Posts tonen met het label fiction. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fiction. Alle posts tonen

vrijdag 18 februari 2011

Eenvoudig gesnater (3 mei 2010)

Achter wat in onze mensenoren als eenvoudig gesnater klinkt gaan dikwijls hele diepzinnige gesprekken schuil van eend tot eend. Hele filosofieën, over hemel en aarde, water en lucht, leven en dood...


,,Mam.''
,,....''
,,Ma-am!''
,,...''
,,Ma-aaaaaaam!''
,,Ja, wat is er jongen?''
,,...''
,,Nou?''
,,Ja, nou weet ik het niet meer.''
,,...''
,,...''
,,...''
,,O ja. Waar gaan wij naartoe als we doodgaan?''
,,Naar de hemel, jongen. Dat heb ik je toch al eens gezegd.''
,,O ja.''
,,...''
,,Is er ook water in de hemel?''
,,Ja jongen. Er is ook water in de hemel.''
,,In een sloot?''
,,Ja, in een sloot. Waar anders?''
,,Nou, in een vijver.''
,,Daar heb ik nog nooit iets over gehoord. Maar ik denk dat er ook wel vijvers zijn in de hemel, hoor.''
,,Net als hier?''
,,Ja, net als hier. Maar dan in spiegelbeeld.''
,,In spiegelbeeld?''
,,Ja, in spiegelbeeld. Dat is hetzelfde wat je ziet als je hier in het water naar beneden kijkt. Maar dan net andersom.''
,,Dus in de hemel moet ik naar boven kijken om mezelf te zien?''
,,...''
,,Mam!''
,,Uh. Ja, ik denk het wel.''
,,En zijn er ook vissen in de hemel, mam?''
,,Ja, natuurlijk zijn er ook vissen in de hemel.''
,,En vliegen die?''
,,Nee, die vliegen niet. Heb je ooit al eens een vis zien vliegen?''
,,Uh... Nee.''
,,Nou dan.''
,,Dus de vissen in de hemel zwemmen?''
,,Ja.''
,,In spiegelbeeld.''
,,Ja.''
,,Maar zwemmen ze dan boven ons of onder ons?''
,,Boven ons. Dat lijkt me logisch. Niet?''
,,Uh... Ik denk het wel.''
,,...''
,,Mam.''
,,....''
,,Ma-am!''
,,...''
,,Ma-aaaaaaam!''
,,Ja, wat nou weer jongen?''
,,Zijn er ook mensen in de hemel?''
,,Ja, jongen. Er zijn ook mensen in de hemel. Maar niet veel.''
,,Niet veel?''
,,Nee. In de hemel zijn alleen maar mensen die de eendjes voeren.''
 

 
Bij het “opbergen” en terugkijken van wat foto's draaide ik deze per ongeluk 180 graden. Ik moest meteen aan Bart denken, en aan wat eendjes zoal onder elkaar te vertellen hebben.

vrijdag 11 februari 2011

Bezoekuur (26 augustus 2009)

Met veel moeite voegt ze in. Achter haar klinkt een claxon en in haar achteruitkijkspiegel ziet ze zijn middelvinger de hoogte in geheven. De rest van zijn gedaante gaat veilig schuil achter de wolken spiegelende voorruit. Ze reageert niet. Blijft rustig, zoals altijd. Een kastanjebruine lok valt over haar voorhoofd. Met haar rechter hand wrijft ze hem opzij, en drukt de radio aan.
De rij gaat langzaam, maar vooruit. Felle koplampen achter haar, drukke gebaren, claxon, middelvinger. Eén baan worden er twee, de file opgelost. Ze blijft links, haalt in. 120. Achter haar wordt geknipperd, getoeterd. Haar voet gaat vol op de rem. Het rood glimt plotseling op, maar wordt als gevolg van de minimale afstand niet gezien.

De krant. Een ziekenhuisbed. Gips, spalken, metaal. ,,Ze is dood'', zegt hij half hardop. ,,Klotewijf'', sist hij er achteraan. Hij heeft er nog geen seconde bij stilgestaan dat hij de laatste is geweest die met haar gecommuniceerd heeft. Maar hij heeft een mooi verhaal voor de vrienden die op dat moment zijn kamer binnenkomen.

Bezoekuur.


maandag 7 februari 2011

Ontmoeting (26 juni 2009)

Als een zachte streling voel ik haar langs mijn neusvleugels glijden. Een geur, die in de verte iets heeft van glycyrrhiza glabra. Zoethout, kalisse. Aangenaam. Ik blijf even staan, kijk om me heen, op zoek naar de bron. De straat ligt er echter verlaten bij in het vroege ochtendlicht. Ramen en luiken zijn gesloten, er is geen levend wezen te bekennen.
Ik loop verder in de richting van de rivier, en merk na een paar stappen hoe de kracht van de geur toeneemt. Het zoet verdringt de ijle ochtendlucht en mijn adem wordt stroop, die zich vast lijkt te zetten in m’n keel. Ik slik tevergeefs, weet me nog net tegen een muur staande te houden als zwarte vage vlekken voor mijn ogen beginnen te bewegen. Ik laat me op de stoep zakken, nat van het zweet. Rustig blijven, bijt ik mezelf toe. Haal rustig adem. Ik sluit m’n ogen in een poging me even af te sluiten van de wereld om me heen. De zware geur is echter zo nadrukkelijk aanwezig dat het lijkt of ze m’n poriën vult en bezit van me probeert te nemen. Haar kleverige tentakels strekken zich uit, bereiken m’n hersenen. En tot m’n schrik realiseer ik me dat die signalen van herkenning beginnen uit te zenden.
We kennen elkaar, van lang geleden. Van voor de vlucht in een klein gammel bootje, samen met 16 anderen, naar Europa. Langzaam, maar op de donkere golven in de nacht had ik het gevoel dat ik vloog. M’n vrijheid tegemoet. Van voor de lange reis, voor een groot deel te voet. Langs de weg opgewaaid zand waaronder vandaan een voet uitstak. Overdag de zinderende zon, ’s nachts de kou onder een immense sterrenhemel die me nog kleiner maakte dan dat ik al was. Van voor de dood van m’n broer, zijn buik opengereten met een mes omdat hij niet voor de rebellen wilde vechten. Hij wilde voor niemand vechten, maar daar hadden ze geen boodschap aan. Van voor de soldaat van de regeringstroepen die mijn zusje verkrachtte. Ik hoor haar ’s nachts soms nog gillen. Op dat punt houden mijn herinneringen op. Van daarvoor is er niks meer. Geen beelden, geen geluiden, geen geuren, niks. Althans dat dacht ik, tot op dit moment.

In het warme, zachte licht van de vallende avond hebben we ons achter een hut verzameld. Jafaar heeft aan iedereen die het horen wilde verteld dat er een sprinkhanen-concert is. Hoewel we allemaal een beetje bang zijn van de zonderlinge Jafaar heeft de nieuwsgierigheid het gewonnen van onze angst. We zitten in een kring op de grond, ik, mijn broertjes en zusjes, vriendjes en vriendinnetjes, en Jafaar. In het midden van de kring staan enkele grote witte plastic emmers, met ernaast een juten zak. Daarin zitten ongetwijfeld de sprinkhanen, want hier en daar zie ik de ruwe stof bewegen. We wachten gespannen op wat komen gaat. Ik ruik vaag een voor mij onbekende zachtzoete geur.
Dan staat Jafaar op en loopt naar het midden van de kring. Hij steekt zijn hand in de juten zak en haalt er een enorme sprinkhaan uit. Voor ik goed en wel doorheb wat er gebeurt heeft hij de vleugels uit het arme beest getrokken en op een platte steen scheidt hij met een mes het onderste deel van de lange achterpoten van het bovenste deel. Triomfantelijk houdt hij het insect in de hoogte. Aan het uiteinde van de afgesneden poten hangt een druppel kleurloos bloed. Satanisch lachend gooit hij het dier in een van de emmers en haalt een tweede sprinkhaan uit de zak, die hetzelfde lot ondergaat. Ik wendt vol afgrijzen mijn blik af, maar wordt op datzelfde moment getroffen door de zoete geur die plotseling veel sterker is geworden. Ik wil niet meer kijken, maar een onzichtbare hand lijkt mijn hoofd vast te nemen en draait het de kant van het gruwelijke schouwspel op. Ook de anderen in de kring staren als in een roes naar het centrum van de kring waar Jafaar, steeds hysterischer lachend, doorgaat met zijn wrede ritueel totdat de bodem van de emmers volledig bedekt is met de verminkte sprinkhanen. In hun pogingen te ontsnappen slaan ze hun halve achterpoten op het plastic. Het gevolg is een macaber geroffel dat de hoge gillen van Jafaar begeleidt. Hij danst als een wilde in het rond, zijn ogen wijd opengesperd, wit schuim op de lippen. Het geroffel gaat door, wordt steeds luider. Ik wil dat het stopt, druk mijn handen stevig op mijn oren, maar het geroffel gaat door, oorverdovend. Ik open mijn mond,  schreeuw. Neeeee! Maar er komt geen geluid uit mijn keel...

Als ik mijn ogen open zit ik op de stoep tegen een gevel, mijn shirt doordrenkt. In de etalageruit aan de overkant van de straat zie ik hoe mijn spiegelbeeld de handen tegen het hoofd houdt. Ik laat ze zakken. Het geroffel verstomt.
Ik sta moeizaam op. Ademen gaat iets gemakkelijker, maar de compacte zoete lucht is niet verdwenen. Zelfs zonder te ruiken voel ik haar sinistere aanwezigheid. Ik ben bang, wil vluchten, weg van hier.
Onzeker begin ik te lopen, stap voor stap. De geur houdt me in haar greep, voorkomt dat ik val. Maar ze verspert me de weg terug, en leidt me langzaam maar zeker in de richting van de rivier. Daar waar haar presentie met elke stap nadrukkelijker wordt.

Het witte paard (26 mei 2009)

Ik ben een wit paard. Maar dat is niet correct. Blank ben ik, uit blank hout gesneden en daarna oppervlakkig gevernist. Uit blank hout gesneden klinkt ambachtelijk, maar dat was het allesbehalve. Serieproduktie. Een mal met daarachter eenvoudig wat blokjes hout. Een serie frezen veranderde ze razendsnel in een serie paarden, allemaal exacte kopieën van het origineel. Het enige verschil is, als je heel goed kijkt, de houtstructuur. Verwacht er niet teveel van want het hele stel schaakstukken hier op het bord komt uit de minste kwaliteit bomen. Jong, licht, gemakkelijk te bewerken. En dat zie je. Ik mis bijvoorbeeld een oor, en een van de zwarte paarden is een stuk van zijn neus kwijt. Daar zou ik flauwe grappen over kunnen maken, maar dat doe je niet als je zelf een oor mist.

En aan het eind belanden we allemaal in dezelfde doos.

Ik ben een wit paard, maar desondanks heb ik weinig verstand van het schaakspel. De kennis komt immers met hetgene wat je rond je ziet gebeuren, en mijn eigenaar is geen groot speler. Eén keer per week speelt hij tegen zijn broer, maar ook van hem moet je het niet hebben. Het is geen familie van grootmeesters, laten we het daar maar op houden.

Af en toe spelen we buiten de deur. In het Vondelpark. Of op het Max-Euwe-Plein, zoals nu. Gaat de strijd thuis met broerlief nog enigszins gelijkop, hier worden we over het algemeen genadeloos afgemaakt en verdwijnen we in een recordtijd terug in de doos. Ook deze keer zie ik er een zwaar hoofd in, want achter zwart zit een kenner. Zo iemand die een pijp rookt, en tussen de blauwe wolken door de tegenstander veinzend aankijkt. Iemand die verrassend weet te openen.

De opening van vanavond heeft meteen een groot aantal van onze krachten naar de boorden van het bord doen verdwijnen. Daar staan ze, met een pesthumeur. Want bij het schaken staan de beste stuurlui niet aan wal. Integendeel. Zeker op het Max-Euwe-Plein sta je als schaakstuk behoorlijk voor lul aan de kant van het veld.

De tegenstander lurkt tevreden en zelfverzekerd aan zijn pijp. Ietwat overmoedig wellicht. Glimlachend valt hij over zijn linkerflank aan, slaat achteloos een lopers en merkt dan pas dat zijn dame volledig onbeschermd is gebleven. Haar lot rust in mijn handen.
Rondom het bord ziet iedereen dat de rollen opnieuw verdeeld zullen zijn als de zwarte dame van het toneel is verdwenen. Ook 'pijp' weet dat. In gedachten voel ik al de kleffe vingers van mijn eigenaar in de nek (hij heeft, op weg naar hier, nog vlug even een kroketje uit de muur getrokken), mijn glorieuze vlucht over de velden naar G3 en het tikje waarmee de dame uit haar evenwicht wordt gebracht.

IEDEREEN ziet het, behalve mijn eigenaar. Hij brengt me naar G8, waar ik meteen geslagen wordt door de opgelucht glimlachende dame. Vijf minuten later is het gedaan en wordt het deksel boven ons gesloten. De doos gaat onder de snelbinders en we rijden naar huis.

Dit had een eretocht kunnen zijn.











 Foto: internet.

zondag 6 februari 2011

Verlossing (27 maart 2009)



Zondag, 1 februari 2009 (1 v.A.).

Het regionale nieuws heeft zoals altijd weinig te bieden. Ik luister slechts met een half oor toe hoe onder begeleiding van een monotoon gebabbel een vallende fietser, een in het bezit van drugs gearresteerde buitenlander, een jubilerende priester en het gelijkspel van het voetbalelftal van Mezzolombardo de revue passeren. Een nagekomen bericht doet mijn wenkbrouwen echter enige millimeters in opwaartse richting van positie veranderen. Het maakt melding van een felgroen verlicht bolvormig object dat in de reeds donkere hemel van de vroege winteravond is waargenomen boven het meer van Caldonazzo. Het verplaatste zich geluidloos met grote snelheid van oost naar west en was slechts een tiental seconden zichtbaar. Op het nabijgelegen vliegveld Gianni Caproni in Trento kan men geen verklaring geven voor het verschijnsel. Net zomin als bij Meteo Trentino, dat afsluit met het weer voor morgen. Men verwacht een heldere dageraad, maar de bewolking zal in de loop van de dag toenemen en men moet rekening houden met sneeuw in de avond en de nacht.

Nog geen uur later ben ik het regionale nieuws al vergeten.

Maandag, 2 februari 2009 (0).

De discussies bij de halte Melta "case ITEA" gaan, zoals gebruikelijk op maandagmorgen, over het voetbal. Ook al is het grootste gedeelte van de wachtenden op lijn 7 op weg naar school, dat instituut lijkt melkwegen verder weg dan de stadions waarin de jongste miljonairs van Italië de kost verdienen. De kleinste van de groep wordt door zijn vrienden "Mosca" genoemd, "Vlieg". En Vlieg heeft de pest in, want zijn Juve heeft wederom verloren. Met 2-3 van Cagliari dit keer, in eigen huis nog wel. De hilariteit van de Milanisten en Interisten is groot, het bushokje gevuld met gejoel en gelach. Niemand heeft in de gaten dat vanuit de richting van Gardolo een ezeltje onze kant opkomt.
Pas als het beestje tot op honderd meter genaderd is hoor ik hoe vier hoefjes op het asfalt van de Via Matteotti klikken, als de hoge hakken van twee dikke dames. Ik keer me om, en ook de hoofden van de andere passagiers draaien eensgezind de kant van het niet alledaagse geluid op. De plotseling invallende verbaasde stilte is bijna tastbaar, en wordt slechts onderbroken door het bijna vrolijke klik-klak-klik-klak dat stopt als het ezeltje en zijn gevolg halt houden ter hoogte van het bushokje. De ezel, een hoogzwangere vrouw in het zadel, een man die het leidsel vasthoudt. Wolkjes adem die in de ijle, koude ochtendlucht oplossen.
,,Mogen we hier even uitrusten?'', vraagt de man. Als antwoord wijkt de groep in stilte uiteen en het echtpaar neemt op het bankje van het bushokje plaats. ,,We zijn moe'', verontschuldigt de bezoeker zich. ,,We hebben de hele nacht gelopen, want alle herbergen waren vol.''
Waar heb ik dit meer gehoord?.
,,Ik ben Josef'', stelt de man zich voor. ,,En dit is Maria.'' Dat is teveel voor Vlieg: ,,Ja, en ik ben Napoleon.'' De groep begint te proesten, wat in de kiem gesmoord wordt als er een siddering door het lichaam van Maria schiet en ze begint te kermen. ,,Mijn god, de weeën'', jammert Josef. Het koude zweet breekt hem letterlijk uit.

Gelukkig staat ook Cinzia bij de bushalte. Ze werkt als schoonmaakster in het ziekenhuis, en haar brede kennissenkring aldaar komt op dit moment wonderwel goed uit. Ze duwt haar boodschappentas in mijn armen en stroopt haar mouwen op. Nog geen tien minuten later ligt er een dot van een baby in de armen van Maria.
,,O, wat mooi'', klinkt Josef beduusd. ,,En..., hoe noemen we hem?''
,,Ale'', oppert Vlieg, ,,zoals Alessandro... Del Piero.'' Vlieg kijkt om zich heen, verbaasd, want niemand protesteert. Allemaal kijken we omhoog naar het vreemde groene schijnsel dat het bushokje verlicht.

Vrijdag, 2 februari 2525 (516 n.A.).
Joyce Innaritù, de 129e president van de Verenigde Staten van America, staat voor de spiegel. Ze moet haar ‘verlossingstoespraak' voor de natie houden en is gespannen. Niet voor de toespraak, maar ze krijgt een van haar oorbellen niet in. Haar man George schiet haar te hulp, neemt het sierraad over en, "klik", het zit. Hij legt zijn hand op haar schouder en kust haar zacht op een wang. ,,Je bent prachtig'', fluitert hij in haar oor.

Vijftien minuten later zit ze live voor de camera. De opening krijgt dankzij een close-up van president Innaritù bewust een heel persoonlijk karakter. Pas na ongeveer een minuut zoemt de camera heel langzaam uit en krijgen de kijkers zicht op een van de vensters van de "oval room" waarachter de laatste sneeuw van deze winter nog een deel van de tuin van het Witte Huis bedekt. En voor het raam staat een buscus, versierd met rode, witte en blauwe ballen, zilveren slingers en twinkelende lichtjes. Het hoort bij verlossingsdag, en doet vaag denken aan kerstmis dat tot zo'n 400 jaar geleden op grote schaal gevierd werd.
De camera zoomt nog iets verder uit, en daar, onder de verlossingsboom komt het langzaam maar zeker in beeld... Het bushokje. En de beeldjes van een groep personen.
Als je heel goed naar de figuurtjes kijkt zie je me staan, met de boodschappentas van Cinzia in m'n handen. En daar staat Vlieg, op het moment dat hij Josef op de schouders tikt en om een sigaret vraagt.
En op het bankje Maria, met in haar armen... Ale, nog totaal onwetend van de wonderen waarmee hij de wereld zal verbazen.




Roodkapje en de kikker (18 maart 2009)

Roodkapje heeft de pest in. Het arme schaap is met een mand vol boodschappen op weg naar haar grootmoeder, en ze weet hoe die over het algemeen geluimd is. Zelf hebben ze bij Roodkapje thuis niet eens zoveel te eten, maar op een tegeltje op het vale bloemetjesbehang in de woonkamer staat geschreven "respect voor de ouderdom". Dat is de regel in huize Schaafstra (weinigen weten dat dit de achternaam van Roodkapje is), en dus gaat vrijwel het complete inkomen van vader en moeder Schaafstra rechtstreeks naar oma.
Wat overblijft is voor henzelf en de kinderen. Dat is weinig, en dat is te zien. De verf van de luiken van hun huisje bladdert droog omgekrult van het kale hout, hun kleren zijn ontelbare keren hersteld, en de ribbetjes van Roodkapje en haar zusje Grietje en haar broertje Hans zijn te tellen onder de bleke huid.

Oma is weer eens in een slechte bui, en klaagt over de slechts zeven flesjes bier die ze in de mand, onder een half bruin gesneden, twee ons boterhamworst, een pakje boter, twee kilo aardappelen, vier krentenbollen, een halve kilo half om, een liter vanillevla en een liter chocoladevla, acht koetjesrepen, drie zakken chips en een pakje halfzware met vloeitjes aantreft. ,,Is dat alles'', roept ze. Haar stem krast als een paar oude ongeslepen doorlopers op een lang niet geveegde ijsbaan. ,,Ja, dat is alles'', antwoordt Roodkapje kort. Ze slaat de deur achter zich dicht voordat oma kan zien dat ze begint te blozen. Want ze heeft gelogen, en dan wordt ze altijd zo rood als een kroot. Ze heeft namelijk een krentenbol voor zichzelf gehouden, en daar begint ze van te peuzelen, zogauw ze uit het zicht van oma's huisje is.
De krenten eet Roodkapje eerst op, want die zijn het lekkerst. Op de weg terug naar het dorp laat ze een spoor van kruimels achter. Met opzet, want wellicht eten de vogels de kruimels op zodat zij dan morgen de weg naar het huisje van oma niet meer kan vinden. Dat heeft ze eens gelezen in een sprookje.
Vanachter een boom komt plotseling oom Agent tevoorschijn gesprongen. Het is de broer van Roodkapjes vader en heet gewoon Henk, maar hij wenst door zijn neefjes en nichtjes niet aangesproken te worden met oom Henk, maar met oom Agent. Hij is namelijk bij de politie. Een echte dienstklopper. ,,Zo Roodkapje'', zegt hij vanuit de hoogte. ,,Dat wordt een bekeuring. Je mag namelijk geen kruimeltjes op de openbare weg gooien.'' Roodkapje begint te huilen, maar oom Agent is onverbiddellijk. ,,Als we dat allemaal gaan doen, dan wordt het een grote janboel.''
Snikkend neemt Roodkapje de bon in ontvangst en vervolgt met gebogen schoudertjes haar weg. Bij de vijver aan de rand van het dorp aangekomen gaat ze op een bankje zitten om haar tranen te drogen. Ze wil niet dat de mensen zien dat ze gehuild heeft.

En dan opeens staat er een prins voor Roodkapjes neus. Of is het Huub, van de Gouden Kooi? In zijn hand heeft hij een glazen schoentje, en glimlachend vraagt hij of ze die eens wil passen. Maar het muiltje is veel te groot, dat ziet Roodkapje zo. ,,Jammer'', zegt Huub Prins. ,,Anders was ik met je getrouwd.''
,,Shit'', zegt Roodkapje. En dan gebeurt het. De "t" is nog maar een fractie van een seconde vantussen de iets uit elkaar staande voortandjes geglipt als Roodkapje in een kikker verandert. ,,Godslasteringen!'' roept Prins. ,,Foei!'' Roodkapje wil hem tegenspreken, wil hem zeggen dat "shit" toch helemaal geen godslastering is, maar ze komt niet verder dan... kwak.
Huub beent woedend weg, als op zevenmijlslaarzen, Roodkapje zielig in haar nieuwe hoedanigheid achterlatend. Wat nu?

In de verte ziet ze de rattenvanger van Hamelen aankomen. Die blijkt zijn fluit verloren te hebben, maar hij weet desondanks zingend de dieren met zich mee te lokken. Roodkapje probeert zijn aandacht te trekken. ,,Herr Ratzinger'', roept ze. ,,Herr Ratzinger!'' Maar hoe ze ook haar best doet, het klinkt allemaal hetzelfde. Kwak. En Herr Ratzinger loopt voorbij zonder haar op te merken.
Het gekwaak trekt wel de aandacht van enige van de honderden ratten die Ratzinger op de voet volgen. Ze komen dreigend op Roodkapje af, die met een sprong in de vijver haar vage kikkerlijfje redt.

Wanhopig, want ze weet nog niet dat ze in die vijver aan de rand van het dorp spoedig het echte geluk zal vinden.



















De foto is afkomstig van de website
Diginature Natuurfotografie.

donderdag 3 februari 2011

Eilanden (29 december 2008)

Een mooie, zonnige wintermiddag loopt op z'n eind. Het is koud en passagiers haasten zich van de parkeerplaatsen naar de automatische schuifdeuren van de vertrekhal. En ook diegenen die alle tijd hebben lopen stevig door. Want het is koud. Het ademen is zichtbaar in de laatste lage zonnestralen. De avond begint te vallen, en dat gaat snel in december. Nauwelijks is de zon achter de horizon verdwenen of de ijsblauwe lucht kleurt lila, waarna ze overgaat in geel, dan in rood en zo naar purper. Het firmament, als de binnenkant van een immense toverbal. Het doet de grote glazen wand van de vertrekhal op een enorme reclamspot voor een nieuwe, nog bredere, nog kleur-echterige, nog waarheidsgetrouwere plasma-tv lijken. En dan van purper naar een steeds dieper wordend donkerblauw, waartegen zich één voor één een gestaag toenemend aantal sterren zich aftekent. Buiten wordt het donker en het vliegveld krijgt steeds meer van een baken, of een eiland van licht in de duistere wereld eromheen.

Smalle wegen verbinden de weinge dorpen in de onmiddellijke omgeving. Hier en daar een lantaarnpaal, wat uit het lood, die een schaars licht werpt op de berm aan haar voet teneinde een onoverzichtelijke bocht wat minder onoverzichtelijk te maken. Wie goed kijkt kan met enige moeite in de duisternis af en toe een afgelegen woning ontdekken waarvan de bewoners het geluid van landende en opstijgende vliegtuigen na jaren en jaren inmiddels gelaten over zich heen laten komen. Zoals gezegd, je moet goed kijken, want luiken en gordijnen zijn gesloten.
En daarachter wordt rond dit tijdstip gegeten. Eenvoudig, want wie genoodzaakt is om in de buurt van een vliegveld te wonen heeft over het algemeen niet veel te makken. Een waterige jus staat in een soepkom met bloemetjesmotief in het midden van de keukentafel. Een sauslepeltje erin, dan kan iedereen pakken zoveel hij wil. Ook op het tafelzeil staan bloemen gedrukt, maar die zijn anders, en door het vele schoonvegen en opvouwen al grotendeels vervaagd. Lelies, die grotendeels aan het zicht worden ontnomen als moeder de drie borden neerzet waarop aardappelen, boerenkool en een stuk worst liggen te dampen. Naast de jus komt een kan met water te staan, en naast elk bord legt moeder een mes en een vork. De lepeltjes blijven door de week in de aanrechtla, want een toetje kunnen ze zich alleen in het weekeinde veroorloven.
,,Het eten is klaar!''

In de halfduistere woonkamer wordt Mariekes betovering verbroken. Zoals iedere avond in deze laatste twee weken voor kerst zit ze bij de kerstboom, en in het zachte licht van de twee snoeren met kerstverlichting (één met alleen maar witte lampjes en één met groen, blauw en geel) speelt ze haar kerstverhaal. De figuurtjes in de kerststal wandelen rond en veranderen steeds van plaats. De drie wijzen komen de ene dag uit het oosten, de andere uit het westen. De schaapjes worden geteld en opnieuw geteld, want soms loopt er wel eens eentje weg. Dan wordt er een herder op expeditie gestuurd (herder Derrick) om het beestje te gaan zoeken. Ook Josef is er niet altijd, want die moet, net als Mariekes vader, wel eens overwerken. Maar Maria is er altijd. Net als het kindje Jezus dat, al dan niet met een natte luier, in de kribbe ligt. Maar van een natte luier schijnt hij geen last te hebben, want hij huilt nooit.

Mariekes vader moet vanavond niet overwerken. Hij heeft goede ogen, want ondanks de schaarse verlichting leest hij de krant. Tussen het ene en het andere artikel kijkt hij met een glimlach naar z'n dochtertje. Ze gaat helemaal op in haar spel en hij voelt op zulke momenten hoe zijn hart letterlijk lijkt over te lopen. Hij heeft nooit de kans gehad om te studeren en ze hebben het dan ook niet breed. Maar dit is echte rijkdom, zo realiseert hij zich maar al te vaak. Het doet hem de berichten over de economische crisis, de brandhaarden in de wereld, de opkomst van extreem rechts met haar symbolen, en de tegenvallende resultaten van zijn Charleroi (21 punten uit 17 wedsrijden; hij had er wat meer van verwacht) niet vergeten, maar ze zijn dragelijker.
Vader heeft de krant inmiddels uit en heeft zich op zijn dagelijkse kruiswoordpuzzel geworpen. Hij is expert en houdt niet op bij een moeilijkheidsgraad van 4 of 5 sterren. Nee, zijn puzzels zijn 7 (!) sterren. Desondanks heeft hij, zonder er echt zijn hoofd over te moeten hebben breken, alle vakjes zowat fluitend (''Rudolph the red nosed reindeer'') van de immer weer magisch kloppende letters voorzien. Maar in het zicht van de finish strandt hij onverwacht op een eiland, het laatste woord, 64 horizontaal: eiland in de Golf van Cambay, 3 letters. De eerste is een D, de laatste een U. Maar de tweede?
,,Het eten is klaar!''
,,Miledju'', mompelt vader.

Slechts een paar kilometer verderop, in de vertrekhal van het vliegveld Charleroi staat een kerstboom, veel groter, veel voller, en met veel meer lichtjes als die in het kleine huisje in het donker van de koude winteravond. En toch, deze boom kan niet tippen aan de kleine onregelmatige blauwspar met daaronder de kerststal van Marieke. De kunststof takken missen de geur van een echte boom, en de hal mist de reuk van boerenkool en gebraden worst. Reizigers van en reizigers naar lopen er voorbij, en dikwijls lijken ze de boom niet eens op te merken. Ik vind het altijd een heel triest tafereel, een kerstboom op een vliegveld. Ik kan er niks aan doen.

Ik ben onderweg naar Treviso en bevind me op het vliegveld Charleroi omdat er vandaar twee maal per dag een vlucht naar dat Treviso vertrekt.
Op het moment dat Marieke en haar vader en moeder aan hun aardappelen met boerenkool en braadworst beginnen kom ik erachter dat ik vergeten ben mijn boek vanuit mijn koffer naar mijn handbagage over te hevelen. ,,Miledju'', mompel ik.
Ik besluit, zonder echt hoge verwachtingen te koesteren, mijn geluk in de kiosk te proberen. Ik vind wat tijdschriften, maar ze weten me niet echt te boeien. Weinig boeken in het Nederlands. ''De bende van Nijvel'' van Guy Bouten, ongetwijfeld een interessant dossier, maar op het moment wat te lijvig. ''Een dag in Gent'' van Herman Brusselmans. Ik twijfel, maar loop uiteindelijk toch met het boek in m'n hand richting kassa. De hoek om, langs een ander schap en... M'n hart maakt een sprongetje. Boudewijn Büch, ''Eilanden''. Mijn keus is gemaakt en Brusselmans gaat voorlopig terug naar Gent. Blij reken ik mijn aanwinst af.

Büch. Ik was hem een beetje vergeten, maar herinneringen vechten zich moeiteloos een weg naar boven en drijven weer aan de oppervlakte. ''De kleine blonde dood'', zijn reisdocumentaires op tv met die vreselijk eigenwijze eigen stijl van hem, Mick Jagger in die Soundmix Playback Show van Henny Huisman. En Büchs dood. Ik kwam pas een paar jaar later te weten dat hij overleden was. Net als bij Brood, en bij Hazes.
Onder de kerstboom in de vertrekhal eten we een broodje, we drinken iets en ik vertel Lief enthousiast over mijn pas aangeschafte juweeltje, en over Büch. Lief kent Büch niet, maar luistert, en deelt m'n plezier. Want zo is Lief, lief.
Nog vijf minuten voor het inchecken. We staan op om te gaan. Ik rek me uit, haal diep adem. De geuren uit het restaurant hebben zich met moeite tot aan ons tafeltje weten te verspreiden. Nee, ik ruik geen aardappelen, boerenkool en braadworst. Maar het zou me niet verbaasd hebben.

We vertrekken uiteindelijk met een kwartier vertraging. Als de wielen van onze Boeing zich van de startbaan van Charleroi losmaken ben ik al door de inleiding heen (deze schreef Büch speciaal voor de herdruk van zijn ''Eilanden'', 10 jaar na de eerste editie) en bevind me al op het gezonde en vruchtbare St. Helena. Zo omschreef een Nederlander in 1887 deze Britse kroonkolonie die eerst en vooral bekend is geworden als de laatste - gedwongen - verblijfplaats van Napoleon Bonaparte. Hij was niet de enige die als gevangene op het eiland geleefd heeft, wel de bekendste.
Eilanden als gevangenis, verbanningsoord, eilanden groot als speldepunten maar politiek en strategisch zo belangrijk om er oorlogen voor te voeren, eilanden vol geschiedkundige, geografische en literaire ''weetfeitjes'' zoals David Carmiggelt, lid van Büchs tv-ploeg, ze noemde. Eilanden met namen als Clipperton, Bouvet, Das, Niihau en Diu (dat laatste ligt in de Golf van Cambay).
''Eilanden'' lezend hoor je Boudewijn weer praten in zijn ''Wereld van Büch'', met dat eigenwijze stemmetje van hem, met een gedrevenheid die je het af en toe wat betweterige meteen doet vergeten.
''Eilanden'' lezend realiseer je je wat een brede kennis Büch had, en dat kwam allemaal uit zijn boeken. Bladerend, lezend, af en toe met wat hulp van de inhoud. Want vergeet niet dat hij dit schreef in 1981. Internet was nog ver weg en van zoekmachines zoals Google waarop je maar een trefwoord hoeft in te tikken had nog nooit iemand gehoord.





zaterdag 29 januari 2011

Blogfee (27 augustus 2008)

Iets voor middernacht. Ik lig net in m'n bed als er aangebeld wordt. Wie kan dat in hemelsnaam zijn op dit tijdstip? De honden slaan niet aan. Gek want normaal gesproken vergaat horen en zien je van het geblaf als er iemand aanbelt. Maar ze slapen gewoon door. Oronzo onder het bed, en Cicia in haar mand, een beetje snurkend. Ik begin te twijfelen. Zou ik het me verbeeld hebben? Ik luister nog even, pak mijn boek weer op, sla het terug open op bladzijde 89 en lees verder.
Ik ben nog maar twee regels gevorderd als de bel weer gaat. En weer blaffen de honden niet. Raar, maar ik besluit toch polshoogte te gaan nemen. Ik knip het buitenlicht aan en kijk vanuit het keukenraam naar beneden. Voor het hek staat een vrouwtje, klein, een beetje dik. De krulspelden in het haar gaan half verborgen onder een gele hoofddoek, en ze draagt een blauw gebloemde jasschort. Aan haar voeten een paar geruite pantoffels. Ik doe het raam open.



,,Wat is er?'' Ik realiseer me dat ik niet echt vriendelijk klink. Als er iets van mijn norsheid tot haar doorgedrongen is, dan laat ze het in ieder geval niet merken. ,,Ik kom voor het blog'', antwoord ze vriendelijk. Alhoewel, vriendelijk is het juiste woord niet. Vrolijk. En ze zet die vrolijkheid glans bij middels een lach die twee rijen parelwitte tanden tevoorschijn doet toveren. Ik ben op dat moment nog niet tot op dat punt gearriveerd.
,,Het blog'', hoor ik mezelf verward vragen. ,,Wat voor blog?'' Het wonderlijke wezen in het nog zwakke schijnsel van ons buitenlicht (we hebben een spaarlamp, en die heeft even nodig om op kracht te komen) blijft geduldig. ,,Hoezo wat voor blog. Jouw blog natuurlijk.''
Ik heb aanzienlijk minder geduld. Ik laat haar weten dat ze daarvoor dan morgen nog maar eens terug moet komen, maar wel wat vroeger. ,,Of anders stuurt U maar een mailtje.'' Ik sluit het venster, kijk nog een keer naar beneden maar ze is al weg. ,,Die is ook snel'', denk ik en draai me om om weer mijn bed en mijn boek op te zoeken.

Ik schrik me een ongeluk, want het vrouwtje blijkt nu plotseling aan de keukentafel te zitten, op de zomerstoel. Ze ziet me naar adem happen en probeert me gerust te stellen. ,,Maak je niet druk. Er gebeurt niks. Ik kom alleen maar voor het blog.'' In plaats van rustig wordt ik boos. Alhoewel, boos is het juiste woord niet. Pisnijdig. ,,Geen idee over wel blog je het hebt, en dat interesseert me ook niet! Maar je gaat nu als de sodemieter dit huis uit!''
Zij blijft echter rustig zitten, schudt het hoofd zachtjes van nee. De krulspelden deinen mee onder de hoofddoek. ,,Kalmpjes, kalmpjes'', zegt ze glimlachend. Haar ogen glinsteren, pretogend. ,,Je kan me de deur niet uitgooien, want ik ben er helemaal niet'', en wijst naar de honden die rustig liggen te slapen. ,,Zouden die zo rustig blijven als er hier een vreemde aan de keukentafel zou zitten? Ik denk het niet, hè?''

Ik denk het ook niet, en ga daarom ook maar zitten. Aan de andere kant van de tafel, op de herfststoel. Er valt een stilte. Ze kijkt me, nog steeds kalm glimlachend, aan. Mijn verwarde blik verplaatst zich een aantal keren tussen het keukentafelblad en het gezicht van de vreemde bezoekster. Ik merk dat mijn mond openstaat en maak van die gelegenheid gebruik om dan maar iets te zeggen en de stilte te doorbreken. En alles komt er in één keer uit. Wie ze is. En als ze er niet is waarom ik haar dan toch zie. En of haar kapper op vakantie is. En wat ze bedoelt met dat ze voor het blog, voor mijn blog komt. Ze laat gelaten het spervuur van vragen op zich afkomen, en pas als mijn woordenstroom droog komt te staan vraagt ze: ,,Is dat het?'' Ik denk nog even na en knik. ,,Ja, dat is alles.''
,,Oké'', antwoordt ze, maar ze gaat niet meteen verder. Ze kijkt naar het plafond, laat de ogen vervolgens naar de lamp glijden en vandaar naar de koelkast. Alsof ze nadenkt. Dan kijkt ze me aan, buigt zich iets voorover en fluistert, ,,ik ben de blogfee.'' Ik meen het goed verstaan te hebben, maar desondanks valt een ,,de wat?'' zwaar als een bowlingbal, bijna tastbaar, uit mijn mond en blijft precies midden tussen ons in naast de fruitschaal liggen. Zij wrijft even met haar hand over het tafelblad, en knikt. ,,Ja, je hebt het goed verstaan. En daar is niks meer aan toe te voegen.''
Ik laat het nieuws tot me doordringen, hetgeen me vanzelfsprekend niet volledig lukt. ,,En nu?''
,,En nu niks'', zegt ze. ,,Als je een kop thee voor me wilt zetten, dat is goed, maar voor de rest niks. Je gaat daarna gewoon naar bed en gaat slapen. Gewoon, net als anders, want ik ben er niet.''
Ik zet thee, geef haar een kom (ze neemt geen suiker en blieft ook geen koekje) en schenk voor mezelf ook in. Zwijgend drinken we. Het valt me op dat ze een beetje slurpt. Juist genoeg om het gezellig te houden. De keukenlamp weerspiegelt op het goudgele oppervlak. Ik kijk op en weg is ze. Opgelost in het niets lijkt het wel, compleet met krulspelden, gele hoofddoek, blauw gebloemde jasschort en geruite pantoffels.
,,Nou moe'', zeg ik hardop tegen mezelf. Ik blijf nog een minuut of vijf zitten, kijk in het rond maar er gebeurt niks. Het is dat er twee lege kommen op tafel staan, met onderin nog een bodempje thee, want anders zou ik toch echt aan mezelf gaan twijfelen. Na nog eens tien minuten begin ik het wat frisjes te krijgen, dus ik zet kommen op de aanrecht en ga naar bed. Van lezen komt niks meer, en nadat ik gecontroleerd heb of ik de wekker heb gezet knip ik het licht uit.

Ik slaap slecht die nacht, heb constant het gevoel in een sluimerstand te verkeren. Ik droom de gekste dromen die me overal en nergens brengen. Over het algemeen weet ik weinig van mijn dromen te herinneren, maar de laatste staat me nog vaag bij. Een blog met een vierstappenplan wat ik nog niet zolang geleden gelezen heb komt in een totaal andere vorm als een spookschip mijn ochtendnevelen binnendrijven. De vier stappen worden vier keuzes, of vier toestanden: bewust levend, toevallig levend, bewust dood, toevallig dood. En met dat laatste op mijn lippen loopt de wekker af.

Ik heb, wellicht begrijpelijk, geen zin om nog vijf minuutjes te soezelen zoals ik gewoon ben. Ik sta op, wankel richting keuken, en zet water op voor de thee. Ik voel me een wrak, heb hoofdpijn. Met de ogen nog half dicht begeef ik me op de automatische piloot naar de badkamer en zet de radio aan. RAI3, onze vaste zender, met nieuws en goede, dikwijls klassieke muziek. Terwijl ik met koud water iets meer van mijn bewustzijn tracht te activeren luister ik met een half oor (de rest functioneert nog niet) hoe iemand over Beethoven praat. Over de sonate nummer 15, heeft hij het, opus 28. Ik ben geen expert, dus mij zeggen de "rondo" en de "pastorale" weinig. Ik krijg alleen mee dat de goeie Ludwig ontzettend lang bezig is geweest om het stuk muziek perfect te krijgen. De presentator stopt zijn inleiding en dan hoor ik dit...



... en ik wordt wakker. Alhoewel, wakker is het juiste woord niet. Ik ontluik. Ik ontluik als een krokus in de vroege voorjaarszon. Mijn hoofdpijn verdwijnt. Ik voel mijn maag rammelen. Honger. Ontbijt.
Als ik klaar ben in de badkamer loop ik verrassend fris terug naar de keuken. Ik haal een placemate en een bordje uit de keukenkast, maar als ik die hun gebruikelijke plaats op de tafel wil geven zie ik dat er een briefje ligt. Pas nu herinner ik me de ontmoeting van gisteravond laat weer. Of zou dat ook gewoon een droom zijn geweest?
Ik pak het briefje op en lees...

Mooi hè, dit laatste deel - Rondo. Allegro ma non troppo - uit de sonate no. 15 in d major, opus 28 "Pastorale" van Beethoven.

Een zoen,
je weet wel van wie.

PS: Ik vind deze uitvoering van Sokolov heel mooi, maar die van Glenn Gould is volgens mij nog beter.


De prachtige foto in zwart-wit van Julienne is van Karel Lampaert
.

vrijdag 28 januari 2011

Slakkegangetje (14 juli 2008)

Mensen en slakken reageren op een wonderbaarlijk overeenkomstige manier op een zomerse plensbui: na de regen gaan ze naar buiten. Ze trekken erop uit om te genieten van de frisheid die het hemelwater heeft gebracht. Ze omzeilen daarbij de plassen waarin de neerslag zich tijdelijk heeft verzameld alsvorens terug te keren naar hogere of door te sijpelen naar lagere sferen. Van natte voeten houden ze immers niet, noch slak noch mens. De natuur zit vol wondertjes.
De week begint goed, want na het zoveelste weekeinde met regen is de maandagmorgenhemel onbedreigend genoeg om het erop te wagen. Op de fiets naar het werk, niet te gehaast, bijna een slakkegangetje. De lucht ruikt fris, de grond ruikt nat, mijn voeten hou ik droog.Ook de slakken trekken erop uit. Niet op de fiets, maar desalniettemin niet te gehaast, een slakkegangetje. Het is raar dat ze op het fietspad, parallel aan de autoweg waar de ochtendspits voorbij zoeft, in grote getale van links naar rechts en van rechts naar links oversteken. Ik moet op sommige punten slalommen om ze niet plat te rijden.Daar waar het fietspad ophoudt steek ik de A22 over en duik de natuur in. Tussen de fruitbomen door leg ik de laatste kilometers af. Het fruit hangt perfect rond te groeien in hun perfekte pelletjes. Een tractor met sproeitank rijdt voorbij. De boer beantwoordt mijn groet en steekt zijn hand op. Ik zie geen enkele slak meer. Raar.





Dag ...

... mevrouw ... 
... De ...
... Wind.
Ook ...
... U ...
... aan ...
... de ...
... wandel?
 
O, ... 
... dag ...
... meneer ...
... De ...
... Vaart.
Ik ...
... schrik ...
... me ...
... een ...
... hoedje ...
... want ...
... ik ...
... had ...
... U ...
... niet ...
... zien ...
... aankomen.

Het ...

... was ...
... me ...
... weer ...
... een ...
... lekker ...
... buitje, ...
... hè, ...
... mevrouw ...
... De ...
... Wind?

Zeg ...

... dat ...
... wel ...
... meneer ...
... De ...
... Vaart. Alles ...
... is ...
... weer ...
... fris ...
... en ...
... rein.  En ...
... waar ...
... sleept ...
... het ...
... spoor ...
... naartoe ...
... vandaag, ...
... mevrouw ...
... De ...
... Wind?
Ach, ...
... maandagmorgen, ...
... meneer ...
... De ...
... Vaart...
De ...
... supermarkt ...
... dus.

O ...

... ja? En ...
... wat ...
... tovert ...
... U ...
... vandaag ...
... weer ...
... voor ...
... lekkers ...
... op ...
... tafel, ...
... mevrouw ...
... De ...
... Wind?

Hmm, ...

... ik ...... denk ...
... dat ...
... ik ...
... voor ...
... een ...
... blaadje ...
... sla ...
... of ...
... twee ...
... kies, ...
... meneer ...
... De ...
... Vaart.

En ...

... met ...
... de ...
... kinderen, ...
... mevrouw ...
... De ...
... Wind, ...
... alles ...
... goed?

Ja ...

... hoor, ...
... meneer ...
... De ...
... Vaart.
De ...
... kleinste ...
... is ...
... volop ...
... aan ...
... het ...
... wisselen.
Hij ...
... is ...
... weer ...
... al ...
... aan ...
... zijn ...
... tweede ...
... huisje ...
... toe.

Ach ...

... mevrouw ...
... De ...
... Wind.
De ...
... tijd ...
... vliegt, ...
... hè?

Zeg ...

... dat ...
... wel ...
... meneer ...
... De ...
... Vaart.Ik ...
... moet ...
... me ...
... haasten ...
... nu ...
... om ...
... op ...
... tijd ...
... thuis ...
... te ...
... zijn, ...
... want ...
... over ...
... zes ...
... uur ...
... staan ...
... de ...
... koters ...
... weer ...
... al ...
... voor ...
... de ...
... deur.

Nou, ...

... dat ...
... wordt ...
... hollen, ...
... mevrouw ...
... De ...
... Wind.Een ...
... fijne ...
... dag ...
... dan ...
... maar ...
... verder.

Dank ...

... U, ...
... meneer ...
... De ...
... Vaart. ...
... Insgelijks.

donderdag 27 januari 2011

Poelepoelepoelepoel (13 juni 2008)

Het meisje van de bakkerij gaat, zoals elke avond, de eendjes eten geven. Op de fiets naar het park, met in het mandje aan haar stuur een paar broden die aan het eind van de dag overgebleven zijn. Ze heeft er een gewoonte van gemaakt. Even rust, na een dag van vriendelijk knikken, van "verder nog iets, mevrouw", van "een prettige dag verder, meneer". Even uitblazen, alvorens verder te fietsen naar huis, even langs het groenteboertje op de hoek, de pannen op het fornuis, op de achtergrond de geluiden van het tweede deel van het nieuws op televisie.
Voor de belangrijkste berichten arriveert ze steevast net te laat, maar dat weegt niet op tegen het kwartiertje park. Het park waar de wereld gedurende 15 minuten even stopt met draaien. Waar de dingen op dit uur van de dag altijd min of meer hetzelfde zijn. Een opa en een oma met hun kleindochtertje op weg naar de uitgang, moe (alle drie) van wip, schommel en klimrek in de uiterste hoek van het park. Twee ouwe mannetjes, altijd dezelfde, ook zij op weg naar de uitgang. Een draagt het schaakbord, de ander het doosje met de stukken. Een paartje op de bank onder de oude eik, te verliefd om nu al honger te hebben. Een paar trimmers, joggers, hardlopers, footers, of hoe ze dan ook genoemd worden (het meisje van de bakkerij is hier niet zo in thuis, ze loopt immers al heel de dag; werkneemster noemt men dat) met dopjes in de oren, een kabeltje naar de i-pod aan de arm, ver weg van het gefluit van vogels, gesnater van eenden. De eenden, die weten dat ze zal komen met een paar overgebleven broden aan het eind van de dag, en op haar wachten in de vijver van het park.

Vandaag lijkt alles echter net een beetje anders in het park. De stilte is vertrouwd, klinkt net als anders met het immer aanwezige geluid van auto's in de verte verdrongen op de achtergrond. Maar de vertrouwde gezichten ontbreken. Is ze dan zo laat? Ze kijkt op haar horloge, maar nee. Gek. Ze houdt stil op het grindpad voor het bankje onder de oude eik, kijkt om zich heen. Pas dan begint het te dagen. ,,Ach ja. Voetbal op tv. Natuurlijk.''
Ze voelt zich opgelucht en loppt verder richting vijver. Het hele park voor zichzelf. Wat een luxe. Ze haalt diep adem, luistert naar de stilte van het park. Totale rust, die zo helemaal alleen, zelfs dieper lijkt te zijn als normaal. Een zwoele, diep-oranje zomeravondzon drapeert zijn nog behaaglijk warme stralen over haar rug en haar schouders.
Als ze bij de vijver aankomt ziet ze tot haar verbazing dat "haar" eendjes haar niet op zitten te wachten. De veilige afstand van één meter vanaf de oever, normaal gesproken druk bezet als ze haar opwachting maakt, is nu een rimpeloze spiegel van water waarin de hoge bomen aan de andere kant van de vijver zich moeiteloos spiegelen. Het meisje van de bakker kan er niks aan doen, moet zelfs even lachen als de gedachte in haar opkomt. ,,Maar ook zij zullen toch niet...''
,,Nee'', zegt ze hardop tegen ze zichzelf. Waarop ze de papieren zak met de broden opent en op en neer schudt, om de eenden te lokken. ,,Poelepoelepoelepoel'', roept ze, niet te luid om de betovering van het park niet te verbreken. ,,Poelepoelepoel.''
Op dat moment voelt ze hoe de koelte van een schaduw over haar rug wrijft en de behaaglijke omhelzing van de zonnestralen van haar schouders wordt genomen. Een rilling bewandelt haar ruggegraat, langzaam van beneden naar boven om vervolgens in kippevel op haar armen achter te blijven. Haar hart lijkt stil te staan.
,,Roger'', denkt ze...




In het park van Piazza Dante in Trento, tegenover het station staat sinds 1 juni deze gans. Met zijn hoogte van 12 meter en 2 centimeter en zijn lengte van 7,60 centimeter is het de grootste gans ter wereld waarmee het vogeltje een plaatsje in de gouden kooi van het Guinness Book of Records krijgt.
Het gevaarte is gemaakt van 2000 lange bamboestokken en weegt alles bij elkaar zo'n 7000 kilo. Hij is in wat vrije weekeinden in elkaar gevlochten door de vrijwilligersgroep "Amici trentini del Bleggio", in het teken van de "Feste Vigiliane" die van 14 tot en met 26 juni in Trento plaatsvinden. Het symbool van deze feesten rond San Vigilio, de patroonheilige van Trento, is de gans. Hij speelt de hoofdrol in de Palio dell'oca, het hoogtepunt van het feestprogramma.