Posts tonen met het label oorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oorlog. Alle posts tonen

zondag 13 februari 2011

Hij eerst (5 oktober 2009)

Begin jaren 40 van de vorige eeuw. Een stadje in het zuiden van Polen. De Duitse bezetters zijn op jacht, op jacht naar verraders. Het is heel eenvoudig om als verrader aangezien te worden door de nazi's. Het niet eens zijn met hun waan-ideeën is genoeg.
Velen in Wadowice zijn het niet met de Duitsers eens, en zijn dus verraders. Als de eerste pantserwagens denderend de stad ingereden komen weten velen te vluchten, maar niet iedereen. Wie zich niet in veiligheid heeft weten te brengen, wordt samengedreven op het plein tegenover de basiliek. Het wit van het gebouw symboliseert de kleur van de vrede. Vrede, een term zonder betekenis in het Polen van die jaren. Het contrast van het wit van de basiliek met de grijze kleren, de grauwe, van angst verwrongen gezichten van de massa is zo immens dat het bijna onwerkelijk wordt.

In de Zacisze, een van de straatjes achter de basiliek wordt een jongen hardhandig door een Duiste soldaat uit een kelder gesleurd, waar hij zich verstopt had. Hij is bang, maar blijft helder denken. Als de soldaat zijn aandacht heel even verslapt zet hij het op een lopen, linksaf de Krakowska in, weg van basiliek. Hij slaat rechtsaf de Teatralna in, hopend de Henryka Sienkiewicza te bereiken, een brede straat met bomen die hem wellicht uit het zicht van zijn achtervolger kunnen houden. Maar de jongen is moe, en de voetstappen van de soldaat komen steeds dichterbij. Ten einde raad slaat hij een zijstraat in, maar op hetzelfde moment realiseert hij zich een fatale fout gemaakt te hebben. De straat loopt dood. Wanhopig klopt hij op deuren, op luiken, maar nergens een teken van leven. Niemand laat hem binnen.
Aan het eind van de straat draait hij zich om. Zijn rug tegen de muur, de handen in de hoogte, biddend. Hij is nog maar 21 jaar oud, zou nog een heel leven voor zich kunnen hebben. Het schijnt geen indruk te maken op de soldaat, die grijnzend dichterbij komt. Als hij tot op 5 meter genaderd is neemt hij zijn wapen van zijn schouder en legt rustig aan...
En op dat moment klinkt er een stem vanuit de hoogte. Geen gewone stem, maar een stem met iets... ja, hoe omschrijf je dat? Met iets hemels, iets goddelijks. Misschien is dat nog de beste omschrijving.
,,Schiet niet op die jongeman'', zegt de stem bevelend. ,,Hij mag niet sterven, want eens zal hij paus zijn!''
De soldaat laat zich niet zomaar uit het veld slaan. Hij kijkt met één oog schuin omhoog in de richting vanwaar de dreunende stem vandaan schijnt te komen, maar houdt zijn wapen gericht op de jonge Pool voor zich. ,,O, is dat zo'', roept hij zonder enig spoor van eerbied. ,,En wat als ik niet schiet? Hè? Wat levert het voor mij op?''
Boven hun hoofden klinkt gemompel, wijfelend, maar dan herneemt de stem zijn gezag. ,,Goed'', klinkt het. ,,Goed. Ook jij wordt paus. Maar hij eerst.''



 
De clip is gemaakt door Silvio di Giorgio, en is ook te zien op Virus, de satirische web-bijlage van de Italiaanse krant L'Unità.
De tekst is niet gebaseerd op bewezen feiten.

zondag 6 februari 2011

Rozeneiland... De laatste oorlog van Italië (26 februari 2009)

Precies 40 jaar geleden, op 26 februari 1969, beslechtte Italië haar laatste oorlog. Een stille oorlog, waarbij geen enkel schot viel, geen melding gemaakt behoefde te worden van slachtoffers. Slechts een serie explosies doorbraken aan het eind van een acht maanden durende strijd de stilte, en maakten een eind aan de droom van Giorgio Rosa en zijn onafhankelijke staat het Rozeneiland, ofwel de Esperanta Respubliko de la Insulo de la Rozoj, zoals het kunstmatige eiland in haar officiële taal het Esperanto heette.

Wie weet wat de, in 1925 in Ravenna geboren Giorgio Rosa heeft gedreven toen hij in 1957 met zijn eerste projecten begon voor de bouw van een constructie in zee. ,,Ik ben in 1950 afgestudeerd als industrieel ingenieur'', vertelt hij in januari 2007 op 82-jarige leeftijd in een interview aan Fabio Vaccarezza, een Italiaanse filatelist. ,,Het was de periode na de oorlog, ik had veel werk, maar ik bleef mijn passie voor de zee voelen, de open ruimte, de horizon. Ver weg van de stress, de smog, en de politici.'' Jaren van dubben, tekenen, berekenen, plannen weg gooien en opnieuw beginnen volgden.
In 1964 was het eindelijk zover dat Rosa voor het eerst in open zee kon gaan testen. En het functioneerde. Het principe was eenvoudig: een lichte constructie van pijlers kon eenvoudig naar wat voor plaats dan ook op een meer of op zee getransporteerd worden (hiervoor gebruikte men een speciaal ontworpen vaartuig met een Fiat 500 motor) en werd daar op de bodem neergelaten. De pijlers werden aan de binnenkant voorzien van een buis die zo ver mogelijk de bodem werd ingeschoven, daar ging cement in en klaar was Kees. Of Giorgio, in dit geval. Een vereiste was wel dat de maximale diepte 40 meter bedroeg.
Die ideale plaats was inmiddels bekend: 11,6 kilometer voor de kust van Rimini in de Adriatische Zee op 44° 10' 48'' noorderbreedte en 12° 36' 00'' oosterlengte. Precies 500 meter buiten de Italiaanse territoriale wateren. Door geldgebrek, regelmatig slecht weer en bedreigingen van de Italiaanse autoriteiten (elk object werd als een obstakel voor de navigatie gezien en moest op een gegeven moment verwijderd worden) duurde het echter tot 1967 voordat daar het eerste Rozeneiland daadwerkelijk vorm kreeg.




Het eerste Rozeneiland, want Giorgio Rosa en zijn team (waarvan ook zijn vrouw geestdriftig deel uitmaakte) dachten in het groot aan sateliet-eilanden die onderling met elkaar en met het moedereiland verbonden zouden zijn. Ze dachten aan een hotel, winkels, toeristen, en een tuin. ,,Een bontgekleurde tuin, midden op zee. Dat was een van mijn ideeën'', vertelt Rosa. ,,Dat is ook een van de redenen waarom we het eiland "L'isola delle rose", het Rozeneiland, hebben genoemd. De andere reden is een verwijzing naar mijn naam.''
De positie van de op 9 pijlers rustende constructie werd doorgegeven aan de maritieme instanties, en middels boeien en verlichting werd het scheepsverkeer op de Adriatico attent gemaakt op het obstakel. Langzaam maar zeker vorderden de activiteiten. Op de eerste verdieping van vierhonderd vierkante meter, acht meter boven de zeespiegel, verscheen een tweede. In augustus 1967 verschenen de eerste toeristen. Het eiland beschikte over zoet water, dat vanaf 280 meter diep uit de zeebodem omhoog werd gehaald. En er waren een bar, een restaurantje, wat winkeltjes en zelfs een postkantoor, verdeeld over vier "straten".
De aanlegplaats voor de bootjes was heel bijzonder: door een "spiegel" van zoet water op het zee-oppervlak onder het eiland te leggen werd de golfslag dermate gedempt dat men zonder noemenswaardige risico's aan "wal" kon. De aanlegplaats werd Haveno Verda genoemd, de groene haven, in het Esperanto.

Het Esperanto werd op 1 mei 1968 de officiële taal van Rozeneiland. Op die dag werd de onafhankelijkheid uitgeroepen door Giorgio Rosa, de stichter en eerste president van de Esperanta Respubliko de la Insulo de la Rozoj. Wellicht wordt hiermee de indruk gewekt dat Rosa een alleenheerser was, maar niets is minder waar. ,,Op die dag hadden we het eerste regeringsoverleg'', legt hij uit. ,,Ik bemoeide me enkel met de constructie en de nieuwe verdiepingen die gebouwd moesten worden. Vier partners van me namen de ministeries voor hun rekening.'' Op 24 juni van dat jaar was de regering uitgebreid tot vijf departementen: het ministerie van financiën, van binnenlandse zaken, van handel en industrie, van communucatie en betrekkingen en ten slotte het ministerie van buitenlandse zaken. Zelfs de eerste plannen waren gemaakt om toetreding tot de Verenigde Naties aan te vragen.
Het symbool van de nieuwe natie bestond uit een boeket van drie rode rozen op een witte ondergrond. En men had zelfs een volkslied, waarvoor "Steuermann! Laβ die Wacht!" uit de eerste scene van de derde akte van De Vliegende Hollander van Richard Wagner geadopteerd werd. En de eerste van twee series postzegels (een droom voor iedere filatelist) waren al in omloop. Van de nieuwe munteenheid, de "Mill" (Milo, in Esperanto), waren echter nog geen biljetten of munten in omloop.


Op die 24e juni 1968 werd op het eiland een persconferentie gegeven waarbij president Rosa de onafhankelijkheidsverklaring wereldkundig maakte.
Rozeneiland was op dat moment al een echte toeristische trekpleister. Sinds 1967 was er sprake van een omvangrijke maritieme verkeer tussen Rimini en l'Isola delle Rose, en dit baarde de Italiaanse ordebewaarders serieuze zorgen. Giorgio Rosa werd door de Italiaanse regering gezien als een gewiekste oplichter, en zijn utopia werd slechts beoordeeld als een manier om de toeristen geld uit de zakken te kloppen zonder daar aan de Italiaanse staat belasting over te betalen. Voorlopig leek er voor hen echter weinig anders op te zitten dan machteloos toe te moeten zien.

De schijn bedroog echter. Eén dag na de officiële bekendmaking van de Republiek Insulo de la Rozoj, op 25 juni 1968, viel Italië het ministaatje binnen. Terwijl de vroege ochtendzon de toeristen aan de Adriatische kust een aangename dag aan zee beloofde werd 11 kilometer verder op zee het platform omsingeld door een tiental vaartuigen van de geheime politie, de carabinieri en de financiële politie. Een handvol agenten nam bezit van het eiland, zonder dat er sprake was van enige tegenstand van betekenis. Dat was niet verwonderlijk, aangezien alleen eilandbewaker Piero Ciavatta en zijn vrouw aanwezig waren.
De Groene Haven werd hermetisch afgesloten en niemand kreeg nog toegang. Het echtpaar Ciavatta moest tot 11 juli wachten voordat het toestemming kreeg om terug te keren naar het vaste land.
De regering van Rozeneiland stuurde direkt na het "wapenfeit" een telegram naar de president van Italië, Giuseppe Saragat, om te protesteren tegen "de schending van de soevereiniteit en de schade aan het lokale toerisme als gevolg van de militaire bezetting". Saragat nam niet eens de moeite om te antwoorden. Het was het begin van een lange reeks van juridische touwtrekkerij en een serie beschuldigingen over en weer. ,,Ondanks alles wat er gezegd en geschreven is zijn er nooit plannen geweest om een casino op het eiland te bouwen'', verzekert Giorgio Rosa. Ook de geruchten van een illegale radiozender zijn volgens hem uit de lucht gegrepen. ,,De lange buis die voor iedereen zichtbaar was, was gebruikt om naar zoet water te zoeken en had geen andere functie.''
Ondanks de juridische adviseurs die Rosa verzekerden dat men hem niets kon maken hield de Italiaanse regering voet bij stuk. De pretenties van soevereiniteit, onafhankelijkheid en internationale rechten die de eigenaren van het platform zich toeëigenden waren volgens Italië op niets gefundeerd, aangezien Italiaanse staatsburgers zich ook buiten Italië aan de staatswetten dienen te houden. Een serie hoger beroepen liep op niets uit, maar desondanks weigerde Rosa op enkele aanbiedingen in te gaan om zijn eiland te verkopen. Dat dreef uiteindelijk onvermijdelijk in de rechterlijke troebele zee naar de afgrond. Alles wat zich op het eiland bevond werd eind november door de Italiaanse marine geconfiskeerd, en op 22 januari 1969 bracht men de eerste explosieven aan die het roemloze einde van Rozeneiland moesten betekenen. Giorgio Rosa was verbitterd en liet tijdens een interview aan de krant "Il Resto di Carlino" weten dat hij zich schaamde een Italiaan te zijn, een uitspraak die overigens niet geplaatst werd.
De stengels van de rozen bleken taaier dan verwacht. Toen de rook na de explosies op 11 februari optrok was een deel van het eiland weliswaar beschadigd, maar de negen pijlers waren geen centimeter geweken. ,,Ze moesten drie maal terug komen met iedere keer een grotere lading TNT'', blikt de ingenieur met iets van trots in zijn stem terug. Op 26 februari gaat Rozeneiland uiteindelijk toch kopje onder. De "Esperante Respubloko de la Insulo de la Rozoj" is letterlijk van de aardbol weggeveegd.
De verontwaardiging in Rimini en wijde omgeving was groot.

Maar het vervolg op Rozeneiland was al even stil als haar geschiedenis en de oorlog aan het eind van die geschiedenis. In de landelijke dagbladen werd nog enige tijd modder gegooid, maar al snel verdwenen Giorgio Rosa en zijn droom in de vergetelheid. Heel af en toe kwam het eiland weer even boven drijven, in een krantenartikel van de Corriere Romagna bijvoorbeeld die op 11 mei 2008 twee pagina's besteedde aan het ontstaan van de republiek, 40 jaar daarvoor. Tien jaar daarvoor stonden de tekenaars Giuseppe Montanari, Claudio Piccoli en Giancarlo Alessandrini in nummer 193 van het stripblad Martin Mystère
Begin deze maand verscheen L'isola delle Rose ook op de planken. Schrijver, regisseur en acteur Mauro Monni deed in het Everest Theater in zijn stad Florence samen met Giovanni Palanza de legende drie avonden lang uit de doeken.
Het leuke is dat Rozeneiland ook haar plaatsje heeft gevonden in de digitale wereld. Je vindt weliswaar weinig informatie over het onderwerp (en het weinige dat er is, is soms redelijk tegenstrijdig), maar op Google Maps blijkt het wel als een dobbertje in de Adriatische Zee te vinden te zijn.



Wie weet wat Italië ertoe bewogen heeft om zo hard tegen het, laten we zeggen, ludieke project op te treden? Waren het werkelijk die paar belasting-lires die ontdoken werden? Raar, want er zwommen (en zwemmen) wat dat betreft veel grotere vissen als Giorgio Rosa rond in de Italiaanse wateren. Ook het excuus dat het kunstmatige eiland een gevaar was voor de scheepvaart lijkt me wat ver gezocht. Een casino, een radiopiraat? Had men er werkelijk 31 miljoen lire (dat zou de sloop gaan kosten) voor over om die het zwijgen op te leggen?
Of zat er wat meer achter? In 1966 was Rosa al eens gedwongen geweest door de havenautoriteiten van Rimini om het werk stil te leggen. De constructie bevond zich namelijk een zone waar de ENI concessie op had. De ENI is het grootste Italiaanse energiebedrijf, toen nog volledig staatsbezit. Op vrijwel dezelfde plaats als waar veertig jaar geleden Rozeneiland in de golven verdween staan tegenwoordig enkele platforms van Agip, een dochtermaatschappij van de ENI. Op de platforms wordt gas gewonnen.


Bronnen:
Wikipedia.
CIFR.
Isoladieden.wordpress.com.

Foto's:
Wikipedia.
CIFR

zaterdag 5 februari 2011

... en schaatser (11 januari 2009)

Als ik zo de internet-edities van de vaderlandse dagbladen doorblader lijkt de Elfstedenkoorts weer in volle hevigheid te zijn toegeslagen. Mijn speurtocht naar het laatste nieuws over de Tocht der Tochten maakt duidelijk dat het virus tot ver over de landsgrenzen reikt. Ik neem gemakshalve aan dat ik niet de enige Nederlander in het buitenland ben die het een beetje voelt kriebelen.
Ook in Italië wordt geschaatst, maar het is mondjesmaat. Compleet dichtgevroren meren liggen er spiegelglad maar maagdelijk bij. Een dergelijke ijsvloer, die in mijn omgeving gemakkelijk tot een dikte gaat van 30-40 centimeter, zou in Nederland ongetwijfeld het podium zijn waarop een massa schaatsliefhebbers hun rondjes 36, hun Cherryflips (niet te verwarren met de sherryflip), Lutzen, Salchovs, Rittbergers en Axels ten toon zouden spreiden. Op de bevroren plassen in Trentino heerst echter een diepe, winterse rust, een enkele uitzondering daargelaten.
Het kunstrijden kent wel wat aandacht, maar "ons" hardrijden op de schaats gaat hier schuil onder een gigantische ijsberg van desinteresse. Er is één officiële 400-meter baan in Italië en die bevindt zich in Baselga di Piné, een dorp met een kleine 4500 inwoners, 18 kilometer verwijderd van Trento. Je vindt er geen files als er de nationale kampioenschappen worden verreden. De reportage van ongeveer een minuut die het regionale tv-journaal over het evenement verzorgt toont als het echt druk is een menigte van anderhalve man en een paardekop. Ofwel "un uomo e mezzo e una testa di cavallo", want het zijn tenslotte de Italiaanse nationale kampioenschappen hardrijden op de schaats. Grote namen als Roberto Sighel en Enrico Fabris (de eerste woont in Baselga di Piné, de tweede in Asiago, op het randje van de provincie Trentino) klinken als je ze in Nederland uitspreekt, maar in Italië worden wenkbrauwen vragend opgetrokken als je de wereld- en olympische kampioenen vernoemt. ,,Chi?'' ,,Wie?''

De Elfstedentocht die mij het meest bijstaat is die van 1986. En niet alleen omdat Evert van Benthem op die 26e februari geschiedenis schreef door in een tijd van 6 uur, 55 minuten en 17 seconden voor de tweede opeenvolgende keer als winnaar op de Bonkevaart in Leeuwarden over de finish te gaan. De 14 editie van de 199.600 meter lange slooptocht is voor mij vooral onvergetelijk geworden dankzij een toenmalige collega van me, die ik hier Piet zal noemen omdat hij zo heet. Piet heeft niet meegedaan, maar was na 1985 zo in de ban geraakt van de tocht dat hij een jaar later vrij wilde nemen om de hele rit rechtstreeks vanaf de bank in de behaaglijk warme huiskamer mee te maken. Helaas kon hij die donderdag geen snipperdag krijgen, maar dat was geen probleem. 's Morgens om zes uur bij de start drukte hij de ''rec'' van zijn videorecorder in en het spel kon beginnen. De televisie ging uit, er werd rustig ontbeten en met een goed gemoed vertrok Piet naar het werk. Om iets voor negen belde hij de eerste keer naar huis, voor het geval zijn echtgenote eens zou vergeten er een andere videoband in te steken. Piet was die dag een tevreden mens, en aan iedereen die het wel en niet horen wilde liet hij weten dat hij vanavond, of morgen en misschien ook nog eens zaterdag de hele tocht op zijn gemak zou kunnen bekijken. Elke meter. Om iets voor twaalven, ongeveer een uur voordat Van Benthem over de finish zou gaan, werd nog eens naar huis gebeld. En om drie uur nog eens, want Piet wilde ook de toerrijders aan zien komen. De bandenwisseling van zes uur 's avonds redde hij zelf door zich meteen na het werk met de snelheid van een in de laatste honderd meter op de hielen gezeten koploper van de Elfstedentocht naar huis te spoeden. Om negen uur werd voor de laatste keer die dag de de ''stop'' van de videorecorder ingedrukt, de ''eject'' volgde in één vloeiende beweging, heel even wachten tot de klep zich opende, band eruit, band erin, klep dicht, klik en klak, "rec". Een pitstop in de formule 1 was er niks bij.
Toen Piet de volgende morgen op het werk verscheen leek het of hij meteen om twaalf uur, aan het eind van de uitzending, aan zijn project - het in zijn geheel bekijken van de Elfstedentocht - begonnen was. Hij zag er moe uit, niet uitgeslapen en bovendien had hij een pesthumeur. Pas om een uur of tien kwam het hoge woord eruit: de Elfstedentocht was op Nederland 1 uitgezonden, maar de videorecorder had op Nederland 2 ingesteld gestaan.

Piet en ik werkten op een fabriek in Sluiskil, een fabriek die vroeger de Compagnie Neérlandaise de l'Azote heette. Vroeger betekent van 1929 tot 1963. Toen veranderde men van eigenaar en van naam. Later gebeurde dat nog twee keer, maar desondanks bleven en blijven veel oudere Zeeuws Vlamingen het bedrijf de Lazotte noemen. Dat is wel zo eenvoudig.
De Lazotte maakte vanaf het begin af aan kunstmest, en het schijnt dat je door een kleinigheidje te veranderen in het produktieproces al heel gauw en eenvoudig over kunt gaan tot de produktie van springstof. Toen Nederland in de Tweede Wereldoorlog door onze oosterburen werd bezet bleek de fabriek dan ook meer dan een gezonde dosis aan interesses op te wekken bij de Duitsers. Men wilde de fabriek maar wat graag weer opstarten, waar de Engelsen echter lucht van kregen en dus regelmatig wat bommen op de installaties uitstrooiden. Toen had men nog niet de beschikking over de uiterst geavanceerde precisiewapens die nu in omloop zijn. Het precisie-element in de bombardementen van toen was de piloot, één oog dichtgeknepen, het andere geopend en dan maar mikken. Dat ging wel eens fout natuurlijk, maar om nu te zeggen dat de resultaten tegenwoordig zoveel beter zijn dan toen. Ik heb er mijn twijfels over.
Op een mooie zomerdag in die oorlogsjaren was mijn moeder, een jaar of twaalf oud toen, er met een paar vriendinnetjes op de fiets op uitgetrokken. Vanaf Axel via de Steenovens naar Spui, en dan door de Koegorsstraat naar de Sassing en terug naar huis. Halverwege de Koegorsstraat kom je achterlangs de Lazotte, en daar barstte de hel los. Engelse vliegtuigen kwamen over en losten hun vracht, die bressen sloeg in opslagloodsen, vlammen sloeg uit ingewikkelde pijpleidingsystemen, putten sloeg in de omliggende akkers, en een anker sloeg voor het leven in de herinnering van drie meisjes. Hun fietsen lagen midden op de weg, en ze hadden beschutting gezocht in een droogstaande sloot, waar ze huilend en met de vingers in de oren afwachtten.
Toen de rust weerkeerde kropen ze uit hun schuilplaats en zonder nog een woord te zeggen fietsten ze als de wind terug naar huis. Ze konden - gelukkig - hun verhaal navertellen, en de bommen waren van de toekomstige bevrijder. Voor de rest, Sluiskil, Hamburg, Ramallah, Jerusalem, Gaza, wat is het verschil? Er liggen 65 jaar geschiedenis tussen, waarin schijnbaar weinig is geleerd en veranderd. Onschuldige burgers sneuvelen nog altijd, overal ter wereld.

Het laatste stukje op de fiets, langs de Sassing, de Grote Kreek, naar Axel. De Grote Kreek, waar ik 21 jaar later voor het eerst met de schaatsen aan op het ijs stond. Het feit dat nog eens precies 21 jaar later Van Benthem zijn tweede Elfstedentocht won mag gerust louter toeval genoemd worden.
Ook het feit dat een van de onderdelen van de kür bij het kunstschaatsen Axel genoemd wordt heeft niets te maken met het Zeeuwsvlaamse stadje waar ik ben opgegroeid, maar alles met de Noorse schaatser Axel Paulsen (1855-1938) die de sprong voor het eerst uitvoerde. De zeer eigenzinnige Paulsen was ook nog eens de beste hardrijder aan het eind van de negentiende eeuw, maar het is niet bekend of hij de sprong ook tijdens dit soort wedstrijden uitvoerde. Wel schijnt hij de de mijl eens achteruit gereden te hebben. In 1888 moet dat geweest zijn, op Hollands ijs. Zijn tijd was een meer dan verdienstelijke drie en een halve minuut.
Maar het Axel waar ik het over heb heeft nooit een stempel kunnen drukken op het kunstrijden, het hardrijden of enige andere wintersport. Ik realiseer me dat ik daar mede debet aan ben geweest. Met enige fantasie zou ik tot de conclusie kunnen komen dat ik het "klapschaatsen" heb uitgevonden (vernoemd naar het geluid waarmee ik tijdens mijn krabbelpartijen regelmatig met het zitvlak de harde ijsvloer beroerde), maar deze term komt slechts als zelfstandig naamwoord in de woordenboeken voor, en niet als werkwoord. Ik was geen talent op de gladde ijzers. Mijn rondjes 36,6 waren minuten in plaats van seconden. Het "tikkertje op ijs" was meer geliefd bij mijn vriendjes dan bij mij, waarschijnlijk omdat ik 'em altijd was en niemand te pakken wist te krijgen. Mijn grootste probleem was het stoppen, wat ik nooit onder de knie heb weten te krijgen. En dat is lastig bij het schaatsen. Je hebt dan twee keuzes. Of door blijven rijden totdat de dooi invalt of je in de walkant boren om op die manier tot stilstand te komen. Ik opteerde voor het laatste, temeer omdat ik daar na verloop van tijd wel enige bedrevenheid in kreeg. Het werd uiteindelijk mijn sterkste onderdeel van het schaatsen.

De winters uit mijn jeugd bezorgden gelukkig niet alleen ijs, maar ook sneeuw. Daar was ik meer in thuis. Op het groentje (ik geloof niet dat dat toen al zo heette) voor de deur van mijn achterbuurjongetje Kees kwam bij de eerste sneeuwval altijd een sneeuwpop te staan. Daarbij gingen we niet al te kieskeurig te werk. Het deerde ons weinig dat het egale wit van de drie bollen waarmee onder-, bovenlichaam en hoofd gevormd werden hier en daar wat donkerder kleurde dankzij de hondekeutels die zich ook op het groentje bevonden.
Bij ons iglo-project was dat anders. Hier wilden we alleen de witste sneeuw voor wat we met een kruiwagen overal vandaan haalden. Avond na avond werkten we eraan na schooltijd. Rond etenstijd kreeg het iets van een sterreclame. Bure Jannie maakte dikke witte boterhammen met pindakaas die ze ons door het raam aanreikte. Keesje en ik aten ze, gezeten op de vensterbank, op. Ze raakten geen keelgat, want honger hadden we gekregen van al dat werk. Voor ons glinsterde de basis van onze iglo in het gelige licht van de lantaarnpaal. Het zou helemaal af zijn geweest als er op dat moment iemand langs was gekomen...
,,Zo, jongens. Smaakt het?''
,,Hmm, hmm.''
,,Boterham met pindakaas zeker, hè?''
,,Ja, ze zeggen dat je er sterk van wordt, van pindakaas.''
,,Dan willen jullie vast wel architect worden, hè?''
,,En schaatser.''
,,Eet dan maar lekker door, jongens.''

Ik weet niet wat Keesje later is gaan doen voor de kost. Ik ben in ieder geval geen architect geworden. En al evenmin schaatser.