haar na aan de neus voorbij gegaan, maar desondanks zijn ‘onze’ drie jongens de trots van Trentino.


Ook op maandag gaat het Festival dell’Economia verder, maar ik kan er helaas niet bij zijn. Ik moet werken. De economie in huize Rokus moet immers ook blijven draaien.



zondag 6 februari 2011

La signora Giulia (short bus stories - 2) (21 april 2009)

Er wordt gewerkt in Gardolo. Aan de ene kant van de weg wordt een voetpad aangelegd, en als gevolg daarvan wordt het voetpad aan de andere kant versmald. De weg moet namelijk breed blijven zodat men daar voort kan blijven jakkeren zonder acht te hoeven slaan op de maximale snelheid die daar geldt. Tussen de bergen zand en de graafmachines door is het duidelijk dat er voor de voetgangers een smalle strook bewegingsvrijheid overblijft waar je met enige moeite met z'n tweeën naast elkaar kan lopen. De auto heeft voorrang in Italië, op alle gebied.
Maar voor een tijdje is de weg nu dus smal. De bushalte is een meter of vijftig verplaatst en ter hoogte daarvan staat een stoplicht. De passagiers stappen in en de bus wacht. Het stoplicht staat op rood.

In de verte komt la signora Giulia aangedribbeld. Ik heb er altijd moeite mee om leeftijden in te schatten, maar ze moet al een eindje in de zeventig zijn. De grijze haren kort geknipt, want dat is gemakkelijk. Niet alleen dankzij haar neus heeft haar gezicht iets haviksachtig, want ook de ogen kijken vanachter de smoezelige brilleglazen ietwat roofvogelig de wereld in. Haar grijze jas rijkt tot net over de knieën en onder haar arm houdt ze stevig haar tasje geklemd. Want tegenwoordig moet je overal op je hoede zijn, met al die buitenlanders. Ze vergeet dikwijls dat ik er ook een ben.
La signora Giulia is dus hoog bejaard en ze eist het respect voor haar vergevorderde leeftijd altijd ietwat hinderlijk op. Zo moet zij bijvoorbeeld altijd absoluut als eerste de bus in. Die drang is zo sterk dat ze zich wel eens in de bus vergist en op lijn 17 terecht komt in plaats van op 'haar' lijn 7.
Maar nu heeft la signora Giulia dus de bus gemist. De deuren zijn dicht, het wachten is enkel nog op het groen. Dat arriveert als ze tot op tien meter genaderd is. De bus trekt op en la signora Giulia begint als een bezetene te zwaaien, want iemand van haar leeftijd behoort niet vijf minuten tot de volgende bus te hoeven wachten. De chauffeur twijfelt even, maar besluit toch te remmen. De deuren gaan open en la signora Giulia heeft het gehaald. Ze is niet al te vlug en het stoplicht neigt al naar oranje als de deuren zich achter haar sluiten. De chauffeur trekt langzaam op maar geeft daarna flink gas bij om halverwege niet met tegemoetkomend verkeer geconfronteerd te worden. La signora Julia is ondertussen druk in de weer met het afstempelen van haar abonnement (afstempelen is niet het juiste woord, want je moet het abonnement voor een kastje houden en zo wordt het electronisch gelezen). In plaats van zich met haar vrije hand vast te houden gaat haar arm protesterend de lucht in, waarna ze als een ballerina met een slok teveel op enige ongecontroleerde pirouetten begint te draaien. Het is geen gracieuze uitvoering, en ook het sluitstuk van haar ballet heeft iets van ‘de stervende zwaan', maar dan letterlijk. Een student, de rossige haren in de war, zit afwezig naar buiten te staren. Zijn ogen zakken af en toe dicht en hij heeft duidelijk moeite het ritme van de nieuwe dag op te vatten. Totdat de grijze zwaan Giulia haar vlucht fladderend beëindigd op zijn schoot.
Twee, in vooroorlogs gepantserde kousen verscholen benen steken de lucht in en vanachter verschillende onderrokken klinkt een gesmoord en wanhopig 'Ooooo Madonna' van la signora Giulia. Een medepassagier helpt haar met wat moeite terug op de been. La signora Giulia lacht, een beetje beschaamd, en roept la Madonna nog enige keren aan. Haar schaamte valt echter in het niet bij die van de student, die met een vuurrood hoofd de blikken van de moeizaam hun lach inhoudende medepassagiers op zich voelt prikken. Hij weet het nog niet, maar dit is een van die ervaringen die je je hele leven bijblijven. Een van die ervaringen die je met niemand wil delen en die je dus voor altijd stil met je meedraagt. Een geheim, verankerd in de schaamte die het loslaten in de weg staat. Hij staat op en laat zijn plaats aan de oude dame die hem zojuist op een zo onbarmhartige wijze uit zijn dromen heeft gewekt. Niet uit respect voor de ouderdom, maar meer om uit het schelle licht van de onwelkome schijnwerpers te ontsnappen. Als we een minuut later bij de volgende halte stappen staat hij weggedoken in een hoek, zijn neus bijna tegen de langzaam beslaande ruiten van de bus gedrukt.
Een handvol reizigers stapt in. Ze hebben geen idee van wat ze gemist hebben.

Ook het meisje met de Cleopatra-ogen stapt op en vind haar vaste plaats bezet door la signora Giulia. Ze kijkt rond, op zoek naar een andere vrije plaats. Even kruist haar blik de mijne. Ik kan me niet voorstellen hoeveel jonge farao's er al zijn verdronken in deze kijkers, maar het moeten er veel zijn. Bij gebrek aan een zitplaats neemt ze genoegen met een plekje aan het raam dat nog vrij. De bus trekt op. De lichamen van het meisje met de Cleopatra-ogen en de jongen met het rossige haar naast haar vinden elkaar in de synchrone bewegingen op het ritme van de putten en de bochten in de weg die als de openingen van een orgelboek in een draaiorgel onder de wielen voorbij schuiven.

De mevrouw naast me niest haar handen vol. De bus nemen is goed voor het milieu, maar het is niet direct de meest gezonde manier om je je naar het werk te begeven.
Achter me vertelt een jongetje plagerig aan zijn vriendje dat hij vanaf morgen lekker drie dagen op schoolreis naar Venetië is terwijl die andere gewoon naar school moet. Van je vrienden moet je het hebben.
Twee andere jongetjes spelen boter, kaas en eieren ('tris' noemen ze dat hier) op de inmiddels geheel beslagen ruiten van de bus.

Als we in Trento aankomen heb ik een liedje in m'n hoofd....




Verlossing (27 maart 2009)



Zondag, 1 februari 2009 (1 v.A.).

Het regionale nieuws heeft zoals altijd weinig te bieden. Ik luister slechts met een half oor toe hoe onder begeleiding van een monotoon gebabbel een vallende fietser, een in het bezit van drugs gearresteerde buitenlander, een jubilerende priester en het gelijkspel van het voetbalelftal van Mezzolombardo de revue passeren. Een nagekomen bericht doet mijn wenkbrouwen echter enige millimeters in opwaartse richting van positie veranderen. Het maakt melding van een felgroen verlicht bolvormig object dat in de reeds donkere hemel van de vroege winteravond is waargenomen boven het meer van Caldonazzo. Het verplaatste zich geluidloos met grote snelheid van oost naar west en was slechts een tiental seconden zichtbaar. Op het nabijgelegen vliegveld Gianni Caproni in Trento kan men geen verklaring geven voor het verschijnsel. Net zomin als bij Meteo Trentino, dat afsluit met het weer voor morgen. Men verwacht een heldere dageraad, maar de bewolking zal in de loop van de dag toenemen en men moet rekening houden met sneeuw in de avond en de nacht.

Nog geen uur later ben ik het regionale nieuws al vergeten.

Maandag, 2 februari 2009 (0).

De discussies bij de halte Melta "case ITEA" gaan, zoals gebruikelijk op maandagmorgen, over het voetbal. Ook al is het grootste gedeelte van de wachtenden op lijn 7 op weg naar school, dat instituut lijkt melkwegen verder weg dan de stadions waarin de jongste miljonairs van Italië de kost verdienen. De kleinste van de groep wordt door zijn vrienden "Mosca" genoemd, "Vlieg". En Vlieg heeft de pest in, want zijn Juve heeft wederom verloren. Met 2-3 van Cagliari dit keer, in eigen huis nog wel. De hilariteit van de Milanisten en Interisten is groot, het bushokje gevuld met gejoel en gelach. Niemand heeft in de gaten dat vanuit de richting van Gardolo een ezeltje onze kant opkomt.
Pas als het beestje tot op honderd meter genaderd is hoor ik hoe vier hoefjes op het asfalt van de Via Matteotti klikken, als de hoge hakken van twee dikke dames. Ik keer me om, en ook de hoofden van de andere passagiers draaien eensgezind de kant van het niet alledaagse geluid op. De plotseling invallende verbaasde stilte is bijna tastbaar, en wordt slechts onderbroken door het bijna vrolijke klik-klak-klik-klak dat stopt als het ezeltje en zijn gevolg halt houden ter hoogte van het bushokje. De ezel, een hoogzwangere vrouw in het zadel, een man die het leidsel vasthoudt. Wolkjes adem die in de ijle, koude ochtendlucht oplossen.
,,Mogen we hier even uitrusten?'', vraagt de man. Als antwoord wijkt de groep in stilte uiteen en het echtpaar neemt op het bankje van het bushokje plaats. ,,We zijn moe'', verontschuldigt de bezoeker zich. ,,We hebben de hele nacht gelopen, want alle herbergen waren vol.''
Waar heb ik dit meer gehoord?.
,,Ik ben Josef'', stelt de man zich voor. ,,En dit is Maria.'' Dat is teveel voor Vlieg: ,,Ja, en ik ben Napoleon.'' De groep begint te proesten, wat in de kiem gesmoord wordt als er een siddering door het lichaam van Maria schiet en ze begint te kermen. ,,Mijn god, de weeën'', jammert Josef. Het koude zweet breekt hem letterlijk uit.

Gelukkig staat ook Cinzia bij de bushalte. Ze werkt als schoonmaakster in het ziekenhuis, en haar brede kennissenkring aldaar komt op dit moment wonderwel goed uit. Ze duwt haar boodschappentas in mijn armen en stroopt haar mouwen op. Nog geen tien minuten later ligt er een dot van een baby in de armen van Maria.
,,O, wat mooi'', klinkt Josef beduusd. ,,En..., hoe noemen we hem?''
,,Ale'', oppert Vlieg, ,,zoals Alessandro... Del Piero.'' Vlieg kijkt om zich heen, verbaasd, want niemand protesteert. Allemaal kijken we omhoog naar het vreemde groene schijnsel dat het bushokje verlicht.

Vrijdag, 2 februari 2525 (516 n.A.).
Joyce Innaritù, de 129e president van de Verenigde Staten van America, staat voor de spiegel. Ze moet haar ‘verlossingstoespraak' voor de natie houden en is gespannen. Niet voor de toespraak, maar ze krijgt een van haar oorbellen niet in. Haar man George schiet haar te hulp, neemt het sierraad over en, "klik", het zit. Hij legt zijn hand op haar schouder en kust haar zacht op een wang. ,,Je bent prachtig'', fluitert hij in haar oor.

Vijftien minuten later zit ze live voor de camera. De opening krijgt dankzij een close-up van president Innaritù bewust een heel persoonlijk karakter. Pas na ongeveer een minuut zoemt de camera heel langzaam uit en krijgen de kijkers zicht op een van de vensters van de "oval room" waarachter de laatste sneeuw van deze winter nog een deel van de tuin van het Witte Huis bedekt. En voor het raam staat een buscus, versierd met rode, witte en blauwe ballen, zilveren slingers en twinkelende lichtjes. Het hoort bij verlossingsdag, en doet vaag denken aan kerstmis dat tot zo'n 400 jaar geleden op grote schaal gevierd werd.
De camera zoomt nog iets verder uit, en daar, onder de verlossingsboom komt het langzaam maar zeker in beeld... Het bushokje. En de beeldjes van een groep personen.
Als je heel goed naar de figuurtjes kijkt zie je me staan, met de boodschappentas van Cinzia in m'n handen. En daar staat Vlieg, op het moment dat hij Josef op de schouders tikt en om een sigaret vraagt.
En op het bankje Maria, met in haar armen... Ale, nog totaal onwetend van de wonderen waarmee hij de wereld zal verbazen.