Posts tonen met het label Trento. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Trento. Alle posts tonen

dinsdag 22 februari 2011

Aperitivo (8 augustus 2010)

Zaterdag, boodschappen gedaan, krantjes gekocht. Als het een beetje meezit blijft er nog wat tijd over voordat we gaan eten. Tijd voor een aperitivo.
Piazza Duomo in Trento. Wellicht vind je er niet de beste aperitivo van Italië, maar je zit er wel op een van de mooiste stadspleinen die het land rijk is. Dat is heel wat, en bovendien is het met een glas Altemasi uitstekend 'behelpen'. Belletjes stijgen op naar het oppervlak, en de mensen komen voorbij...


Sommigen op de fiets...

Een foto...

... die dan toch weer niet blijkt te zijn wat je ervan had verwacht.




Meer fietsers...

Tijd voor een ijsje bij Grom, de beste ijsboer van de stad...
... en eigenlijk geen tijd voor de krant.

Maar weer wel voor een boek...



vrijdag 18 februari 2011

Oranje naar de finale, met dank aan Renato Borghetti? (7 juli 2010)

Italianen zijn erg gelovig. En nog meer dan gelovig zijn ze bijgelovig. Bijna alles heeft wel een betekenis. Positief (een duif die in vogelvlucht juist jou weet te treffen met zijn uitwerpselen) of negatief. Gelukkig is er voor de meeste negatieve voorbodes een tegenmiddel om het lot te keren. Bijna dagelijks wordt ik geconfronteerd met een huisgenote die wat korrels zout over haar schouder naar achteren werpt als ze per ongeluk wat zout heeft gemorst bij het bereiden van de pasta.
Bijgeloof heeft niets met intelligentie te maken, of het gebrek daaraan. Iedereen heeft wel een tik, ongeacht in welke laag van de maatschappij hij of zij zich doorgaans beweegt. Ik ben er na ruim tien jaar in Italië gewend aan geraakt. Erger nog, ik heb er iets van overgenomen.

In mijn vorige bijdrage meldde ik al dat ik het Nederlands elftal nog niet had zien spelen op het WK. Niet omdat ik niet wil kijken, maar de eerste drie wedstijden werden gewonnen tijdens mijn vakantie zonder dat ik daarbij op afstand toeschouwer van was. Ik heb het beste met onze jongens voor, en daar kwam dus dat Italiaanse bijgeloof-duiveltje om de bocht kijken. Ik keek niet naar Nederland-Slovenië, en Oranje won. Ik keek niet naar Nederland-Brazilië, en Oranje won. En gisteren keek ik niet naar Nederland-Uruguay, en Oranje won. Ik begin me zo langzamerhand een echte octopus te voelen, heb er zelfs al even over nagedacht om mijn naam in Paul te veranderen.
Niet kijken was tot gisteren niet eens zo moeilijk. Tijdens de groepswedstrijden was ik immers op vakantie, en tijdens de achtste en de kwart finales was ik aan het werk. Maar gisteravond zou ik dus thuis zijn geweest. Lichte paniek. Wat moet ik doen? Eerst had ik het plan opgevat om naar de bioscoop te gaan, maar uitgerekend eergisteren was “mijn” Cinema Astra aan haar zomerreces begonnen. Victoria of Modena waren een alternatief, maar de weeїge geur van popcorn die daar in de zalen hangt ruik ik de volgende dag nog. Op de culturele agenda van Trento zie ik dat er een concert is in Piazza Battisti. Dan daar maar naartoe. Ook al zegt de naam van de groep me niets, een snelle blik op internet is veelbelovend...
 

 
Piazza Battisti is een plein dat aan de achterkant aan het Teatro Sociale grenst. Het is niet groot, maar imponeert. Vooral door de typische stijl van de gebouwen die het plein omgeven die bijna allemaal in de fascistische periode zijn opgetrokken. Rechte lijnen. Strak. Niet de meest romantische plaats van Trento.
Toch zijn de terrasjes van de twee café’s aan de noordzijde altijd druk bezet. Ook nu. Er wordt gelachen, gepraat, gediscusseerd over het voetbal, ook al ligt Italië er al lang uit. Voor het podium zit en staat een paar honderd koppend tellend publiek te wachten op wat komen gaat. Als Renato Borghetti om iets over half tien samen met zijn Quartet het licht van de schijnwerpers instapt klinkt applaus. Op de terrasjes kwebbelt men rustig voort. En dan begint Berghettinho, zoals hij door zijn fans genoemd wordt, te spelen. De eerste tonen die uit zijn ‘gaita ponto’ opstijgen zijn traag, fladderen als vlinders de zwoele zomeravondlucht in. Zijn kompanen vallen in, klarinet, piano en gitaar. Een rondreis door de, door Borghetti eigentijds ingekleurde volksmuziek van de Rio Grando do Sul, de meest zuidelijke van Brazilië's 26 deelstaten, begint. Het duurt niet lang of zelfs de drukste stemmen op het terras zijn verstomd. 'Magia', noemt men dat hier, magie.


Rio Grando do Sul, het grensgebied tussen Brazilië en Argentinië. De Milonga heerst er, de chamamé, de chacarera, de tango, en de samba natuurlijk. Toen de in 1963 in Porto Alegre geboren Borghetti op 16-jarige leeftijd de 'gaita ponto' (de Braziliaanse kleine versie van de knop-accordeon) begon te bespelen had hij na verloop van tijd eenvoudig in de anonieme massa van locale artiesten kunnen verdwijnen. Maar het liep anders, want hij had talent. En niet alleen dat. Hij wilde niet enkel de traditionele volksmuziek spelen, maar er een persoonlijke klank aan geven. En zo begon hij dus te componeren, creëerde een mix van de verschillende populaire muzikale stromingen uit zijn geboortestreek. Niet alleen met elkaar, maar ook met de jazz. Het verrassende was dat Borghetti's muziek, die duidelijk verwijst naar zijn roots, maar nergens puur folk wordt, geaccepteerd wordt. Sterker nog, zijn eerste cd, 'Gaita Ponto' uit 1984, gaat meer dan 200.000 keer de toonbank over. Het levert hem als eerste Braziliaanse artiest een gouden plaat op voor een album waarop slechts één enkel instrument te horen is. In zijn Rio Grando do Sul wordt hij op handen gedragen, en hij wordt als een van 's werelds beste accordeonspelers beschouwd. Sommigen vergelijken zijn werk als componist met dat van de grote Ástor Piazzola die de nuevo tango creëerde.

Het Renato Borghetti Quartet brengt moeiteloos de speciale mix van Zuidamerikaanse folk en jazz over op het publiek in Trento. Het wordt nergens te 'jazzy' voor de toevallige passant of de, zoals ik, nieuwsgierige bezoeker. Het wordt nergens zo 'folky' dat het publiek het publiek mee gaat klappen. Borghetti is vanzelfsprekend het centrale punt. Het typische geluid van de accordeon valt naadloos in op de momenten dat een vleugje 'pepe' gewenst is. Hij bespeelt de 'gaita' als Danny Boodman T.D. Lemon in Alessandro Baricco's “Novecento: la leggenda del pianista sull'oceano”.
Pedro Figueiredo is op sax, clarinet en dwarsfluit de tweede pijler. Zijn spel en dat van Borghetti sluiten heel mooi op elkaar aan. Gitarist Daniel Sá en pianist Vitor Peixoto zijn onhoorbaar aanwezig en zijn juist daardoor twee onmisbare elementen. Toch krijgen ze de ruimte die ze verdienen. Hun “duetten” met de 'gaita ponto' zijn pareltjes.
 

 
Tussen het laatste nummer en de 'bis' gaat Lief nog twee pilsjes halen. ,,Mag ik je het goeie nieuws vertellen'', vraagt ze als ze terugkomt. Ik heb werkelijk geen idee waar ze het over heeft.
,,Nederland heeft met 3-2 gewonnen!''
Ik was de wedstrijd compleet vergeten. Dat maakt het nieuws er niet minder leuk om. En de 'bis' is een mooie afsluiting.
Tijd om te bedenken waar ik zondagavond eens naartoe zou kunnen gaan.






Het Renato Borghetti Quartet treedt op 10 juli om 16.30 uur op tijdens het Brosella Festival in Brussel.

Eugenio Prati, van realisme tot symbolisme (5 april 2010)

Ooit was Palazzo delle Albere een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen voor politiek en kerkelijk Trento. De villa van de familie Mudrazzo - één van de rijkste en invloedrijkste families in de geschiedenis van de noorditaliaanse provinciehoofdstad - lag aan het westelijke eind van een immense tuin aan de oever de Adige. De oprijlaan telde na de constructie in 1550 maar liefst 600 meter, en werd omzoomd door een haag van bomen. Vandaar de naam Palazzo delle Albere, Villa van de Bomen.
Tegenwoordig ligt het vierkante landhuis er wat verloren bij. Nog steeds in de nabijheid van de rivier de Adige, dat wel, maar van de immense tuinen en van de oprijlaan is niets meer over. Aan de noordkant ligt het stadion van de lokale voetbalclub, aan de zuidkant heeft een oud industrieterrein onlangs plaats gemaakt voor een kale vlakte waar men inmiddels een compleet nieuwe wijk uit de grond aan het stampen is.
Palazzo delle Albere was gedoemd ten onder te gaan als een van die vele Italiaanse monumenten in de ongelijke strijd van de laatste decennia met het beton. Gelukkig kwam het niet zover. In 1987 werd de villa door het MART (Museo d'arte moderna e contemporanea di Trento e Rovereto) overgenomen. Na een grondige verbouwing is het een vaste stek voor tentoonstellingen geworden.

Eugenio Prati werd op 27 januari 1942 in Caldonazzo geboren, op een steenworp van Trento vandaan. Hij was de oudste van de tien kinderen van landmeter Domenico Prati en Lucia Garbari. Reeds op 12-jarige leeftijd krijgt hij op de Accademia di belli arti in Venezië zijn eerste schilderslessen. Zijn meesters zijn Michelangelo Grigoletti, Pompeo Molmenti en Karl von Blaas. Ze leggen de basis voor het realisme dat de eerste periode van het werk van Prati typeert. In Florence, waar hij in 1866 is gaan studeren, komt Prati in aanraking met verschillende andere meesters en collega's. Zijn doeken nemen iets meer afstand van de 'pure waarheid', zijn kleuren worden warmer, intenser... Heel geleidelijk ontstaat een eigen stijl die door de decennia heen steeds meer symbolisch zal worden, maar nooit volledig het realisme los zal laten. Ook zijn 'wortels' blijven zichtbaar en de berglandschappen keren herhaaldelijk terug op zijn schilderijen, zelfs als hij later in Milaan en Parijs werkt.





In 1879 trouwt Eugenio Prato en samen met zijn vrouw Ersilia Vasselai keert hij terug naar zijn Trentino. Op 8 maart 1907 overlijdt hij na een kort ziekbed in zijn geboorteplaats Caldonazzo.


 
Veel van het werk van Eugenio Prati is op het ogenblik te zien in Palazzo delle Albere in Trento. De tentoonstelling Eugenio Prati (1842-1907) fra Scapigliatura e Simbolismo” loopt nog tot 25 april.

De foto's komen van internet.

Zonder woorden (16 februari 2010)

Het valt voor een klein hotel niet mee om in deze tijd van massatoerisme, wireless internet, wellnes-voorzieningen en nouvelle cuisine het hoofd boven water te houden. Hotel Paradiso is daar het lichtende voorbeeld van. Ergens in de Alpen gelegen trekt het nog wel enkele schilderachtige gasten, maar het worden er steeds minder. De oude eigenares heerst er met hand, tand en de wandelstok waarmee ze zich verplaatst en koestert de vier sterren die het hotel voorlopig nog rijk is. De zoon vindt het goed zo, en heeft het te druk met het zijn hart te verliezen aan een van de vrouwelijke gasten. Voor de dochter is de entourage ver beneden haar stand en ze doet er alles aan om het aanzien van Hotel Paradiso een meer wereldse ‘touch’ te geven. Het personeel is zo langzamerhand vergroeit met het hotel, en het hotel met hun eigenaardigheden: het dienstmeisje steelt alles wat los en vast zit, en de kok bereidt meer in zijn keuken dan alleen wat groente en een sucadelapje.
Er gebeurt niets bijzonders in Hotel Paradiso, totdat er een dode valt...

Hotel Paradiso is een stuk van de Duitse theatergroep Familie Flöz. Het gezelschap werd in 1994 opgericht en heeft haar ‘zetel’ sinds 2001 in Berlijn. De Familie Flöz is meer dan toneel alleen. Ze toeren ook door Europa met dansvoorstellingen en in de zomermaanden houden ze zogenaamde Sommer Akademies in Italië. De groep bestaat in totaal uit zo’n 40 personen uit 10 verschillende landen. Een deel hiervan vervaardigt de maskers, die een hoofdrol spelen in elk van hun voorstellingen. De spelers blijven namelijk gedurende het hele stuk anoniem, verborgen achter het hoofd dat voor hun personage vervaardigd is.
Acteurs dus zonder eigen hoofd, maar de uitdaging van de Familie Flöz gaat nog iets verder. Ook het gesproken woord blijft achterwege. Om puur van mime te spreken is volgens mij niet juist. De verfijnde, geaccentueerde, dikwijls langzame bewegingen die het mime-theather typeren worden immers niet gebruikt. Bovendien zijn de coulisen in Hotel Paradiso (over hun andere stukken kan ik niets zeggen) zo klassiek als dat het maar zijn kan: de kartonnen muren met een behangetje, gordijntjes, deuren die soms wel en soms niet blijken te sluiten. Het doet daardoor nog het meest denken aan de stomme films, precies zoals die in het begin van de vorige eeuw in de bioscopen voor een opgetogen publiek vertoond werden. Die indruk wordt nog versterkt doordat de acteurs met hun grote maskers keer op keer de zaal (de camera) inkijken.


Ik zag Hotel Paradiso een aantal weken geleden in het Teatro Auditorium in Trento. Het leek zo op het eerste gezicht weinig nieuws te brengen, maar wellicht is het juist dat tot leven brengen van de stomme film hetgene dat de voorstelling tot een succes maakte.

De Familie Flöz tourt op het ogenblik met verschillende groepen en verschillende stukken door Europa. Sebastian Kautz, Anna Kistel, Thomas Rascher en Frederik Rohn, de vier Duitse acteurs die Hotel Paradiso opvoeren zijn op het ogenblik nog in Italië. Daarna gaan ze naar Frankrijk en op 4 maart zijn ze te zien in de Stadsschouwburg in Utrecht.
Gek te bedenken dat ze daar op precies dezelfde manier het publiek zullen aanspreken als in Trento.

woensdag 16 februari 2011

Ontbijten met Tom Waits (22 november 2009)

Terug in Italië. Op Malpensa weigert een bus-chauffeur de 50 euro aan te nemen van een Chinees die naar het centrum van Milaan wil. ,,Ga maar in de aankomsthal een kaartje kopen'', bijt hij de toerist toe. In het Italiaans natuurlijk.
Terug in Italië. Het centraal station van Milaan is een één grote bouwkeet. De nieuwe opzet van de loketten functioneert al, en doet een beetje aan Amsterdam denken. Jammer dat slechts de helft van de 18 loketten bezet is. Pas na 25 minuten ben ik aan de beurt en de trein richting Verona is al vertrokken. Anderhalf uur wachten dus. Zonder bankjes op de perrons, want die hebben ze in Milaan weg gehaald zodat zwervers er geen gebruik meer van kunnen maken. Ook als je iets te eten wil wat niet voorverpakt is, moet je het station uit.
Terug in Italië. De afstand Milaan-Verona is niet echt groot. Desondanks blijken de slechts 170 kilometer voldoende om de stampvolle trein een vertraging van 25 minuten op te doen lopen. De aansluiting naar Trento mis ik. Nog eens veertig minuten wachten. Maar op het station van Verona staan in ieder geval bankjes.
Terug in Italië. Ik ben maar een week weg geweest, maar sommige dingen was ik vergeten.

Als ik thuiskom zijn de bladeren van de bomen plotseling allemaal geel. Ze vallen met bosjes. De temperatuur is nog even aangenaam, maar binnen een week ligt de eerste sneeuw op de bergen rondom Trento. Als ik 's morgens ga werken is het nog donker, als ik 's avonds thuiskom na het werk is het al donker. De keukenlamp schijnt in m'n thee. November.




Ik ben een zomermens, doe mijn best niet neerslachtig te worden. Het valt niet altijd mee. Een brok in m'n keel als de supporters, 45.000, in het voetbalstadion van Hannover afscheid nemen van Robert Enke. Enke, 22 jaar, was doelman van de plaatselijke club en van het Duitse elftal. Hij had geen hulp gezocht tegen een depressie die hem jaren achtervolgd schijnt te hebben en hem tenslotte op een spoorwegovergang dichtbij Hannover te pakken heeft gekregen.
Jammer dat Milan nooit belangstelling heeft getoond voor Enke, of Inter, Juventus. Of welke andere Italiaanse club dan ook. In Italië is het niet zo eenvoudig je voor een trein van het leven te beroven. Nooit zijn ze op tijd.



De keukenlamp schijnt in m'n thee. Daarnaast de doos met Kellogg's Coco Pops. In september, toen ik ook terug kwam van vakantie, en alles nog veel groener was, had ik het er al over. Op de doos prijkt Gigi Buffon, keeper van Juventus en van het Italiaanse elftal. Zelfverzekerd prikt zijn wijsvinger in de richting van de lezer, de ontbijter. Zelfverzekerd zijn Gigi's woorden: ,,Begin opnieuw vanaf het ontbijt en merk dat het je beter maakt.''
Gigi Buffon, doelman, net als Robert Enke. Gigi Buffon, ooit slachtoffer van een enorme depressie, net als Robert Enke. Gigi kan het navertellen. Robert niet. Zou het aan de treinen in Italië liggen? Aan de Coco Pops? Of gewoon aan Italië?


In Trento is, weer iets vroeger als de voorgaande jaren, de traditionele kerstmarkt begonnen. Gisteren, de eerste dag van "il mercatino di Natale", werden er al 20.000 bezoekers geteld. Ik was er niet bij. Ik heb het al gezien, drie jaar geleden, vier jaar geleden, vijf. Het is steeds hetzelfde. Het enige wat elk jaar verandert is de prijs. Maar er zijn mensen die elk jaar gaan. Ze vinden het leuk, en ik vind het leuk voor ze dat ze het leuk vinden. Niet omdat het bijna kerst is, maar gewoon omdat ik zo ben.
Eén van mijn collega's probeert me ook nu weer een keer mee te krijgen. ,,Dan gaan we enkel voor de Brulé'', oppert hij. Vin brulé is warme rode wijn, de Italiaanse versie van de glühwein, maar warme alkohol stijgt me onmiddellijk naar m'n kop. Ik weet niet waarom, maar de opmerking van mijn collega doet me aan Tom Waits denken. Misschien heeft het met de alkohol te maken.
Ik heb wat jaren geleden - ik woonde al een tijdje in Italië - een aanval van nierstenen gehad. Dat wens ik niemand toe. Maar na een paar maanden kuren, bombarderen met geluidsgolven enzo, was ik er weer vanaf. Denk ik. Wel moest ik nog een paar keer op crontole komen. Bij de laatste controle vertelde ik de specialist dat ik geen last had van witte wijn, maar dat na een paar glazen rode wijn mijn nieren een beetje gevoelig werden. Hij keek me aan, de wenkbrouwen fronzend, dacht na en gaf me een hele wijze raad: ,,Dan zou ik me alleen bij witte wijn houden.''

November. De keukenlamp schijnt in m'n thee. En Tom Waits zingt.



maandag 14 februari 2011

Blauw (18 oktober 2009)

,,Waarom gaan we niet buiten zitten? Zolang het nog kan.''
Het is maar goed dat we het gedaan hebben. We zijn precies één week verder en een heel waterdun zonnetje is niet meer in staat Piazza Duomo zomers aan te laten voelen.

Passanten maken nog steeds foto's van de fontein van Neptunus. Maar met de jas aan of even over de arm om het minder fris te laten lijken voor vrienden en familie thuis.
Neptunus lijkt verder dan de zon verwijderd dan ooit dit jaar. En blauw lijkt me DE kleur van deze herfst te gaan worden.








zondag 13 februari 2011

Ontbijten met Gigi Buffon en Green Day (30 september 2009)

Eenmaal terug van een weekje vakantie Kreta blijkt het opeens nog donker te zijn als de wekker op maandagmorgen om zes uur afloopt. Het duister draagt niet echt bij aan de feeststemming, die het begin van de eerste werkdag begeleidt. Bovendien blijkt het buiten heel frisjes te zijn, maar dat verandert na een paar dagen. September wordt een mooie nazomermaand, en de dagelijkse ritmes hernemen zich snel, alsof ik nooit ben weg geweest.

De voetbal-competitie is weer begonnen. Ik volg het niet meer van nabij, maar desondanks ontkom ik er niet aan. Na een aanwezigheid van enkele maanden staart Gigi Buffon me aan de ontbijttafel weer aan vanaf de doos met Cocopops. De nummer 1 (zo zet de goede man ook zijn handtekening) van Juventus – nee, van Italië – nee! Van Europa – nee!! Van de wereld – nee!!! Van het heelal – wijst er in, zeker niet door hemzelf gekozen woorden op hoe goed het is de dag met Cocopops te beginnen. Ik voel me al een stuk beter nu. Op de zijkant van de doos staat beschreven wat er allemaal in die balletjes zit, die inmiddels in mijn melk ronddrijven. Energie, eiwit, suiker, zetmeel, vet, vezels, sodium/natrium, zout, vitame B1, vitame B2, vitame B3, vitame B6, foliumzuur, vitame B12, vitame C, vitame D, ijzer, magnesium, fosfor, zink, kalium. Met de eetlepel halverwege lees ik het hele rijtje. Met open mond, verwonderd dat ze al dat spul in zo’n klein balletje weten te proppen. Verbaasd ook, want tussen de ingrediënten zie ik een paar dingen staan die regelrecht naar de bodem van mijn cocopop-kom zouden moeten zinken, terwijl heel het spul toch vrolijk en ietwat knisperend op het melkoppervlak rond blijft drijven. Is dit te vertrouwen?

Radio 3 verwent me, zoals elke morgen, met lekker-rustig-wakker-worden-muziek. Klassiek. Tot kwart voor zeven, want dan is het tijd voor vijf minuten radio-journaal. Op 17 september komen zes Italiaanse militairen om bij een aanslag in Afghanistan. Italië rouwt, en de demonstratie voor de persvrijheid wordt een aantal weken opgeschoven.

Op vakantie aten we een roereitje bij het ontbijt. Ja, je moet iets als er geen cocopops in de buurt zijn. Dat leek ons wel iets voor thuis, in het weekeinde, want dan hebben we wat meer tijd. Maar het is er nog niet van gekomen. Geen zin om ’s morgens vroeg te gaan staan bakken, geen zin in een eitje. Gek eigenlijk, dat sommige dingen tijdens een vakantie blijken te functioneren en vervolgens thuis niet willen lukken.




Billie Joe Armstrong van Green Day schreef “Wake me up when September ends” in nagedachtenis aan zijn vader. Deze overleed op een dag in september, toen Billie Joe 10 jaar oud was.



vrijdag 11 februari 2011

Ontbijten met Tchaikovsky (17 augustus 2009)

,,Da Ferragosto rinfreschia il bosco’’ zeggen ze in Trento en omgeving. Vanaf Ferragosto koelt het af in de bossen.
Ferragosto is een van de zekerheden in Italië die ondanks alles, regeringen van links en regeringen van rechts, recht overeind blijft staan. Ferragosto is 15 augustus, Maria-hemelvaart, en dan wordt er niet gewerkt. Ook ik slaap uit, wat inhoudt dat ik rond een uur of acht opsta.
Ik zet thee, en vul de keukentafel met de dingen die bij het ontbijt horen. Onderleggers, twee bordjes, bestek, brood, boter, aardbeien- en sinaasappeljam, drinkyoghurt, melk, cocopops, suiker. En de thee natuurlijk. Maar eerst gaat de radio aan.
Mijn favoriete programma is helaas al voorbij op dit tijdstip. Door de week ontbijt ik met een gedeelte van het eerste uur van ‘Il terzo anello’, ‘de derde ring’, op radio 3. Voor het grootste gedeelte klassieke muziek, waarbij het rustig wakker worden is. Als leek op dit gebied heb ik de afgelopen jaren veel nieuws ontdekt, en veel geleerd. Naar klassieke muziek moet je leren luisteren. De uitzending wordt altijd om kwart voor zeven onderbroken voor het radiojournaal. Dat is voor mij het sein dat ik moet beginnen voort te maken, want om zeven uur moet ik op de fiets zitten of in de bus. Anders ben ik niet op tijd op m’n werk. Maar vandaag is het zaterdag, én Ferragosto, dus ik kan rustig aandoen. Want zelfs de winkels zijn op 15 augustus gesloten.
Alleen de boeren werken vandaag. De appels zijn bijna klaar om geplukt te worden en dus rijdt men af en aan met enorme kisten. Die worden klaar gezet voor het moment dat de seizoensarbeiders zich melden. Over een paar dagen, op z'n hoogst over een paar weken. De plukkers zijn dikwijls buitenlanders, want voor de prijzen die de boeren kunnen betalen maakt het eigen volk z'n handen niet vuil. Er is fruit in overvloed en op de veiling dalen de prijzen elk jaar meer. Onverklaarbaar dat ze desondanks in de supermarkt blijven stijgen.

,,Da Ferragosto rinfreschia il bosco.’’ Die vlieger lijkt dit jaar niet op te gaan. Voor de komende week verwacht men nog steeds temperaturen tot 35 graden. Met aan het eind van de week kans op bewolking en af en toe een bui. En dat gaat al weken zo. Door de week is het het prachtigste weer van de wereld en in het weekeind is het minder. Bewolkt, zoals nu. Maar de warmte blijft hangen onder het wolkendek, bedompt, vochtig. Een rondje met de honden is alsof je in een scheet rondloopt, zoals Billy Connolly ooit zei.
Sommigen hier menen dat na 15 augustus de zomer voorbij is, ook al is het nog warm. Het lijkt me een beetje overdreven. Maar het is een feit dat de dagen korten. Als ik door de week om iets over zes het kokende water over het thee-ei giet is het al goed kijken waar ik op moet houden om te voorkomen dat de theepot overloopt. Een paar weken geleden was dat nog niet zo. Nog even en ik moet het lampje onder het keukenkastje aanknippen. De lucht die door de openstaande balkondeuren de keuken binnenkomt is ook iets frisser. Maar allesbehalve onaangenaam. Ook 's avonds begint het iets koeler te worden. Ons balkon is het mooiste terras dat je je voor kunt stellen. Onder je de tuin, in de verte de bergen. Ik lees er tot een uur of negen. Daarna wordt het te donker en beginnen de muggen hun aanval op elk stukje bloot vel.


Een paar dagen geleden, rond een uur of half zeven, passeerde tijdens 'Il terzo anello' een van de stukken van ‘De jaargetijden’ van Tchaikovsky. April. ,,Wat een gekke keuze’’, dacht ik. ,,Het is augustus.’’ Een zoektocht op internet leerde me dat April beter bij de rest van de muziek van die dag paste. En toch, ook “Augustus” is best mooi.





Pjotr Tchaikovsky schreef 'de jaargetijden' in opdracht van ene meneer Nikolai Bernard. Twaalf stukken die op de eerste van elke maand in het tijdschrift Nuvellist moesten verschijnen. Kenners schrijven over 'de jaargetijden' dat het veraf staat van het beste wat de componist geschreven heeft. Het is oppervlakkig, het mist hart en ziel.
Tchaikovsky schreef 'de jaargetijden' - ook bekend onder opus 37a - in 1875 en 1876. De stukken verschenen aanvankelijk niet onder de naam van de maand. Nummer 8 van de serie heette bijvoorbeeld 'de oogst'.


maandag 7 februari 2011

Balkan Beat Box (27 juli 2009)

Zoals ik al verwacht had, ik was op 22 juni niet in Utrecht toen Gogol Bordello daar optrad. Op internet las ik dat het buiten koud was, maar dat de temperatuur in Tivoli tot tropische waarden opliep.

Eén maand later blijkt een ex-lid van Gogol Bordello in Trento op het podium te staan, Ori Kaplan. Kaplan, geboren in Israel, is samen met landgenoot Tamir Muskrat de drijvende kracht achter Balkan Beat Box, die op 26 juli een tournee door Frankrijk, Spanje en Italië in Trento afsloot. Ik kon er op de fiets naartoe.



Helaas was er veel te weinig aandacht geschonken aan het optreden van de New Yorkse groep. Heel toevallig kwam ik een aankondiging van het concert tegen op een culturele website in Trentino.
En met mij niet meer dan zo’n honderd andere nieuwsgierigen, die zich voor een piepklein podium in een piepklein park in Trento hadden verzameld. Voor de rest was het parkje bevolkt door haar vaste bezoekers: ouders met kinderen die zich vermaakten in het speeltuintje, oude dametjes die hun kleine hondjes aan het uitlaten waren, een bejaarde in zijn rolstoel, een handjevol junks die er dag in dag uit een plekje vinden op hun bank. Ik moet terugdenken aan de paar filmpjes die ik eerder op de dag op You Tube heb gezien, waarin Balkan Beat Box optreedt voor uitzinnig hossende menigtes van duizenden geestdriftige fans. Voor de leden moet Piazza Centa in Trento wel een hele trieste aanblik zijn.

Maar ze laten er weinig van merken. Vanaf het eerste nummer gaan ze er vol tegenaan en binnen een kwartier staan de eerste concertgangers te dansen voor het podium. Eén voordeel hebben ze: er is plek genoeg.
De groepen hebben weliswaar een gezamenlijk project op hun naam staan, maar Balkan Beat Box blijkt desondanks geen simpele copie te zijn van Gogol Bordello. Het is weliswaar gypsy, maar veel minder punk als Eugene Hütz en zijn band. De naam van de groep zegt eigenlijk alles. Heel veel invloeden vanuit de Balkan, maar ook uit vanuit Zuid-Europa en Noord-Afrika. Ori Kaplan lijkt werkelijk alles uit zijn saxofoon te krijgen. Al die invloeden worden samengesmolten met behulp van aanstekelijke beat box ritmes. Zanger en percussionist Tomer Yosef rapt als een New Yorker, maar zijn slang maakt dikwijls plaats voor Arabische teksten.
Balkan Beat Box wijzigt dikwijls van formatie, soms zelfs van concert tot concert. In Trento bestaat de groep uit ‘slechts’ zes personen, waardoor Tamir Muskrat regelmatig een beroep moet doen op de ‘toverdoos’ die naast zijn drumstel staat opgesteld. Koortjes uit een doosje, een ingeblikte koperset. Het mag de pret niet drukken.



Daar komen de schutters (21 juni 2009)

In Trento werd dit weekeinde een bijeenkomst gehouden van de Nationale Vereniging van Genie- en Verbindingspersoneel in Italië (Associazione Nazionale Genieri e Trasmettitori d'Italia - ANGET).
Her en der in de stad kwam je gistermorgen groepjes ex-soldaten tegen uit de verschillende regio's van het land. Vooral Piazza Duomo nodigde uit voor een fotootje als aandenken.

zondag 6 februari 2011

Verlossing (27 maart 2009)



Zondag, 1 februari 2009 (1 v.A.).

Het regionale nieuws heeft zoals altijd weinig te bieden. Ik luister slechts met een half oor toe hoe onder begeleiding van een monotoon gebabbel een vallende fietser, een in het bezit van drugs gearresteerde buitenlander, een jubilerende priester en het gelijkspel van het voetbalelftal van Mezzolombardo de revue passeren. Een nagekomen bericht doet mijn wenkbrouwen echter enige millimeters in opwaartse richting van positie veranderen. Het maakt melding van een felgroen verlicht bolvormig object dat in de reeds donkere hemel van de vroege winteravond is waargenomen boven het meer van Caldonazzo. Het verplaatste zich geluidloos met grote snelheid van oost naar west en was slechts een tiental seconden zichtbaar. Op het nabijgelegen vliegveld Gianni Caproni in Trento kan men geen verklaring geven voor het verschijnsel. Net zomin als bij Meteo Trentino, dat afsluit met het weer voor morgen. Men verwacht een heldere dageraad, maar de bewolking zal in de loop van de dag toenemen en men moet rekening houden met sneeuw in de avond en de nacht.

Nog geen uur later ben ik het regionale nieuws al vergeten.

Maandag, 2 februari 2009 (0).

De discussies bij de halte Melta "case ITEA" gaan, zoals gebruikelijk op maandagmorgen, over het voetbal. Ook al is het grootste gedeelte van de wachtenden op lijn 7 op weg naar school, dat instituut lijkt melkwegen verder weg dan de stadions waarin de jongste miljonairs van Italië de kost verdienen. De kleinste van de groep wordt door zijn vrienden "Mosca" genoemd, "Vlieg". En Vlieg heeft de pest in, want zijn Juve heeft wederom verloren. Met 2-3 van Cagliari dit keer, in eigen huis nog wel. De hilariteit van de Milanisten en Interisten is groot, het bushokje gevuld met gejoel en gelach. Niemand heeft in de gaten dat vanuit de richting van Gardolo een ezeltje onze kant opkomt.
Pas als het beestje tot op honderd meter genaderd is hoor ik hoe vier hoefjes op het asfalt van de Via Matteotti klikken, als de hoge hakken van twee dikke dames. Ik keer me om, en ook de hoofden van de andere passagiers draaien eensgezind de kant van het niet alledaagse geluid op. De plotseling invallende verbaasde stilte is bijna tastbaar, en wordt slechts onderbroken door het bijna vrolijke klik-klak-klik-klak dat stopt als het ezeltje en zijn gevolg halt houden ter hoogte van het bushokje. De ezel, een hoogzwangere vrouw in het zadel, een man die het leidsel vasthoudt. Wolkjes adem die in de ijle, koude ochtendlucht oplossen.
,,Mogen we hier even uitrusten?'', vraagt de man. Als antwoord wijkt de groep in stilte uiteen en het echtpaar neemt op het bankje van het bushokje plaats. ,,We zijn moe'', verontschuldigt de bezoeker zich. ,,We hebben de hele nacht gelopen, want alle herbergen waren vol.''
Waar heb ik dit meer gehoord?.
,,Ik ben Josef'', stelt de man zich voor. ,,En dit is Maria.'' Dat is teveel voor Vlieg: ,,Ja, en ik ben Napoleon.'' De groep begint te proesten, wat in de kiem gesmoord wordt als er een siddering door het lichaam van Maria schiet en ze begint te kermen. ,,Mijn god, de weeën'', jammert Josef. Het koude zweet breekt hem letterlijk uit.

Gelukkig staat ook Cinzia bij de bushalte. Ze werkt als schoonmaakster in het ziekenhuis, en haar brede kennissenkring aldaar komt op dit moment wonderwel goed uit. Ze duwt haar boodschappentas in mijn armen en stroopt haar mouwen op. Nog geen tien minuten later ligt er een dot van een baby in de armen van Maria.
,,O, wat mooi'', klinkt Josef beduusd. ,,En..., hoe noemen we hem?''
,,Ale'', oppert Vlieg, ,,zoals Alessandro... Del Piero.'' Vlieg kijkt om zich heen, verbaasd, want niemand protesteert. Allemaal kijken we omhoog naar het vreemde groene schijnsel dat het bushokje verlicht.

Vrijdag, 2 februari 2525 (516 n.A.).
Joyce Innaritù, de 129e president van de Verenigde Staten van America, staat voor de spiegel. Ze moet haar ‘verlossingstoespraak' voor de natie houden en is gespannen. Niet voor de toespraak, maar ze krijgt een van haar oorbellen niet in. Haar man George schiet haar te hulp, neemt het sierraad over en, "klik", het zit. Hij legt zijn hand op haar schouder en kust haar zacht op een wang. ,,Je bent prachtig'', fluitert hij in haar oor.

Vijftien minuten later zit ze live voor de camera. De opening krijgt dankzij een close-up van president Innaritù bewust een heel persoonlijk karakter. Pas na ongeveer een minuut zoemt de camera heel langzaam uit en krijgen de kijkers zicht op een van de vensters van de "oval room" waarachter de laatste sneeuw van deze winter nog een deel van de tuin van het Witte Huis bedekt. En voor het raam staat een buscus, versierd met rode, witte en blauwe ballen, zilveren slingers en twinkelende lichtjes. Het hoort bij verlossingsdag, en doet vaag denken aan kerstmis dat tot zo'n 400 jaar geleden op grote schaal gevierd werd.
De camera zoomt nog iets verder uit, en daar, onder de verlossingsboom komt het langzaam maar zeker in beeld... Het bushokje. En de beeldjes van een groep personen.
Als je heel goed naar de figuurtjes kijkt zie je me staan, met de boodschappentas van Cinzia in m'n handen. En daar staat Vlieg, op het moment dat hij Josef op de schouders tikt en om een sigaret vraagt.
En op het bankje Maria, met in haar armen... Ale, nog totaal onwetend van de wonderen waarmee hij de wereld zal verbazen.




Statiegeld (16 februari 2009)

Cinema Astra, Trento. We kiezen niet voor een van de gigantische, voor diverse Oscars genomineerde produkties, zoals "Doubt", "Frost/Nixon" of "Milk". Die laatste heb ik vorige week al gezien (wat een acteur, die Sean Penn), en dat maakt de keuze voor de kleine Tsjechische produktie "Empties" nog gemakkelijker.

Na een kort reclameblok verschijnt het prachtige intro van Fandango Films op het doek. Breed golvende penseelstrelen van kleuren die gevormd worden op de passen van een dansend paar. Ik geniet er elke keer weer van. De lichten in de zaal gaan langzaam uit en de film begint.




We ontmoeten de onderwijzer Josef, 60 jaar oud, die het op een gegeven moment echt gehad heeft op zijn werk en van het ene moment op het andere de pijp aan Maarten geeft. Gedreven door de nieuwe huiselijke omstandigheden waaraan het, zowel voor Josef als voor zijn vrouw, moeilijk wennen is gaat hij op zoek naar een nieuwe baan, een baan waar hij het wel naar zijn zin heeft. Na een mislukte carrière als fiets-koerier, komt hij in een supermarkt terecht. Bij de lege flessen.


Net als in Nederland werden ook in Italië vanaf de jaren vijftig de lege flessen ingeleverd, in ruil voor de hand vol lires die je er vooraf voor had betaald. Het glas kon namelijk herbruikt worden, om nieuwe flessen van te maken, of wekpotten, wijnglazen, of wat dan ook. Zolang het maar van glas was. Vanaf het begin van de jaren '80 kwamen de PET-flessen op de markt, en het duurde niet lang of de glazen fles verdween grotendeels uit de rekken van de supermarkt en van de kruidenier op de hoek. Ook de kruidenier op de hoek verdween. Maar het statiegeld bleef, ook al was en is het, vanuit het kostenoogpunt gezien, al lang niet meer interessant om de plastic flessen terug in te nemen. Men hield de lege-flessen-automaat en het statiegeld-systeem echter in eer uit milieu-overwegingen. En Nederland werd om die reden geen immense afvalbak waar je overal plastic flessen tegen kon tegenkomen. Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen gaan nog iets verder in hun strijd tegen het zwerfafval en hebben ook een statiegeld-systeem voor blikjes.
Het zuiden van Europa steekt wat leeg goed betreft bedroevend scherp af tegen het noorden. Met het verdwijnen van de glazen fles is ook het statiegeld zo goed als volledig verwenen. In de tien jaar dat ik in Italië mijn boodschappen doe heb ik nog nooit in een supermarkt een lege-flessen-automaat mogen bewonderen. Voor het inleveren van de spaarzame lege flessen waar wel statiegeld op zit sta je dikwijls lang te wachten bij de klapdeuren van het magazijn tot er iemand voorbij komt die een briefje schrijft dat je aan de kassa inlevert. Als je geluk hebt zit daar de kalografie-deskundige van het bedrijf (volgens mij bestaan daar speciale cursussen voor) die het handschrift weet te ontcijferen. Zo niet, dan moet je wachten tot deze persoon gevonden is. Niet alleen jij moet wachten, maar ook de mensen in de rij achter je. Je maakt niet veel vrienden op zulke momenten.
Om te weten te komen waar de rest van het leeg goed blijft is het voldoende in de auto te stappen en enige kilometers over 's lands wegen te rijden. De bermen liggen bezaaid met allerlei formaten flessen. Ook tijdens een wandeling langs een meer of in de bergen kom je geheid wel ergens de resten van een dorstlessende pauze tegen. De waarheid gebiedt me te zeggen dat Italië niet alleen staat in deze trieste invulling van het landschap. Ik was de afgelopen twee jaar in de aangename situatie enige Griekse eilanden te hebben leren kennen en ook daar "groeit" het plastic op de meest bijzondere en onverwachte plaatsen.


 
Italië is echter bezig haar achterstand op het noorden van Europa te verkleinen. Statiegeld is dan wel uit den boze, maar in vele gemeentes is men druk bezig met het invoeren van "gescheiden afval". In Gardolo, waar ik woon, onder de rook van Trento, wordt het huisvuil al enige jaren op deze manier op deze opgehaald en na een inloop-periode van wennen en verbeteren functioneert het systeem wonderbaarlijk goed. Twee dagen op de week wordt het organisch afval opgehaald, 's maandags komt men langs voor papier en karton, en glas en overig verpakkingmateriaal (plastic, blik, enzovoorts) verdwijnen op dinsdag in twee aparte vuilniswagens. Wat overblijft kun je vrijdags voor de deur zetten. Het is niet zo dat het daarna allemaal op dezelfde hoop terecht komt. Met de campagne zijn de bewoners namelijk ook op de hoogte gesteld waar elke afvalsoort verwerkt wordt en tevens voor welke doeleinden het daarna herbruikt gaat worden. Het is een uitstekende manier om de mensen bewust te maken van het nut van het gescheiden inzamelen, en het helpt velen over de drempel. Het gevolg is dat maar liefst 67 procent van het afval uit Gardolo gerecycled wordt. In het nabijgelegen Meano is dat zelfs 73 procent. Voor het eind van het jaar 2009 zal de gehele gemeente Trento van dit systeem gebruik maken.

Die bewustwording houdt helaas nog vaak op bij de eigen vuilnisbak. Als ik een rondje met de honden maak verbaas ik me er steeds weer over wat een rotzooi er hier op straat ligt. "Un cesso", zoals ze het hier noemen, een plee. Jammer dat Italië vaak een land van dit soort tegenstellingen is. Zo wil men bijvoorbeeld voor 2010 in ieder geval één richtlijn van Kyoto volgen en een eind maken aan het verspreiden van de plastic tasjes bij de supermarkten (jaarlijks worden er alleen al in Italië 300.000 ton van die dingen geproduceerd). En tegelijkertijd neemt de regering de beslissing om een wet terug te draaien die bij de constructie van nieuwe huizen verplichtte tot het gebruik van een bepaald percentage aan mileuvriendelijke materialen.
De stappen vooruit blijven derhalve klein, maar ook een kleine vooruitgang blijft ten allen tijde een vooruitgang.



In de film voelt Josef zich als een vis in het water achter het loket waardoor een bonte variatie van types haar lege flessen inlevert. Terwijl de wateren thuis steeds woeliger en troebeler worden, groeit de ex-leraar in de supermarkt uit tot een vertrouwenspersoon, sociaal werker, detective, en koppelaar. Zelfs zijn eigen dochter, die door haar man verlaten is, plukt er de vruchten van.
"Empties" werd in 2007 gepresenteerd als een comedie. En ook al krijg je geen pijn in je buik van het lachen, de film van Jan Svěrák laat zeker een goed gevoel achter als je de zaal verlaat. De huiselijke tafereeltjes zijn groots en herkenbaar. ,,Hoe kun je naar dergelijke rotzooi op televisie kijken'', vraagt Josef op een dag aan zijn vrouw, terwijl ze staat te strijken. ,,Dat had ik nooit achter iemand met jouw intelligentie gezocht.'' Waarop zijn vrouw antwoordt: ,,Heb jij al eens geprobeerd te strijken?''
Voor de rest geen grote stunts (integendeel, een eenvoudige valpartij was zo knullig dat ik me niet aan de indruk kon onttrekken dat er weinig aan het stuntwerk was uitgegeven), geen ver gezochte plots, geen bombastische muziekpartijen. Gewoon eenvoudig. Een verhaal over relaties en de kronkels daarin, een verhaal over mensen, het persoonlijke contact. Bijna het tegendeel van internet.

De regisseur van de film is Jan Svěrák, de hoofdrolspeler zijn vader, Zdeněk Svěrák. De bijna 73-jarige acteur, komiek en scriptschrijver heeft inmiddels 31 films op zijn naam staan, en heeft zijn sporen ruimschoots verdiend. Zijn voorlaatste film "Kolya" was in 1996 goed voor een Oscar, als beste buitenlandstalige film. Daarvoor was ook "The elementary school" al eens kandidaat geweest. De scripts waren in beide gevallen geschreven door vader Zdeněk die ook de hoofdrol voor zijn rekening nam en de regie was in handen van zoon Jan. Een familie-aangelegenheid dus. 






donderdag 3 februari 2011

De vogel die de schroeven van de wereld aandraaide (26 november 2008)



Puri
schrijft in haar blog op Hyves over God, over fluisteren en luisteren.

Wie de stem van God wil horen, moet stil kunnen zijn', vertelde een vriend mij.
"Waarom?", vroeg ik hem.
Hij keek me verbaasd aan en alsof dat logisch was zei hij: "Omdat God fluistert."
Mooi zei ik: "Luisteren vult mijn leven"
In mijn reaktie vertel ik haar onder andere dat ik op het ogenblik een boek aan het lezen ben van Murakami, "De opwindvogelkronieken".
Een passage die een ezelsoor oplevert is de dialoog tussen de protagonist Okada Toru en Kanō Creta, een mysterieuze jonge vrouw (het zusje van de al even geheimzinnige Kanō Malta). Hij heeft zojuist haar aanbod afgeslagen om samen met haar naar het Griekse eiland Creta af te reizen, waar ze haar ware identiteit hoopt terug te vinden.

,,Mag ik je wat zeggen'', zegt ze op een extreem kalme manier. ,,Ook jij weet dat dit een gewelddadige wereld is, die ruikt naar bloed. Wie niet buitengewoon sterk is overleeft niet. Tegelijkertijd is het ontzettend belangrijk stil te zijn, met de oren gespitst om het geringste geluid te kunnen horen. Goed nieuws wordt over het algemeen zacht verteld. Denk daaraan, alsjeblieft.''
Ik knikte.
Puri stuurt me een filmpje van You Tube. Het is een fragment van Matthijs van Nieuwkerks "De wereld draait door" uit februari 2007. Tim Krabbé vertelt over Haruki Murakami. Gedreven, gepassioneerd, hartstochtelijk. Een schrijver die zich niet te groot voelt om de loftrompet te steken over een andere schrijver.
Ik ben nog niet zo lang Hyver, maar voor de zoveelste keer verwonder ik me over het labyrint van straatjes die het medium aan me openbaart. Voor mij dikwijls onbekende streegjes waarin nu eens de ene, dan weer eens de andere Hyve-vriend wel bekend is en graag voor gids speelt. Zoals ik graag doe met de voor mij bekende adresjes. Virtuele vriendschappen (noem je ze zo?), ook op het VK-blog, die mijn reële horizon verbreden.

 
Het is een koud weekeind geweest. Vrijdagmiddag blies een Hollands aandoende gure wind de hemel azuurblauw, met in haar kielzog een polair aandoende kou die zodoende in de nacht vrij spel kreeg. Men had aanvankelijk sneeuw voorspelt maar zowel op zaterdag als op zondag laat zich geen wolkje zien. Trento beleeft haar eerste weekeind met de kerstmarkt. De stad is vol met in dikke sjaals gedraaide wandelaars die van het mooie weer profoteren en een rondje langs de, mij persoonlijk altijd ietwat triest, kunstmatig en consumptiegeil aandoende kraampjes op Piazza Fiera te maken. De eerste files op de A22 voor een dagje Mercato di Natale in Trento zijn een feit. Ik weet dat er tot aan de kerst nog velen zullen volgen.
Als om zes uur maandagmorgen de wekker afloopt weet ik onmiddellijk dat het gesneeuwd heeft. Het buitendonker dat vanuit de keuken de slaapkamerdeur bereikt heeft een andere kleur. Het is minder intens, lichter, heeft een gele ondertoon. Ik luister aandachtig, slalommend tussen de regelmatige ademhalingen van Lief en de honden. De normale buitengeluiden zijn verstomd, of hoogstens gedempt hoorbaar. Als vanonder het dikke donzen bekbed waarvan ik de warmte tussen nu en een paar minuten moet ruilen voor de kou die tijdens de nacht bezit heeft genomen van ons huis en straks het kippevel op mijn armen en benen zal doen verschijnen.
Mijn wereld draait op dit tijdstip nog heel langzaam De repeteer-functie van mijn wekker telt de minuten veel sneller dan ik ze tel. Een druk op de knop, diep ademhalen en m'n blote voeten maken contact met het koude parket. Hmpff.
In de keuken knip ik het buitenlicht aan en loop nog ietwat slaapdronken naar het venster. Daar waar een aantal maanden geleden de blogfee haar opwachting maakte rust nu een egaal wit tapijt. Nog niemand heeft zijn sporen achtergelaten op die, onder de sterren van het laatse nachtlicht glinsterende stille witte wereld.

Een uur later sta ik bij de bushalte. De normale groep schoolgangers heeft zoals altijd de beste plek onder de overkapping ingenomen. De overige wachtende passagiers zoeken kleumend onder een verscheidenheid aan paraplu's bescherming tegen de inmiddels weer gestaag neerwaarts dwarrelende sneeuwvlokken. Nog eens een uur later sta ik nog steeds bij de bushalte. In die tijdspanne hadden normaal gesproken elf bussen moeten passeren, maar het is overduidelijk dat de provinciale openbare vervoersonderneming Trentino Trasporti zich heeft laten verrassen door de ongebruikelijke, maar desondanks toch aangekondigde vroege entree van Koning Winter. Slechts twee bussen komen voorbij. Maar die zijn zo overvol dat de chauffeurs niet eens de moeite nemen om bij onze halte te stoppen. Ik wacht nog een kwartiertje, maar dan houd ik het voor gezien en ga terug naar huis.
De honden zijn blij verrast me nu al terug te zien, maar na een korte uiting van deze blijdschap stoppen ze al snel hun rondjes om mijn verkleumde benen en zoeken ze hun mand weer op. Ze zijn niet in het bezit van een bordje "niet storen", hebben dat ook niet nodig. De manier waarop ze zich behaaglijk opkrullen en met een diepe zucht de ogen sluiten zegt genoeg.

Ik bel naar m'n werk dat het wat later wordt vandaag, waarna ook ik me opkrul op de bank. De voeten warm onder m'n achterwerk pak ik m'n boek en laat me voor een uurtje door Haruki Murakami meevoeren naar een wereld, warvan de schroeven door een vogel worden aangedraaid. Zo luidt de titel van het boek in het Italiaans, "L'uccello che girava le viti del mondo", de vogel die de schroeven van de wereld aandraaide. En buiten heerst nog steeds een bijna vredig aandoende stilte.













Aan het eind van het liedje heb ik me toch nog redelijk nuttig weten te maken voor m'n baas. De maandag gaat snel voorbij en voor ik er erg in heb is het alweer tijd om naar huis te gaan. De bus arriveert precies zeven minuten later dan dat er op het dienstrooster aangegeven staat. Maar dat is normaal en wordt door ons, wachtend bij de bushalte niet meer als een vertraging gezien.
Terug thuis het rondje met de honden. Halverwege de ochtend is het opgehouden met sneeuwen, maar de vrieskou is gebleven. De vriendelijk zachtdonzen stem van de verse sneeuw van vanmorgen is veranderd en kraakt als een bejaarde op het onregelmatige ritme van mijn onzekere tred. Het vredige is verworden tot een dun laagje schijn, waaronder het gevaarlijk glad is op sommige plaatsen. Maar ik blijf op de been, en mijmerend volg ik Cicia en Oronzo die her en der hun profile pimpen en een blog plaatsen op de nog zo goed als onbeschreven website van de winter van 2008. Mijn adem schildert wolkjes in de koude avondlucht.
  Thuis is het aangenaam warm. De kuil in de kussens op de bank is dezelfde als vanmorgen, uitnodigend. Het boek is hetzelfde als vanmorgen, en net als vanmorgen verlies ik mezelf, verdwaal, verdwijn, in de eindeloze doolhof die Kuramaki in zijn "Opwindvogelkronieken" creëert.
Tim Krabbé vertelde aan Matthijs van Nieuwkerk dat de Japanse "meester" geen vooraf uitgestippelde route volgt, maar gewoon schrijft wat er op het moment in hem opkomt. Het lijkt me stug, maar ik kan me toch ook niet van de indruk onttrekken dat er iets van waar is. Hij gebruikt bepaalde personen om een bepaald verwachtingspatroon op te bouwen, ze krijgen zelfs gedurende enige honderden bladzijden een hoofdrol maar verdwijnen daarna bijna volledig uit het verhaal. Voor de sensuele zussen Kanō is zo'n rol weggelegd, en zo ook voor een muzikant die bijna uit het niets verschijnt en weer net zo gemakkelijk in datzelfde niets verdwijnt. Ze dragen echter allemaal op de een of andere manier een steentje bij aan de oplossing van de zoektocht Okada Toru naar zijn vrouw Kumiko. Zij verdwijnt van het ene moment op het andere uit het leven van Toru. Net zoals hun kat, met wiens verdwijning de schrijver aan het begin van deze 832 bladzijden tellende roman het pad voor zijn lezers effent. De kat luistert naar de bijzondere naam Wataya Noboru, genoemd naar de broer van Kumiko die, zonder dat Toru het wil, een ontzettend grote invloed op het leven van het echtpaar heeft. De sleutel van Okada Toru's zoektocht blijkt te liggen op de bodem van een oude, inmiddels drooggevallen waterput in de achtertuin van een huis waarvan de bewoners elke keer op de meest vreemde manier om het leven zijn gekomen. Een sleutel die leidt naar de geheimzinnige, immer duistere suite 208 van een immens hotel. Toru vindt er in de stilte en het donker min of meer een antwoord op al zijn vragen.
Wie van de films van David Lynch houdt, zal ook "De opwindvogelkronieken" kunnen waarderen. Het is op sommige momenten of je in een van de films van de exentrieke regisseur terecht bent gekomen. De films van Lynch zijn moeilijk te omschrijven. Het is vooral de sfeer die opgewekt wordt die je gemakkelijk twee uur of meer aan je stoel gekluisterd houdt, zonder dat er echt iets gebeurt. En zo is het ook met dit boek van Murakami. Niets is logisch. Verleden, droom, werkelijkheid, heden, het loopt op een waanzinnige manier door elkaar. En terwijl de grenzen vervagen wordt het steeds moeilijker om je uit het boek los te rukken.
Hoe moet je het noemen? Magie, denk ik, betovering.

Als ik pas een boek uit heb valt het me moeilijk om onmiddellijk in een ander te beginnen. Het moet even bezakken. Dus als ik naar bed ga draaien de vogels van Murakami de schroeven van mijn wereld nog geruime tijd aan. In het donker geniet ik na van de geniale invallen die hij heeft, en de pareltjes van herkenning die ik desondanks een immens cultuurverschil heb kunnen voelen. Iedereen die als kind zonder broertjes of zusjes opgroeid is heeft schijnbaar toch iets gemeen. Japanner of Nederlander, het maakt niets uit. En de waanzin van de oorlog wordt overal ter wereld op eenzelfde manier gevoeld. Murakami schildert een tragische scène in een Chinese dierentuin op het eind van de tweede wereldoorlog, die alle "horror" op een  bloedstollende manier samenvat.
Als om zes uur de wekker afloopt, merk ik dat het donker anders is dan gisteren. In de verte hoor ik hoe het geluid van een goederentrein weerkaatst wordt door de bergen. De kerkklok in het dorp slaat de laatste van zes slagen. Een hond blaft. Ik hoef niet op te staan om te weten dat het vannacht niet gesneeuwd heeft, en blijf nog een paar minuten liggen. Mijn wereld draait nog heel langzaam op dit tijdstip.

Hieronder het interview van Matthijs van Nieuwkerk met Tim Krabbé.




Foto Haruki Murakami: Sutton-Hibbert/Rex Features.

vrijdag 28 januari 2011

Waar wasje (8 juli 2008)


De eerste wasserette van Trento bevond zich precies in het centrum van de stad. Parallel aan de als een rots oprijzende noordzijde van de dom stroomde een "roggia", een klein kanaaltje waarin de bewoners van het centrum de was deden. Oude afbeeldingen laten zien dat de roggia de majestueuze Piazza Duomo - het Domplein - in tweeën deelde. Aan de weerszijden van het bruggetje dat naar de noordelijke ingang van de kerk leidde zitten de vrouwen op hun knieën op de oevers van het beekje, de lakens tussen de beproefde, gegroefde handen (Nivea moest nog uitgevonden worden), biddend op betere tijden in de vorm van een Miele en een Witte Reus. In 1867 verdween de "roggia". De stroom werd niet gedempt, maar werd aan het oog onttrokken middels een str ook van enorme rode tegels. De koetsen konden vanaf dat moment hun bocht rond de fontein van Neptunes lekker ruim maken, nachtbrakers hoefden (hier althans) niet meer bang te zijn voor natte voeten, het kerkvolk kon zonder laveren naar de zondagmis en voor de wassende vrouwen zat er weinig anders op dan het beddegoed elders te spoelen. Water kabbelde niet meer en het wasvolk babbelde niet meer op Piazza Duomo.


Dit stukje geschiedenis van Trento is door de artieste Anna Scalfi aangegrepen als uitgangspunt voor een installatie met de titel "Celata (sotta la piazza scorre una roggia)" - "Verborgen (onder het plein stroomt een roggia)". De installatie bestaat uit 22 wasmachines, die precies op de plaats staan waar ooit de wasvrouwen hun werk deden.
Een origineel idee, temeer omdat de inruilwasmachines nog allemaal functioneren en wie wil kan dus zijn was doen, precies op de historische plaats waar dat ooit gebruikelijk was.
De installatie is afgelopen zaterdag (5 juli) onthuld en blijft tot 17 juli staan, als parallel spectakel van Manifesta 7, het groots opgezette tweejaarlijkse moderne kunst evenement dat van 19 juli tot 2 november op diverse plaatsen in Trentino en Alto Adige plaatsvindt.




Anna Scalfi werd in 1965 in Trento geboren. Zij woont en werkt op het ogenblik in London, waar ze het project "From inside (I like the system)" stuurt en beheert.

donderdag 27 januari 2011

Poelepoelepoelepoel (13 juni 2008)

Het meisje van de bakkerij gaat, zoals elke avond, de eendjes eten geven. Op de fiets naar het park, met in het mandje aan haar stuur een paar broden die aan het eind van de dag overgebleven zijn. Ze heeft er een gewoonte van gemaakt. Even rust, na een dag van vriendelijk knikken, van "verder nog iets, mevrouw", van "een prettige dag verder, meneer". Even uitblazen, alvorens verder te fietsen naar huis, even langs het groenteboertje op de hoek, de pannen op het fornuis, op de achtergrond de geluiden van het tweede deel van het nieuws op televisie.
Voor de belangrijkste berichten arriveert ze steevast net te laat, maar dat weegt niet op tegen het kwartiertje park. Het park waar de wereld gedurende 15 minuten even stopt met draaien. Waar de dingen op dit uur van de dag altijd min of meer hetzelfde zijn. Een opa en een oma met hun kleindochtertje op weg naar de uitgang, moe (alle drie) van wip, schommel en klimrek in de uiterste hoek van het park. Twee ouwe mannetjes, altijd dezelfde, ook zij op weg naar de uitgang. Een draagt het schaakbord, de ander het doosje met de stukken. Een paartje op de bank onder de oude eik, te verliefd om nu al honger te hebben. Een paar trimmers, joggers, hardlopers, footers, of hoe ze dan ook genoemd worden (het meisje van de bakkerij is hier niet zo in thuis, ze loopt immers al heel de dag; werkneemster noemt men dat) met dopjes in de oren, een kabeltje naar de i-pod aan de arm, ver weg van het gefluit van vogels, gesnater van eenden. De eenden, die weten dat ze zal komen met een paar overgebleven broden aan het eind van de dag, en op haar wachten in de vijver van het park.

Vandaag lijkt alles echter net een beetje anders in het park. De stilte is vertrouwd, klinkt net als anders met het immer aanwezige geluid van auto's in de verte verdrongen op de achtergrond. Maar de vertrouwde gezichten ontbreken. Is ze dan zo laat? Ze kijkt op haar horloge, maar nee. Gek. Ze houdt stil op het grindpad voor het bankje onder de oude eik, kijkt om zich heen. Pas dan begint het te dagen. ,,Ach ja. Voetbal op tv. Natuurlijk.''
Ze voelt zich opgelucht en loppt verder richting vijver. Het hele park voor zichzelf. Wat een luxe. Ze haalt diep adem, luistert naar de stilte van het park. Totale rust, die zo helemaal alleen, zelfs dieper lijkt te zijn als normaal. Een zwoele, diep-oranje zomeravondzon drapeert zijn nog behaaglijk warme stralen over haar rug en haar schouders.
Als ze bij de vijver aankomt ziet ze tot haar verbazing dat "haar" eendjes haar niet op zitten te wachten. De veilige afstand van één meter vanaf de oever, normaal gesproken druk bezet als ze haar opwachting maakt, is nu een rimpeloze spiegel van water waarin de hoge bomen aan de andere kant van de vijver zich moeiteloos spiegelen. Het meisje van de bakker kan er niks aan doen, moet zelfs even lachen als de gedachte in haar opkomt. ,,Maar ook zij zullen toch niet...''
,,Nee'', zegt ze hardop tegen ze zichzelf. Waarop ze de papieren zak met de broden opent en op en neer schudt, om de eenden te lokken. ,,Poelepoelepoelepoel'', roept ze, niet te luid om de betovering van het park niet te verbreken. ,,Poelepoelepoel.''
Op dat moment voelt ze hoe de koelte van een schaduw over haar rug wrijft en de behaaglijke omhelzing van de zonnestralen van haar schouders wordt genomen. Een rilling bewandelt haar ruggegraat, langzaam van beneden naar boven om vervolgens in kippevel op haar armen achter te blijven. Haar hart lijkt stil te staan.
,,Roger'', denkt ze...




In het park van Piazza Dante in Trento, tegenover het station staat sinds 1 juni deze gans. Met zijn hoogte van 12 meter en 2 centimeter en zijn lengte van 7,60 centimeter is het de grootste gans ter wereld waarmee het vogeltje een plaatsje in de gouden kooi van het Guinness Book of Records krijgt.
Het gevaarte is gemaakt van 2000 lange bamboestokken en weegt alles bij elkaar zo'n 7000 kilo. Hij is in wat vrije weekeinden in elkaar gevlochten door de vrijwilligersgroep "Amici trentini del Bleggio", in het teken van de "Feste Vigiliane" die van 14 tot en met 26 juni in Trento plaatsvinden. Het symbool van deze feesten rond San Vigilio, de patroonheilige van Trento, is de gans. Hij speelt de hoofdrol in de Palio dell'oca, het hoogtepunt van het feestprogramma.

7 minuten (6 juni 2008)

Ik heb het niet zo op busreisjes. Met mijn 1 meter 88 heb ik altijd een teveel aan centimeters ten opzichte van het aantal dat een enigszins geriefelijke zithouding garandeert. Ik beperk dit soort van uitstapjes dan ook zoveel mogelijk tot het streekvervoer. De doorgaans korte tijdspanne die met deze puur noodzakelijke bezigheid overbrugd wordt is echter vaak al lang genoeg om me de term "streek" in "streekvervoer" een ietwat dubieus klank in de oren te geven. Mogen we ons werkelijk beperken tot de betekenis van "gebied"? Of moeten we ons achter het oor krabbelend afvragen wat voor streek ze ons nu weer leveren als tegenprestatie voor het duurbetaalde buskaartje? Bus te laat, bus te vroeg (wat erger is dan eerste), raampjes gaan niet open of gaan niet dicht, luidruchtige medepassagiers, een gebezigde rijstijl die het drie uur daarvoor genuttigde toetje een gratis retourtje richting keelgat aanbiedt. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
En toch zweer ik bij het openbaar vervoer. Maar het moge duidelijk zijn dat daaraan andere redenen ten grondslag liggen.

Als de atmosferische toestanden het toelaten pak ik de fiets om de 18 kilometer naar en van het werk te overbruggen. Als dat niet het geval is, of in geval van niet onmiddellijk overbrugbare technische mankementen aan mijn rijwiel neem ik de bus. Eerst lijn 7 tot in Trento en daarna lijn 302 naar Aldeno. 's Avonds neem ik om wellicht begrijpbare redenen eerst de 302, die om 17:51 zou moeten vertrekken vanaf de Viale Europa. Ik zeg opzettelijk "zou moeten vertrekken", want dat gebeurt nooit. In de praktijk komt erop neer dat we om 17:58 vertrekken. Precies. Elke avond. Dus elke avond vertrekt de bus precies 7 minuten te laat, en sta ik dus minstens 7 minuten te wachten. Want je kunt geen risico's nemen en zelf te laat komen. Toch?
Met dat "toch" vul ik noodgedwongen de 7 minuten wachttijd. 7 minuten, er voor het gemak even vanuit gaande dat ik precies op tijd bij de bushalte arriveer. Gek dat 7 minuten zo verschillend van lengte kunnen zijn. Soms vliegen ze voorbij. Vooral als er andere reizigers staan waarmee je een praatje kunt maken. Dikwijls gaat dat over het weer, want daarin is de Italiaan niet anders dan de Nederlander of elke andere wereldburger. Het weer heeft een echt sociale betekenis van 360 graden. Een opstapje naar een uitgebreide discussie of slechts naar een beleefde uitwisseling van enige klanken. Je kan er letterlijk alle kanten mee op. De 7 minuten zijn inmiddels dermate legendarisch dat ook zij dikwijls onderwerp van gesprek zijn. Ze hebben bijna dezelfde functie als het weer aangezien het een vast gegeven is. Het weer is er, hoort bij het leven. De 7 minuten zijn er, horen bij ons leven. Weddenschappen worden er al lang niet meer op afgesloten.
Andere keren duren de 7 minuten een eeuwigheid. Als het weer slecht is, of als er geen andere medereizigers zijn waarmee je een praatje kunt maken. Dan worden de 7 minuten een uitgebreid moment van overpeinzing. Over 7 minuten bijvoorbeeld. Als een bus altijd precies 7 minuten te laat is, kun je dan nog zeggen dat hij niet stipt is? Of kun je überhaupt nog zeggen dat hij te laat is? Zulke dingen...
Vandaag worden de grenzen van mijn gedachtenveld verlengd door de bijdragen van een aantal mede VK-bloggers die ik gelezen heb. Mijn pad kronkelt tussen akkers van vers geploegde indrukken, bijna tot aan de horizon. Ik sta nu stil bij "The Artist Way and I", met zorg ingezaaid door Maria-Dolores. Het intrigeert me. Het zomaar schrijven wat in je opkomt heeft een groep aanhangers, volgens wie het de beste methode is. Het brengt je dus werkelijk ergens. Een interessante invalshoek denk ik en denk mijn pen op het papier, mijn vingers boven het toetsenbord. Ik denk de letters die verschijnen, de woorden. Zonder indicatie. Zonder richting. Zonder tijd. Ik denk 7 minuten in mijn gedachten geschreven. Ik denk een akker, een horizon. Ik denk de vage contouren van een bus. Ik denk zonder richting en schrijf in gedachten zonder tijd wat zomaar in me opkomt. De benedenwindse eilanden. Vangen hoge bomen daar ook veel wind? Komt in me op. En de contouren van een bus die scherper worden. Scherp als een mes, komt in me op. Snijden, bezuinigen, minder blauw op straat. De bus rijdt voorbij, zonder gas te minderen. Blauw. Het zien duurt een seconde, de gedachte blijft voor altijd. Een scene. Tijdloos. Een wilde stroom in wiens beukende spetterende versnellingen zalmen opspringen. Hoog. Omhoog. Stroomopwaarts. Met een doel. Daar waar het water rustiger is worden eitjes afgezet. Kroost. Toekomst. Ideeën.

Een beekje kabbelt rustig, vindt zijn weg tussen vers geploegde akkers. Vlak onder de oppervlakte zwemmen kleine visjes. In de waterspiegel de reflectie van een klok waarvan de wijzers net naar één minuut voor zes springen. De regels op het papier in mijn gedachten vervagen, zoals de contouren van een autobus in de verte. Blauw. De 302 op weg naar Trento.
En ik sta nog steeds bij de bushalte in Viale Europa. De seizoenen vervagen. Bladeren dwarrelen neer. Ik ga nog steeds op blind, op wat zomaar in me opkomt, maar nu slechts druppelsgewijs. Geen idee of het me werkelijk ergens brengt. Ik heb de bus gemist. Stop mijn handen misnoegd in mijn zakken. In de rechter rinkelen de huissleutels zonder doel. In de linker knispert een vel papier. Ik haal het uit mijn zak en vouw het open.
,,Ik heb niet zo op busreisjes'', lees ik. Het is een regel die ik vanmiddag heb opgeschreven. Misschien iets voor een blog. Ik denk erover na. Heb nu een zee van tijd. En aan het eind is de kust, het zand, waarop mijn golven stranden. Ik verfrommel het vel papier tot een prop en gooi het in de prullebak.