De rij gaat langzaam, maar vooruit. Felle koplampen achter haar, drukke gebaren, claxon, middelvinger. Eén baan worden er twee, de file opgelost. Ze blijft links, haalt in. 120. Achter haar wordt geknipperd, getoeterd. Haar voet gaat vol op de rem. Het rood glimt plotseling op, maar wordt als gevolg van de minimale afstand niet gezien.
De krant. Een ziekenhuisbed. Gips, spalken, metaal. ,,Ze is dood'', zegt hij half hardop. ,,Klotewijf'', sist hij er achteraan. Hij heeft er nog geen seconde bij stilgestaan dat hij de laatste is geweest die met haar gecommuniceerd heeft. Maar hij heeft een mooi verhaal voor de vrienden die op dat moment zijn kamer binnenkomen.
Bezoekuur.

Ik zet thee, en vul de keukentafel met de dingen die bij het ontbijt horen. Onderleggers, twee bordjes, bestek, brood, boter, aardbeien- en sinaasappeljam, drinkyoghurt, melk, cocopops, suiker. En de thee natuurlijk. Maar eerst gaat de radio aan.
Ik zet thee, geef haar een kom (ze neemt geen suiker en blieft ook geen koekje) en schenk voor mezelf ook in. Zwijgend drinken we. Het valt me op dat ze een beetje slurpt. Juist genoeg om het gezellig te houden. De keukenlamp weerspiegelt op het goudgele oppervlak. Ik kijk op en weg is ze. Opgelost in het niets lijkt het wel, compleet met krulspelden, gele hoofddoek, blauw gebloemde jasschort en geruite pantoffels.