Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

vrijdag 18 februari 2011

Put-toerist (24 mei 2010)

In Amsterdam wordt gewerkt. Altijd.
Als we het Centraal Station uitlopen is er eerst De Put. Het gat van Amsterdam. Ik kom zowat elk jaar voor een paar dagen of een weekje naar Amsterdam, en ik begin eraan gehecht te raken. De Put lijkt te leven, verandert van vorm, en als ik het goed heb zelfs af een toe een beetje van plaats. De Put is bijna het visitekaartje van Amsterdam, en daar bedoel ik niets negatiefs mee. Geloof me, een toerist heeft er helemaal geen problemen mee.

De Put is één. Maar ook elders wordt gewerkt, dus her en der kom je in Amsterdam putten tegen. Kleinere putten, dus kleine p's. Ze hebben niet zoveel als De Put, maar desondanks stralen ze iets van de werklust van de immer bezige Nederlander uit. Nederlanders zijn noeste werkers. Dijken bouwen, land veroveren op de zee en op, in of met dat land iets nuttigs doen. Een put graven lijkt nutteloos, maar in Amsterdam graaft men niet voor niks. Diepte op korte termijn is er vooruitgang op lange termijn.

Een put is op zich echter een lelijk ding en past dus niet echt in Amsterdam. Maar ook daar wordt aan gewerkt. Op het Rokin zie ik afbeeldingen van bukkende mensen rond een put, op weg naar kantoor, boodschappen doend of spelend met vriendjes en vriendinnetjes.
Op de kruising van de Utrechtsestraat en de Herengracht liggen twee prachtgaten. Het zijn de putten van de beste vrienden van de mens...

 


 


Ga er maar eens kijken als je in de buurt bent. Er hangen nog veel meer foto's.

Mooie putten in mooi Amsterdam. Ze hebben er het put-toerisme uitgevonden.

Eindhoven, zondagmorgen (14 april 2010)

Eindhoven. Ben ik er ooit al eens geweest? Ik dacht het wel, maar weet het niet meer zeker. Ergens in een achterkamertje van mijn geheugen heb ik een impressie hangen van de binnenkant van het Evoluon. De entreehal. In zwart-wit, dus het kan best een foto uit een tijdschrift zijn geweest dat ik als kleine jochie door heb zitten te bladeren.

Het feest was leuk, en het werd dus laat. Dit, in combinatie met het begin van de zomertijd, laat alles nog vroeger aanvoelen dan dat het al is. Een douche en een ouderwets Hollands ontbijt (krentenbrood met kaas en beschuit met hagelslag) doen me echter aangenaam, als een eend dobberend op de korte golfjes van een vijver, het ritme van de vroege zondagmorgen aannemen. Ohé en Laak. De zon schijnt laag door het raam. Op een boerderij in de buurt kraait een haan. Nog een kop thee. Ik heb honger, neem ook een zacht gekookt eitje.
Het station in Echt, wachten tot het rode licht gedoofd is, er kan nog een trein komen. Niemand wacht. Echt slaapt nog of wordt pas wakker. Overstappen in Roermond, spoor 3 wordt spoor 2. Overstappen in Weert, spoor 2 wordt weer spoor 3. Station Eindhoven. Net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.

En lijn 401 brengt ons van het station naar het vliegveld. Ook net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.
Eindhoven en Philips zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het korte busritje door de stad laat ook aan de toeristen, dikwijls op doorreis van of naar Amsterdam, weinig aan duidelijkheid over. Ook mijn jeugd en Philips waren met elkaar verstrengeld, als de draadjes van de oordopjes van een ipod of een walkman. Mijn vader werkte bij Philips, en dus droeg de gloeilampengigant, als je het goed bekijkt, financieel direkt bij aan mijn opvoeding en opleiding. Indirekt zou je misschien heel ver door kunnen doorborduren en zelfs tot de conclusie komen dat dit stukje dankzij Philips tot stand is gekomen.
Mijn vader werkte op de flitslampen-afdeling in Terneuzen. Flitslampen waren kleine glazen kogeltjes met een blauwe glans erin. Aan de onderkant staken er twee draadjes uit, die je in een zogenaamd flitsapparaat duwde. Dit apparaat zat op zijn beurt weer met een stekkertje verbonden aan het fototoestel, die het glazen kogeltje in de flitser fel deed oplichten op het moment dat je de ontspanner indrukte. Daarna gooide je de flitslamp weg. Aan de buitenkant leek het glas met brandblaren overdekt en je kon het geen tweede keer gebruiken. Hetzelfde gold overigens voor het filmrolletje: eenmaal vol bracht je het naar de fotograaf die er negatieven van maakte en daar vervolgens foto's van afdrukte. Je moest daarna een nieuw rolletje kopen, want het oude was niet herbruikbaar. De rolletjes waren er in drie formaten: 12, 24 of 36 foto's.
Het was de tijd dat wachten nog gewoon was, net als geduld. Een rolletje laten ontwikkelen en er foto's van laten afdrukken duurde op z'n minst een aantal dagen. Als je ze daarna ging halen rukte ze je meteen uit de enveloppe om ze te bekijken. Het resultaat viel dikwijls tegen, omdat bepaalde dingen zich niet laten vangen in een klik, of heel eenvoudig omdat een bepaalde sfeer niet houdbaar blijkt te zijn op papier. De foto's werden dan thuis nog een keer uit de enveloppe gehaald, maar belandden daarna al snel in een la waar ze vervolgens jarenlang stofferig lagen te worden.
Onze flitslampjes waren dus van Philips, maar ook de batterijen, de gloeilampen, de radio, de televisie, de pick-up, de bandrecorder, de koelkast, de wasmachine, de broodrooster en, toen mijn vader dicht tegen zijn pensioen aanzat, de eerste spaarlampen die zowat een kilo wogen. Een geldstroom in een vrijwel gesloten circuit. Het was dat we ook aten, anders was mijn vader's salaris een perpetuum mobile geweest. En het was dat Philips geen auto's maakte, want anders zouden we ongetwijfeld in een Philips rond gereden hebben. Maar we bleven in de buurt. Mijn ouders zwoeren namelijk bij de volautomaat, de Daf, het unieke produkt van de Van Doornes Autofabrieken die net als Philips hun hoofdvestiging in Eindhoven hadden.

Eindhoven trekt als een enorm doek langs de ingelijste panoramavensters van de bus. Eindhoven op zondagmorgen. Er is weinig volk op straat.
Oude fabriekshallen ademen op een verder bijna braakliggend terrein nog iets van de oude glorie uit. De zestiger jaren, gevangen in de industriële archtectuur van die tijd, en een eindje verder in een woonwijk. Vijf hoog, zes hoog, kleine ramen waarachter ooit de Philips-gezinnen hun aardappelen met jus aten aan het eind van de werkdag. De vensters geven nu de indruk dat er studenten achter wonen. We zijn in de buurt van het Philips-stadion.
Halte Philips-stadion. Lief schrijft na de Arena, de Kuip, de Galgenwaard en het RBC-stadion een vijfde Nederlands voetbal-mekka bij op haar lijstje. Met uitleg. Voor het stadion staan de standbeelden van de topschutters van de club: Coen Dillen en Willy van der Kuijlen.




De eerste was van voor mijn tijd, de tweede viel precies in de periode dat ik mijn voetbalplaatjes verzamelde. Ik heb hem wel honderd keer gezien, want hij was elk seizoen één van die vele dubbele die je in de zakjes van een kwartje vond. Gert Bals was er ook zo één.
We rijden verder en stoppen bij de halte Evoluon. Ondanks haar leeftijd is het nog steeds een supermodern bouwwerk. ,,Ik denk dat ik het wel eens bezocht heb, maar ben niet zeker'', zeg ik tegen Lief.


De huizen worden lager. Het zicht wordt wijder. In de richting van het vliegveld heeft het vlakke landschap plaatsgemaakt voor een al bijna even vlak landschap van één verdieping hoog. Moderne huizen, veel groen, veel ruimte.
In de bus hangt een monitor, waarop beurtelings de volgende halte, de chauffeur, de aankomsttijd op het vliegveld, de slechts bij enkele haltes open en dichtsklappende deuren, en wijzelf te zien zijn. Ik heb niet kunnen ontdekken van welk merk de monitor was.

Als we twee uur voor vertrek willen inchecken krijgen we te horen dat we nog minstens 45 minuten moeten wachten. Perfect om even de kiosk binnen te stappen.
Ik sta op het punt om De Volkskrant van de dag daarvoor te kopen, maar er de zondag-editie van La Repubblica is er al. Dus ik neem die. De dag erna lees ik op internet dat het de laatste 'grote' Volkskrant is geweest. Heel even heb ik iets van 'jammer'. Ik had een stukje historie in mijn bezit kunnen hebben.
Wat boeken betreft is er niet erg veel keus, wat het voor mij een stuk gemakkelijker maakt. Ik kies voor 'Vals licht' van Joost Zwagerman en 'Caesarion' van Tommy Wieringa. En ik besluit een mooie traditie voort te zetten en met een Bril uit Nederland terug te komen: Jongensjaren. Een verzameling verhalen over de jaren zestig en zeventig, staat er op de achterkant geschreven. Onbewust dwalen mijn gedachten af... naar Philips.


De bomen groeien niet meer tot in de hemel, maar wonderen bestaan nog (29 maart 2010)

Zaterdagmiddag, half vijf. Precies negen-en-een-half uur geleden liep in Trento de wekker af.

Een wandelingetje in een oer-Nederlands landschap, net buiten Ohé en Laak. Electriciteitsmasten waarvan de kabels kilometers ver in een kaarsrechte lijn naar de horizon lopen. Een kerkje aan de horizon. Een kerkje dichtbij. Knotwilgen. Een molen. Een typisch Nederlandse hemel met de karakteristieke aan de onderkant afgevlakte wolken.


Twee kilometer en we zijn in het pittoreske dorpje Stevensweert. Een plein met twee kerken en een zegenende Jezus. “Kom tot mij”. Hij staat voor de grootste kerk. Daarachter de begraafplaats. Uitzicht op het water, het land, tot aan de horizon waar water en land in een dunne streep overgaan in lucht.
Nog een plein, de markt. Een restaurant, 't Oad Kloaster. Nog een restaurant, Stadt Stevenswaert. En een café. Op het raam een met de hand geschreven briefje. 'Geen koffie'. Gelukkig komen we daar niet voor.
De kroeg is ouderwets. Als we de deur openen moeten we ons een doorgang snijden door de blauwe rooklucht waarmee het lokaal tot in alle hoeken gevuld is. Aan de bar een stuk of acht lokale klanten. Hun stemmen verstommen een ogenblik als we binnenkomen, maar het gesprek herneemt zich snel. Geen idee waar ze het over hebben. Hun dialekt laat weinig openingen voor een interpretatie in welke richting dan ook, maar desondanks klinkt het lekker, gezellig. We passen ons naadloos aan de plaatselijke gebruiken aan: bestellen dus een pilsje, steken er een sigaretje bij op en praten onverstaanbaar.
De decoraties aan de wanden bestaan voor het grootste gedeelte uit foto's die door de decennia heen, waarin Stevensweert hier haar pilske achterover sloeg, gemaakt moeten zijn. Ik meen de vrouw achter de bar een aantal keren te herkennen in een jongere uitvoering. Generaties hangen hier aan de muur. Kinderen, vaders, en wie weet ook grootvaders. We zijn overduidelijk in het katholieke Zuiden der Nederlanden: boven de deur naar het toilet hangt Jezus aan het kruis en vanaf een zwart-wit foto boven de bar houdt paus Ratzinger zijn Stevensweertse schaapkes in de gaten. Kinderen zien we hier niet.

Zes uur. We moeten gaan. Ik vraag hoeveel ik betalen moet, en ik meen iets van twee euro te verstaan. Voor de zekerheid betaal ik met een briefje van tien. Ik krijg acht euro terug. Van verwondering vind ik buiten op het dorpsplein mijn stem pas terug.


Precies 24 uur later zijn we terug in Trento.

maandag 7 februari 2011

Utrecht lezen en plaatjes kijken (15 juni 2009)

Terug naar Westdorpe (2).

Ik was nog nooit echt in Utrecht geweest. Ja, een aantal keren de Jaarbeurshallen voor een toelatingstoets met het oog op een baan bij het rijk en een glanzende toekomst. Dit echter met steeds dezelfde standaardbrief die weken later op de kokosmat achter de voordeur terechtkwam als resultaat. Geen glanzende toekomst, en nooit echt in Utrecht geweest.

Het VVV-kantoor in Utrecht staat aan het Domplein, op nummer negen. Voor de deur, netjes ingebed tussen de klinkers, een lieveheersbeestje. Een van de vele aanwijzingen dat Utrecht prat gaat op ‘haar’ Dick Bruna. Binnen krijg je de indruk dat ze blij zijn dat je er ook bent. Een aardig meisje begint meteen druk te zoeken naar het hotel dat het beste bij onze wensen past. En ze is oprecht enthousiast als ze snel datgene blijkt gevonden te hebben wat we zoeken.
En zo lopen we even later op een fraaie maandagmorgen in april naar ons logeeradres, dat zoals aangegeven, niet ver weg is. In het centrum van Utrecht is eigenlijk niks ver weg. Het doet bijna als een dorp aan. Temeer omdat de meeste winkels nog gesloten zijn.
Maandagmorgen in Utrecht. Het is vrij rustig op straat, met uitzondering van de Bakkerstraat waar een man met Aziatische gelaatstrekken tegen een muur zit. Aan zijn voeten een plas helderrood bloed. Een omstander dept met een flinke hoeveelheid keukenpapier de gapende wond op het voorhoofd van de man. Een paar anderen proberen hem gerust te stellen, praten kalm met hem. Het komt goed, rustig blijven zitten. In het bleke gezicht kijken twee ogen wazig voor zich uit, zonder dat ze iets lijken waar te nemen van het oploopje. De omstanders die wat verder weg staan fluisteren samenscholerig. Het is toch wat. We lopen verder en om de hoek, in de Lange Elisabethstraat, is de politie al onderweg naar de plaats van het delict. Rustig, zonder voetgangers opzij te laten springen, zonder sirene en zwaailichten. Het is maandagmorgen in Utrecht en Italië lijkt een melkweg ver weg.

Een tip: wie musea wil bezoeken en wil shoppen doet er goed aan om Utrecht op maandag te mijden. Er zijn weinig winkels open en ook het Centraal Museum, dat op ons lijstje staat, houdt haar deuren dicht. Alle tijd dus om op het gemak door het oude Utrecht te slenteren, en dat doet alle gesloten deuren al snel vergeten. Utrecht ‘doen’ is vooral Utrecht lezen en plaatjes bekijken.
We keren even terug op onze schreden en springen nog eens bij de VVV binnen voor een plattegrondje en wat kaartjes. ,,Alles naar wens’’, vraagt het vriendelijke meisje van vanmorgen ons. Ja, hoor. Alles oké.

Tegenover de automatische schuifdeuren toornt de Domtoren letterlijk hoog boven ons uit. Ondanks zijn imponente uiterlijk straalt het iets uit van eenzaamheid, met de kerk zo ver verwijderd. Het is moeilijk te vatten dat een tornado hier in 1674 de oorzaak van geweest is.
Aan de rechterkant van de Domkerk vind je de kruisgang, een schilderachtig rustpuntje in het toch al zo rustige Utrecht van dat moment. Hugo Wstinc, een veertiende-eeuwse domkanunnik, schrijft er sinds 1913, door Jan Hendrik Brom in brons gegoten, zijn memoires. Het poortje dat toegang biedt tot de kruisgang heeft een bijzondere geschiedenis, die gezocht moet worden in het Academiegebouw van de Utrechtse Universiteit. In 1891 werd dit gebouw opgetrokken in een neorenaissancestijl, de stijl van het humanisme en een verwijzing naar de oude Griekse beschaving. De toenmalige minister van binnenlandse zaken, Tak van Poortvliet, had altijd gehamerd op een gotisch Academiegebouw omdat dat ‘ruimte-ordelijk’ beter paste bij de Dom. Toen hij zijn zin niet kreeg schijnt hij in eigen persoon 3 jaar later het toeganspoortje te laten hebben bouwen... in neogotische stijl.

Op de hoek van de Servetstraat staat een coffeeshop, met uizicht op de Oude Gracht. Het is er niet druk. Eén enkele klant trekt er eenzaam aan een joint, zonder acht te slaan op de wereld buiten. Waarschijnlijk is hij hier al meer geweest.
Voor ons is de Oude Gracht schilderachtig, van waar je hem ook bekijkt. Zelfs vanonder een paraplu bij af en toe een bui. De wandelkaden schijnen uniek te zijn in de wereld.
De Lichte Gaard schijnt ook Klein Venetië genoemd te worden. Je vindt er enkele regels van Cornelius Carolus Stephan Crone. Ondanks zijn bloeiende bloementuin aan voornamen schreef deze, van 1914 tot 1951 levende schrijver voornamelijk droevige verhalen die veelal in Utrecht gesitueerd waren. Geen idee of dit aan Crone of aan het Utrecht uit die tijd gelegen heeft. Het “Later stond hij in de Lichte Gaard naar de sterrenhemel te kijken. Nu had hij bij zijn verdriet nog de hik gekregen” geeft in ieder geval een beeldende indruk van zijn werk.
Een eindje verder komen we langs Tivoli. Ik herinner me de aankondigingen van concerten hier, lang geleden op Hilversum 3. Ontelbare keren had ik zin om te gaan, maar de afstand Zeeuws Vlaanderen-Utrecht bleek even zovele malen onoverbrugbaar. Op 22 juni treedt Gogol Bordello (wow!) er op, maar ik vrees dat de afstand Trento-Utrecht al even onoverbrugbaar zal zijn als ooit Zeeuws Vlaanderen-Utrecht.
Op een steenworp afstand van Tivoli, op de hoek van de Oude Gracht en de Brandsteeg staat het geboortehuis van Adriaan Florenszoon Boeyens. De geboorte van de spruit werd op 2 maart 1459, 550 jaar geleden, gevierd. Adriaan trad niet in de voetsporen van zijn vader, die scheepstimmerman was, maar hij werd docent, doctor en professor in de filosofie en theologie. Het was het begin van een indrukwekkende carrière die in 1522 bekroond werd met zijn benoeming tot paus. Lang heeft het pontificaat van de eerste en tot nu toe enige Nederlandse paus niet geduurd. Precies 12 maanden en 2 weken na zijn benoeming stierf Adrianus VI op 14 september 1523. Het zou tot 1978 duren voordat opnieuw een niet-Italiaan tot paus werd gekozen.
Eén flank van de Brandsteeg wordt nu opgesierd met een muurschildering: ‘attention: chutes de pierres!’.



Aan de overkant nog een stukje geschiedenis. Een enorme zwerfkei op de hoek van de  Oudegracht en het Eligenhof moest voorkomen dat het pand op die plaats beschadigd werd door voertuigen die de bocht te krap namen. Omdat de duivel er ’s nachts plezier in schepte de kolos als knikker te gebruiken en zodoende de bewoners uit hun slaap hield, besloot men in 1520 de steen met zware kettingen aan de gevel vast te maken. Sindsdien is de duivel uitgeknikkerd en heeft men er een mooie sage bij. In werkelijkheid betreft het een grenssteen die is vastgelegd om te voorkomen dat deze werd verlegd om de grens te wijzigen.

Alan M. Eddison's woorden staan gehouwen in de steeg die de Zadelstraat met de Boterstraat verbindt, 'Modern technology owes ecology an apology'. De Mariaplaats doet me beseffen waarom ik me redelijk thuis voel in Utrecht. “Stairway to Heaven” is niet alleen het rockcafé van de stad, maar ook de verzamelplaats voor menige VK-bloggers-borrel waarover ik gelezen heb. Ik stel me tevreden met een eenvoudig pilsje, en klink met Lief op de gezondheid van mijn mede VK-bloggers. Achteraf had ik misschien beter ook op de gezondheid van het VK-blog zelf geklonken. Maar dat is achteraf praten, wat altijd gemakkelijk is. En ondertussen lijkt alles toch weer op rolletjes te lopen.
Even verder, richting Centraal Station, komen we de man met stier tegen, van de in 1988 overleden Amsterdamse beeldhouwer Paul Grégoire. Het bronzen beeld uit 1967 staat aan de zijkant van het hoofdkantoor van de Steenkolen Handels-Vereeniging.



's Avonds eten we aan het Neude. Het is een van die aangename avonden aan het eind van april. Lekker om met een jasje of een vest aan buiten te zitten, maar voor Italiaanse begrippen toch nog wat frisjes. We eten dikke frieten bij Tapperij de Luifel, ik met een saté en Lief met een vegaschotel. We zijn de enige gasten die binnen zitten, totdat een ander stel aan een tafeltje naast ons plaats neemt. Het verwondert me weing dat ze Italiaans spreken.
Op weg naar het Neude komen we door de Vinkenburgstraat, waarin de Nederlandse "Walk of Fame" verwerkt blijkt te liggen. De laatste Nederlandse film die ik gezien heb was Zwartboek van Paul Verhoeven. Ik heb hem in een Italiaanse bioscoop, dus in het Italiaans nagesynchroniseerd, gezien en zelfs op die manier was Carice van Houten groots. Turks Fruit blijkt de Nederlandse film van de eeuw. 'Rosa di carne' heet hij in het Italiaans, roos van vlees.

Dinsdagmorgen een ontbijtje bij Bakker Bart in de Bakkerstraat. Alles is weer zoals het zijn moet, alle sporen van de plas bloed zijn verdwenen en men spoedt zich naar het werk, naar school of om de boodschappen.

Ook het Centraal Museum is open. We zijn er speciaal een dag langer voor in Utrecht gebleven en we worden niet teleurgesteld. De uitgebreide tentoonstelling 'Scorels Roem' laat het leven van de schilder aan ons voorbij trekken, en we krijgen een idee hoe het er in die periode aan het eind van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw aan toeging. Dat is voor mij persoonlijk een van de mooie dingen van de kunst: een beeld op het leven in een bepaalde periode. Het kennen van de juiste mensen was toen al belangrijk voor je positie in de maatschappij, en Jan van Scorel's nauwe banden met Paus Adrianus hebben hem de positie van beheerder van de kunstschatten van het Vaticaan opgeleverd. Het pronkstuk van de expositie was voor mij zonder enige twijfel Agatha.
Het Centraal Museum heeft echter nog veel meer te bieden. Een stuk kunsthistorie van Utrecht, tot de dag van nu. Vooral het gedeelte met de hedendaagse kunst is mooi opgezet door verschillende thema's te laten zien en uit te leggen.

Morgen gaan we verder, naar Antwerpen. We lopen een laatste rondje door de Domstad. Lief vindt in een winkeltje de tas van haar leven. Echt leer, van Marokkaanse makelij. Het ding draagt de penetrante lucht van een kameel met zich mee die door de regen heeft gelopen, maar dat wordt op de koop toegenomen.
De etalages zijn oranje. Overmorgen is het koninginnedag.


zondag 6 februari 2011

Agatha (12 mei 2009)

In het Utrechtse Centraal Museum loopt tot en met 28 juni de tentoonstelling ‘Scorels Roem - Hoe een Utrechtse schilder de Renaissance naar het Noorden bracht'.

Het ‘gezicht' van de tentoonstelling is een portret dat de, voor een groot deel van zijn leven in Utrecht werkende schilder in 1529 maakte van Agatha van Schoonhoven.




Uit het gidsje dat de bezoeker aan ‘Scorels Roem' begeleid komt de onderstaande beschrijving van het schilderij:
"Scorel werd in 1528 benoemd tot kanunnik van het kapittel van Sint Marie. Hoewel het hem als geestelijke verboden was te trouwen, leefde hij wel samen met een vrouw. Zijn geliefde was Agatha van Schoonhoven. Zij woonden samen in een apart huis binnen het immuniteitsgebied van de kerk en kregen zes kinderen. Scorel portretteerde haar in 1529, toen hij zelf 34 was. Van Agatha zijn geen geboorte- en sterftedata bekend."


Tussen de talrijke werken van Jan van Scorel heeft het Centraal Museum een plekje vrijgehouden voor een gedicht. Het is speciaal voor ‘Scorels Roem' geschreven door de Utrechtse dichter Ingmar Heytze.

 
Agatha

Ik ben halverwege

als ik naar je kijk met deze ogen

mijn testament kan wachten, er is

tijd - misschien heb ik nog drieëndertig

jaar, misschien te weinig dagen om jou

beeltenis te maken. Het kan me niet veel

schelen als ik jou maar heb, mijn leven lang,

Agatha, met je naam vol aah's om te

fluisteren in de nacht, met je handen en je

lippen en het eeuwige geheim van wat er in

je om gaat als je naar me kijkt en lacht

terwijl ik laag op laag breng, heen en weer

heen zoekend naar je ware kleur. Met jou

zal ik nooit ergens anders zijn dan

halverwege, in het midden van de wereld.

Draag je mijn kinderen, later? Mijn werk is

Mijn wapen tegen de tijd; mijn schild ben jij.



Heytze droeg het gedicht voor tijdens de opening op 19 maart. Ik vind het prachtig.


Ingmar Heytze werd op 16 februari 1970 geboren in Utrecht.
Op 15 maart van dit jaar verscheen zijn elfde gedichtenbundel ‘Utrecht voor beginners'. Sinds 6 april is hij sportcolumnist voor de Volkskrant.

Een kaartje uit... Amsterdam (8 mei 2009)

Terug naar Westdorpe (1).
 



Terug naar Westdorpe. Een weekje lage landen.

Amsterdam stond aanvankelijk slechts als passage op ons programma, onderweg van Schiphol naar Westdorpe. Maar een vriendin vertelde dat we de tentoonstelling "Van Gogh en de kleuren van de nacht" niet over mochten slaan.
Het is zaterdagavond, rond de klok van zeven. In Italië viert men de bevrijding, en wij staan weer op het Stationsplein. Zoals precies een jaar geleden. Achter ons het centraal station, als een kloppend hart. Moegeshopte gezinnen, de handen vol tassen, verdwijnen door de openstaande deuren naar binnen. Toeristen en zaterdagavondstappers komen naar buiten, de voorpret en verwachting als een rode blos op de wangen. Voor ons de halte van de tram, en iets verderop aan het Damrak de put, die wat grootte en diepte weinig lijkt te hebben ingeboed ten opzichte van vorig jaar.
Welke lijn was het ook alweer, de 1 of de 11? Het blijkt uiteindelijk lijn 2 te zijn.

Het Leidseplein gonst. Een groep van vijf breakdancers (heten die nog zo?) maakt het publiek enthousiast. Achter de toeschouwers trappen wat jochies anoniem een balletje. Een ouwere passant houdt de bal even hoog als die zijn kant oprolt. De romantiek van het straatvoetbal, ook dat hoort bij Amsterdam.
We drinken een pilsje op een terras voordat we binnengaan bij Stoop & Stoop. Het is er goed, gezellig en dus altijd vol, maar na vijf minuten is er een tafeltje vrij. Naast ons twee ouders met hun zoon van een jaar of vijftien. De jongen doet me aan mijn zoon denken. Een beetje onwennig in het grote lichaam dat het nog gedeeltelijke kinderhart verbergt. Verlegen lijkt het, maar ik geloof niet dat dat het is. Als ze betaald hebben wordt hun plaats ingenomen door twee vriendinnen, die elkaar lang niet gezien hebben. Ze hebben veel te bespreken, oude liefdes, nieuwe liefdes, collega's, het werk. Ze hoeven niet te fluisteren met twee Italianen aan het tafeltjes naast zich.
Als we met een voldaan spinnende maag terug naar ons hotelletje lopen is het donker, maar de stad bruist en de terrasjes zitten vol. De breakdancers zijn vertrokken, en de voetballertjes zitten waarschijnlijk thuis te 'gamen'. Hun plaats is ingenomen door een cellist die nog moet beginnen, of misschien al klaar is met zijn optreden. Zijn instrument wacht gelaten op de dingen die komen gaan, de stok of de kist.


Al een paar keer is het ons gelukt een hotelletje bij het Vondelpark te vinden. Dat heeft iets speciaals, op de vroege ochtend door het park naar het centrum wandelen. De vogels begroeten fluitend het begin van de dag, trimmers demonstreren onverbloemd de vele stijlen van het zich in looppas voortbewegen, ieder apart uitnodigend tot wat fantasieën over hoe hij of zij buiten het trainingspak door het leven gaat. Ik neurie Acda en De Munnik.
Voor het Van Gogh Museum staat om iets over negen al een lange rij. Het miezert en we hebben weinig zin ons aan te sluiten. Er zijn vast en zeker andere musea met een kortere wachttijd.




We kiezen voor het FOAM. De vaste collectie heeft het veld moeten ruimen voor de tentoonstelling "Richard Avedon: Photographs 1946 - 2004", maar dat blijkt helemaal niet erg te zijn. Het is een schitterende collectie, waarin te zien is hoe het werk van de eigenzinnige Avedon zich in de jaren heeft ontwikkeld. Van vernieuwend modefotograaf tot zijn ontwapende portretten, waarin hij de ziel van zijn onderwerpen bloot weet te leggen.
Zien eten doet eten, zeggen ze wel eens. Dat is een beetje hetzelfde met fotograferen. Als ik na een weekje Lage Landen thuiskom blijk ik 541 fotootjes gemaakt te hebben. Ik ben min of meer een op-goed-geluk-fotograaf en ik weet, als hiervan één procent redelijk van kwaliteit is, dan is het meegenomen.

Verderop aan de Herengracht, op nummer 497, huist het KattenKabinet. Naast de kassa zit een kat, die zich gewillig laat aanhalen. Op de trap naar de eerste verdieping worden we voorbijgestoken door een tweede kat, op een bankje ligt een derde een uiltje te knappen en een vierde zit lodderig in de vensterbank naar buiten te kijken. Tot zover de levende hoofdrolspelers in dit bijzondere museum. De collectie is heel bijzonder met Picasso en Henri de Toulouse-Lautrec als meest in het oog springende namen. De kat in de kunst, in de reclame, in de literatuur. Een hele brede horizon.

De regen wijkt heel geleidelijk voor hier en daar een opklaring met zelfs af en toe een stukje blauw en een zonnestraal. Lanterfanteren in Amsterdam. De lekker dikke zaterdag-Volkskrant, sleutelhangers met klompjes voor vrienden en collega's, kaartjes, poffertjes aan de Stadhouderskade, een bundel van Martin Bril, foto's, klik, klik, klik.
























En dan Van Gogh. Kleuren van de invallende avond, kleuren van de nacht. De aardappeleters, de zaaiers,
de sterrennacht. Magie. Het eerste doek en het laatste lijken bijna niet door dezelfde persoon geschilderd. Ertussen ligt een geschiedenis, een ontwikkeling, die in de tentoonstelling prachtig in beeld wordt gebracht. Enkele fragmenten van Vincents brieven aan broer Theo geven weer hoe de schilder worstelde naar een, voor hem dikwijls minst onbevredigende eindresultaat. Ik zou hier vele uren rond kunnen lopen, maar er resten er slechts anderhalf tot aan sluitings- en etenstijd.

Van Gogh heeft weinig grote doeken geschilderd. Zijn meeste werken zouden wat oneerbiedig 'schilderijtjes' genoemd kunnen worden. Ook mijn pas aangeschafte aanwinst van Martin Bril zit vol schilderijtjes, maar dan anders. Op een terrasje blader ik "Het verdwenen kruispunt" door. Bril schrijft dorpstafereeltjes, polderlandschappen, Nederland, op een bijna tastbare manier. In Nuenen, waar Van Gogh gewoond heeft, neemt hij plaats bij het raam van Café De Zwaan.

,,In het park, tussen de lindebomen, staat een beeld van de getormenteerde schilder. Het lijkt niet, maar waarom zou het?
...
Sky Radio brengt intussen de nieuwste Madonna, twee mannen die op De aardappeleters niet zouden misstaan komen De Zwaan binnen en bestellen luidkeels 'een bokske'."


Voor ons geen 'bokske', maar een gewoon pilsje bij café Dante. De Italiaanse Lonely Planet heeft het over een galerie op de eerste verdieping met werk van Herman Brood. Ongelovig loop ik de trap op, en ja hoor, daar hangen ze. Felle kleuren, primitieve figuren alsof ze rechtstreeks uit een hallucinerende droom gestapt zijn. Was dit zijn wereld? Voor we verder gaan drinken we er nog eentje, op Herman.

Amsterdam lijkt op te houden als je de deur van het Indonesische restaurant Cilubang achter je dichttrekt. Ik ken niet veel restaurants in Amsterdam, maar van degene die ik ken is dit mijn favoriet. Het lijkt of je op bezoek bent bij een verre oom en tante, gastvrij en dichtbij. Een hand op je schouder, het omroeren van de gerechten op tafel om uit te leggen wat het precies is. Elke maaltijd lijkt speciaal voor jou bereid, met liefde, en dat proef je.
Muziek klinkt zacht op de achtergrond, maar is niet altijd afgestemd op de periode van het jaar. Nog vier dagen tot koninginnedag en halverwege de avond komt Bing Crosby op kousevoeten voorbij met 'White Christmas'. Ook dit hoort bij Cilubang.

Geen koffie na deze keer. Ook geen afzakkertje onderweg naar ons hotelletje. Morgen gaan we naar Utrecht en we willen vroeg vertrekken. Nu maar hopen dat het niet sneeuwt.

 

Een heer van stand (6 mei 2009)

Ik zag toevallig dat het vandaag poezenblogdag was, en al even toevallig was ik vorige week in het Amsterdamse KattenKabinet. Ik schoot er dit plaatje...


Wat je noemt, een echte heer van stand.

dinsdag 11 januari 2011

Minimale bagage (24 april 2008)

Mijn eerste reacties kreeg ik op deze bijdrage...

Aan: beatrix@koningin.der.nl
Van: rokus2000@hotmail.com

Lieve Bea,

‘k heb m'n koffer gepakt, hoor. Dat zeg je zo geloof ik, hè? Ook al is het je rugzak die je ingepakt hebt? Nou goed. Een weekje Nederland en ik ben er in geslaagd de limieten van mijn rugzak aan te houden wat de inhoud betreft. Zoals je weet, ik ben een minimale reiziger geworden wat mijn bagage betreft. Ik realiseer me echter dat ik deze keer een risico neem. Een hele week Nederland met niets meer bij me dan hetgene wat ik aanheb als ik morgen op Schiphol aankom, en 1 broek op reserve (ik wilde hem thuislaten, maar wat als het nu eens hard begint te regenen als ik ergens buiten ben), 2 t-shirts met korte mouwen, 1 t-shirt met lange mouwen, 1 overhemd, 8 onderbroeken en 8 paar sokken. Over de laatste aantallen was ik het niet helemaal eens met Meia, maar ik heb me om laten praten en van ieder 1 exemplaar op reserve ingepakt. Want wat als m'n voeten opeens eens heel veel gaan zweten, of de regen (die regen hè, altijd maar weer die regen), of als ik eens per ongeluk een natte wind laat. Het lijken misschien overbodige voorzorgsmaatregelen, maar je moet op veel voorbereid zijn. Of hou jij geen rekening met kleine "ongelukjes" als je op reis gaat? Een jusvlek op een mantelpakje is immers zo opgelopen, hoor. En krijg dat er maar weer eens uit. Niet dan?

We zijn trouwens van plan om de hele week overwegend in Amsterdam te blijven. Misschien nog een uitstapje naar de Keukenhof, maar daar houdt het dan waarschijnlijk wel mee op. We gaan deze keer eens echt de toerist uithangen. Je hoeft dus voor ons niet thuis te blijven. En niks extra's in huis halen met koninginnedag, want we komen echt niet. Aan één kant zou ik best wel willen (weer eens even lekker bijpraten met Alex en Maxiem), maar uit principe zeg ik bij voorbaat nee. Want waar bleef mevrouw toen ze op 2 februari hier in de buurt was? Nou? Ik wil het geheugen wel even opfrissen, hoor. In het museum was Bea! In het museum, het Mart, in Rovereto! Nog geen 20 kilometer van hier vandaan! Net 70 geworden, een leuk kadootje van de kids. Maar dan ook gelijk even in Trento langskomen? Ho maar! Dus je begrijpt, ook ik sla deze keer ook even over. Of je dat nu leuk vindt of niet. Omdat ik je wel begrijp (je kunt nu eenmaal niet alle sociale nummers aflopen), en omdat oude liefde niet roest zal ik je in ieder geval even een sms-je sturen als we aangekomen zijn. Dan ben je weer gerust, hè. Stuur je dan wel een berichtje terug om te laten weten hoe het met je gaat? Dan ben ik ook weer gerust. Want ik kan misschien wel eens pissig op je zijn (en jij op mij), maar dat wil niet zeggen dat ik je niet graag mag.
Baci, abbracci (ook van Meia), en de groeten aan de kids en de rest van the family, Ron

PS: Stuur maar geen mailtjes, want ik weet niet of er een computer in ons hotelletje is. Ik denk het niet, en dat is maar te hopen ook.

PS PS: Woensdag zing ik hoor! ORANJE BOVEN, ORANJE BOVEN. LEVE DE KONINGING!!! Uit volle borst!

PS PS PS: 'k Heb gezien dat je nog steeds op Hyves zit. Wat heb je al veel vrienden, zeg!

Plat (24 april 2008)

Als je een tijdje in het buitenland verblijft neemt op een gegeven moment - althans, mij is het zo vergaan - het verlangen af om het Nederlandse nieuws op de voet te volgen. Je begint de taal van het land waar je verblijft - in ons geval Italië - steeds machtiger te worden zodat het steeds leuker wordt om het "plaatselijk" nieuws te volgen. Het gedeelte "buitenland" is in de Italiaanse dagbladen veel minder ruim bedeeld dan in de Nederlandse media, en je verliest automatisch en ongewild steeds meer contact. Totdat je er na wat jaren achter komt dat je wel erg veel achter begint te lopen en tijdens de spaarzame bezoekjes in Nederland werkelijk nergens meer over mee kan praten. Dat is het moment om de draad weer een beetje op te pakken en je via internet regelmatig met de redakties van de verschillende "Vaderlandsche Couranten" in verbinding te stellen. Zo las ik, een tijdje geleden alweer, het bericht dat "de Nederlander" niet bestaat. Althans, zo vertelde prinses Máxima op 23 september van het vorig jaar in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer in Den Haag voor een geïnteresseerd gehoor bij de presentatie van het rapport Indentificatie met Nederland van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Het nieuwtje zou me geheel ongaan zijn, ware het niet dat Nederland, en dus ook "de Nederlander", op hun kop stonden. Dit als inleiding op het volgende...



Als het mogelijk zou zijn om Italië op zijn noordelijkste puntje om te klappen dan kwam Sicilie in het zuiden van Zweden te liggen (!). Een enorme afstand, en je begrijpt, dat maakt het moeilijk om over "de Italiaan" te praten. Het zou hetzelfde zijn als over "de Europeaan" te praten. En de term (let wel, ik heb het over de term, niet de bevolking) "de Nederlander" is een peuleschilletje als je het vergelijkt met "de Italiaan". Ook "de Italiaan" bestaat waarschijnlijk niet, ook al hebben velen van de ruim 55 miljoen bewoners van dit wonderlijk stukje aarde meer met elkaar gemeen dan dat ze lief is. Maar daarover een andere keer meer.
Uit geografisch oogpunt gezien heeft "de Italiaan" bijna het recht om niet te bestaan, in ieder geval veel meer als "de Nederlander". Want in een land dat vanaf de hiel tot aan de knieholte (laat ik de bijnaam "de laars van Europa" hier even als voorbeeld gebruiken) meer dan 1200 kilometer lang is, is het bijna onmogelijk dat iedereen zijn neus op dezelfde manier snuit, zijn schoonmoeder dezelfde "troetelnaam" geeft of hetzelfde bord met pasta op tafel zet. En in die 1200 kilometer Italië zitten zoveel verschillende landschappen, die elk mede debet zijn aan het karakter van zijn bewoners, dat "de Italiaan" gewoonweg niet kàn bestaan. Ik zal het je nog sterker vertellen: zelfs Italië bestaat nog bijna niet! Maar ik ben er echter van overtuigd dat de gevarieerdheid in mentaliteit van de Italiaan en de veelheid van verschillende landschappen in Italië de sterke punten van het land zijn. Er is immers altijd wel iets waardoor je je waar dan ook in Italië thuisvoelt.

Ik was nog nooit in Italië geweest toen ik een jaar of tien geleden met het vliegtuig op het vliegveld Guglielmo Marconi van Bologne landde. Ik was onderweg naar Ferrara waar ik de mogelijkheid had om op ex-patriot basis te gaan werken. Toen ik pakweg een uurtje na de landing in m'n huurautootje over de A13 zoefde voelde ik me al op een hele vreemde manier thuis. Ik keek naar links, naar recht, en zag de horizon. Plat, plat, plat. Practisch niets wat m'n uitzicht belemmerde, een kerktoren in de verte, een rij knotwilgen. Bijna nog platter als Nederland. Ik was niet met een bepaalde gedachte naar Italië afgereisd, had van alles verwacht, maar zeker niet dit. Of ik nooit weg was geweest.
De volgende morgen werd ik wakker in een mistig Ferrara. En ik kan je verzekeren, je hebt nog nooit mist gezien als je de mist in Ferrara niet hebt gezien. Er is niks anders meer dan die grijze, vochte, kille deken, en niets lijkt meer zoals het de dag daarvoor was. Dat was m'n eerste voorproefje... Er is veel wat niet datgene is waarop het lijkt, zowel in positieve als in negatieve zin. Dat is Italië.