Posts tonen met het label kaartje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kaartje. Alle posts tonen

zondag 6 februari 2011

Een kaartje uit... Amsterdam (8 mei 2009)

Terug naar Westdorpe (1).
 



Terug naar Westdorpe. Een weekje lage landen.

Amsterdam stond aanvankelijk slechts als passage op ons programma, onderweg van Schiphol naar Westdorpe. Maar een vriendin vertelde dat we de tentoonstelling "Van Gogh en de kleuren van de nacht" niet over mochten slaan.
Het is zaterdagavond, rond de klok van zeven. In Italië viert men de bevrijding, en wij staan weer op het Stationsplein. Zoals precies een jaar geleden. Achter ons het centraal station, als een kloppend hart. Moegeshopte gezinnen, de handen vol tassen, verdwijnen door de openstaande deuren naar binnen. Toeristen en zaterdagavondstappers komen naar buiten, de voorpret en verwachting als een rode blos op de wangen. Voor ons de halte van de tram, en iets verderop aan het Damrak de put, die wat grootte en diepte weinig lijkt te hebben ingeboed ten opzichte van vorig jaar.
Welke lijn was het ook alweer, de 1 of de 11? Het blijkt uiteindelijk lijn 2 te zijn.

Het Leidseplein gonst. Een groep van vijf breakdancers (heten die nog zo?) maakt het publiek enthousiast. Achter de toeschouwers trappen wat jochies anoniem een balletje. Een ouwere passant houdt de bal even hoog als die zijn kant oprolt. De romantiek van het straatvoetbal, ook dat hoort bij Amsterdam.
We drinken een pilsje op een terras voordat we binnengaan bij Stoop & Stoop. Het is er goed, gezellig en dus altijd vol, maar na vijf minuten is er een tafeltje vrij. Naast ons twee ouders met hun zoon van een jaar of vijftien. De jongen doet me aan mijn zoon denken. Een beetje onwennig in het grote lichaam dat het nog gedeeltelijke kinderhart verbergt. Verlegen lijkt het, maar ik geloof niet dat dat het is. Als ze betaald hebben wordt hun plaats ingenomen door twee vriendinnen, die elkaar lang niet gezien hebben. Ze hebben veel te bespreken, oude liefdes, nieuwe liefdes, collega's, het werk. Ze hoeven niet te fluisteren met twee Italianen aan het tafeltjes naast zich.
Als we met een voldaan spinnende maag terug naar ons hotelletje lopen is het donker, maar de stad bruist en de terrasjes zitten vol. De breakdancers zijn vertrokken, en de voetballertjes zitten waarschijnlijk thuis te 'gamen'. Hun plaats is ingenomen door een cellist die nog moet beginnen, of misschien al klaar is met zijn optreden. Zijn instrument wacht gelaten op de dingen die komen gaan, de stok of de kist.


Al een paar keer is het ons gelukt een hotelletje bij het Vondelpark te vinden. Dat heeft iets speciaals, op de vroege ochtend door het park naar het centrum wandelen. De vogels begroeten fluitend het begin van de dag, trimmers demonstreren onverbloemd de vele stijlen van het zich in looppas voortbewegen, ieder apart uitnodigend tot wat fantasieën over hoe hij of zij buiten het trainingspak door het leven gaat. Ik neurie Acda en De Munnik.
Voor het Van Gogh Museum staat om iets over negen al een lange rij. Het miezert en we hebben weinig zin ons aan te sluiten. Er zijn vast en zeker andere musea met een kortere wachttijd.




We kiezen voor het FOAM. De vaste collectie heeft het veld moeten ruimen voor de tentoonstelling "Richard Avedon: Photographs 1946 - 2004", maar dat blijkt helemaal niet erg te zijn. Het is een schitterende collectie, waarin te zien is hoe het werk van de eigenzinnige Avedon zich in de jaren heeft ontwikkeld. Van vernieuwend modefotograaf tot zijn ontwapende portretten, waarin hij de ziel van zijn onderwerpen bloot weet te leggen.
Zien eten doet eten, zeggen ze wel eens. Dat is een beetje hetzelfde met fotograferen. Als ik na een weekje Lage Landen thuiskom blijk ik 541 fotootjes gemaakt te hebben. Ik ben min of meer een op-goed-geluk-fotograaf en ik weet, als hiervan één procent redelijk van kwaliteit is, dan is het meegenomen.

Verderop aan de Herengracht, op nummer 497, huist het KattenKabinet. Naast de kassa zit een kat, die zich gewillig laat aanhalen. Op de trap naar de eerste verdieping worden we voorbijgestoken door een tweede kat, op een bankje ligt een derde een uiltje te knappen en een vierde zit lodderig in de vensterbank naar buiten te kijken. Tot zover de levende hoofdrolspelers in dit bijzondere museum. De collectie is heel bijzonder met Picasso en Henri de Toulouse-Lautrec als meest in het oog springende namen. De kat in de kunst, in de reclame, in de literatuur. Een hele brede horizon.

De regen wijkt heel geleidelijk voor hier en daar een opklaring met zelfs af en toe een stukje blauw en een zonnestraal. Lanterfanteren in Amsterdam. De lekker dikke zaterdag-Volkskrant, sleutelhangers met klompjes voor vrienden en collega's, kaartjes, poffertjes aan de Stadhouderskade, een bundel van Martin Bril, foto's, klik, klik, klik.
























En dan Van Gogh. Kleuren van de invallende avond, kleuren van de nacht. De aardappeleters, de zaaiers,
de sterrennacht. Magie. Het eerste doek en het laatste lijken bijna niet door dezelfde persoon geschilderd. Ertussen ligt een geschiedenis, een ontwikkeling, die in de tentoonstelling prachtig in beeld wordt gebracht. Enkele fragmenten van Vincents brieven aan broer Theo geven weer hoe de schilder worstelde naar een, voor hem dikwijls minst onbevredigende eindresultaat. Ik zou hier vele uren rond kunnen lopen, maar er resten er slechts anderhalf tot aan sluitings- en etenstijd.

Van Gogh heeft weinig grote doeken geschilderd. Zijn meeste werken zouden wat oneerbiedig 'schilderijtjes' genoemd kunnen worden. Ook mijn pas aangeschafte aanwinst van Martin Bril zit vol schilderijtjes, maar dan anders. Op een terrasje blader ik "Het verdwenen kruispunt" door. Bril schrijft dorpstafereeltjes, polderlandschappen, Nederland, op een bijna tastbare manier. In Nuenen, waar Van Gogh gewoond heeft, neemt hij plaats bij het raam van Café De Zwaan.

,,In het park, tussen de lindebomen, staat een beeld van de getormenteerde schilder. Het lijkt niet, maar waarom zou het?
...
Sky Radio brengt intussen de nieuwste Madonna, twee mannen die op De aardappeleters niet zouden misstaan komen De Zwaan binnen en bestellen luidkeels 'een bokske'."


Voor ons geen 'bokske', maar een gewoon pilsje bij café Dante. De Italiaanse Lonely Planet heeft het over een galerie op de eerste verdieping met werk van Herman Brood. Ongelovig loop ik de trap op, en ja hoor, daar hangen ze. Felle kleuren, primitieve figuren alsof ze rechtstreeks uit een hallucinerende droom gestapt zijn. Was dit zijn wereld? Voor we verder gaan drinken we er nog eentje, op Herman.

Amsterdam lijkt op te houden als je de deur van het Indonesische restaurant Cilubang achter je dichttrekt. Ik ken niet veel restaurants in Amsterdam, maar van degene die ik ken is dit mijn favoriet. Het lijkt of je op bezoek bent bij een verre oom en tante, gastvrij en dichtbij. Een hand op je schouder, het omroeren van de gerechten op tafel om uit te leggen wat het precies is. Elke maaltijd lijkt speciaal voor jou bereid, met liefde, en dat proef je.
Muziek klinkt zacht op de achtergrond, maar is niet altijd afgestemd op de periode van het jaar. Nog vier dagen tot koninginnedag en halverwege de avond komt Bing Crosby op kousevoeten voorbij met 'White Christmas'. Ook dit hoort bij Cilubang.

Geen koffie na deze keer. Ook geen afzakkertje onderweg naar ons hotelletje. Morgen gaan we naar Utrecht en we willen vroeg vertrekken. Nu maar hopen dat het niet sneeuwt.

 

donderdag 3 februari 2011

Een kaartje uit... Brussel (19 december 2008)


Zoals Sjoukje al in juni al aangaf, in Brussel schijnt het dikwijls te regenen. Een dik wolkendek met een breed scala van alle kleuren grijs tikt haar neerslachtigheid met grote spatten op de voorruit van de bus die ons vanaf vliegveld Charlerois naar Gare de Midi vervoert. Brussel is tweetalig, maar op geen enkele plattegrond ontcijfer ik een naam in het Nederlands (of in het Vlaams, zoals je wilt) tussen de kleine lettertjes waarmee straten, pleinen en bezienswaardigheden worden aangeduid. Station Zuid heet dus Gare de Midi, en daar staat onze taxichauffeur ons op te wachten. Hotel Des Colonies, dat weet hij wel te vinden. Het adres is niet eens nodig. Luid mopperend op alles wat zich niet in zijn eigen taxi bevindt rijdt hij ons over rues en avenues. Belgen kunnen niet autorijden, de taxitarieven zijn te laag, en en passant krijgt ook zijn vrouw nog een aantal vegen uit de pan omdat die nergens mee naartoe wil. Naar Amsterdam zou hij willen, en Londen. Maar mevrouw De Echtgenote Van Een Veel Te Veel Pratende Taxichauffeur wil er niet van horen. Voor we het weten staan we in de Rue De Colonies, waar achter geen enkel voorpand een hotel met de naam Hotel Des Colonies schuil blijkt te gaan. Logisch, want dat staat in de Rue des Croisades. Als we daar uiteindelijk aankomen heeft onze "gids" de grenzen van het irritante al lang en breed overschreden, en hetzelfde geldt voor de taximeter in 's mans automobiel.

Ons hotel is een oase van rust na de spraakwaterval waarvan we getuige hebben moeten zijn. In de hal klatert een fonteintje, rustig. De ontvangst is vriendelijk. Des Colonies gaat weliswaar schuil achter een aantal torenhoge kantoorge-bouwen en het Sheraton Hotel, maar desondanks ademt het een bijzondere sfeer uit. Ik zou het niet koloniaal willen noemen, maar je proeft er iets van het reizen uit vervlogen tijden. De vensters op de gangen zijn "art nouveau", de hoge plafonds in de eetzaal en de bar verliezen elke eentonigheid dankzij de ornamenten en het jachtige Brussel stopt bij de dubbele deuren van de entreehal die wellicht toch iets koloniaals uitademt.
Bij de receptie legt een aardige dame ons uit hoe we bij de Grote Markt, de Grand Place, kunnen komen. In het Engels, want pas volgend jaar begint ze een cursus Nederlands. Onze jassen hoog dichtgesnoerd, trekken we erop uit.
Ook nu weer wordt ik getroffen door de relatieve kalmte die in menig Europese hoofdstad heerst, in vergelijking met Italië. Het enige nadeel is misschien de regen, die ons glimlachen doet watertanden. Geen idee of het aan mijn Engels ligt, maar in plaats van zuidwaarts richting Grote Markt volg ik een heel stuk de Boulevard Baudouin, naar het westen. De weg kwijt dus, maar dat geeft een vent nooit helemaal toe. Het lot is me gunstig gezind want als ik na een tijdje aangeef dat het tijd is om linksaf te gaan komen we bij de Vismarkt uit, waar een ijsbaantje en een hele reeks kraampjes er alles aan doen om iets van een kerstsfeer te kweken. Glühwein, pinten, wafels met slagroom en chocolade. Het ziet er heel aanlokkelijk uit, maar we weten ons in te houden. Totdat we in de Rue Sainte-Catherine langs de uitnodigende brasserie "'t Kapiteintje" komen. ,,Dit is België'', fluister ik Lief toe als we binnen zijn. Lange banken langs de muren waarop je schuilgaat achter diepe borden en grote glazen op de tafeltjes ervoor, een bar met minstens tien merken bier, en langs het plafond de kerstversiering, daar iets te lang, daar iets te kort, maar veelkleurig en heerlijk kitsch. Ik krijg een brok in mijn keel, die ik met een Leffe op perfecte temperatuur wegspoel. De ober zingt, deels in het Waals, deels in het Vlaams, en brengt me eenvoudig garnalenkroketten met brood. Het is jaren geleden dat ik die gegeten heb. Het echte watertanden is aangebroken.
Als we na deze pauze uiteindelijk op de Grote Markt aankomen knort mijn maag van tevredenheid, een geluid wat naar de achtergrond verdrongen wordt door de electronische vogelgeluiden die dit adembenemende plein vullen. Het is immers kerst, en daar horen om de een of andere reden electronische vogels bij die in tientallen allumium palen hun nestjes hebben gevonden. Als het donker wordt lichten de palen in allerlei kleuren op en komt er muziek uit. Arme vogels. Vlak bij dit futuristische gebeuren staat in het centrum van de Grand Place "De Kerstboom" van Brussel, traditioneel en zonder teveel poespas groen (de takken) en blauw (de lichtjes) te zijn. En daar weer achter een stal, met echt hooi en echte etalagepoppen. Het doet wat chaotisch aan, en het is allemaal iets teveel van het goede. En het heeft bovendien wat armoedigs. Maar wat je hier ook neerzet, het zal altijd wat armoedig blijven overkomen temidden van de schitterende panden die het plein als een kunstig bewerkte gouden lijst rondom een schilderij omkaderen.











 
Het is goed eten in België. Een tijdje geleden heb ik bij ons een boek voorbij zien komen met de bijzondere titel "Stoemp". Het is van de Belgische kok Albert Verdeyen en gaat dus over eten, en dan met name over de Brusselse stampot, ofwel de stoemp. Een leuk en interessant boek, waarin Verdeyen niet stil blijft staan bij de traditionele recepten. De stijl van eten is veranderd in de afgelopen honderd jaar, dus ook de stoemp heeft zich aangepast aan de hedendaagse smaken. Wat te denken van de Italiaanse "stoemp Fellini"! Het boek verliest desondanks dit zijn "roots" niet, en een aantal bekende Brusselaars doen dus hun favoriete stoemp uit de doeken.
Ik had me dus voorgenomen om, eenmaal in Brussel, ook eens de onvervalste stoemp te proberen. Als ik echter de ene keer de Ballekes à la Marolliene op de kaart zie staan, en de andere keer een stoverij in de Kriek Lambik, lukt het me niet om aan deze culinaire verleidingen te weerstaan. De stoemp blijft dus staan voor een volgende keer, en zo vind ik altijd wel een reden om ooit nog eens terug te kunnen gaan naar een plaats die me bevalt.
Op een avond eten we bij het sfeervolle Volle Gas op de Place Fernand Cocq, waar ook het typisch Belgische waterzooi op de kaart staat. Ik vertel mijn tafelgenotes - alle drie Italiaans - dat in de noordwestelijke hoek van Vlaanderen de waterzooi vroeger nogal eens bereid werd met bisamrat. Noodgedwongen, want er was geen geld voor wat anders, en bovendien schijnt het lekker te zijn. Ongeloof is mijn deel, en om de een of andere reden heeft niemand meer zin in een toetje. Als we buitenkomen regent het. ,,Waterzooi'', denk ik. Bus 71 brengt ons naar De Brouckere en vandaar is het niet ver naar meer naar het hotel.
Beslagen ruiten, de bedompte geur van natte kleren, een waterkoude wind die de paraplu doet overwaaien, laveren om de plassen op het trottoir... The Brussels Blues.


Ik ben de voorbije jaren een paar keer in Amsterdam geweest, maar dankzij de verbouwing van het Stedelijk Museum liep ik de werken van de Cobra-groep steeds mis. In Brussel val ik met mijn neus in de boter, want de Cobra-groep bestaat 60 jaar en ter gelegenheid daarvan is er in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten een speciale tentoonstelling ("Cobra") van Deense, Belgische en Nederlandse kunstenaars. Appel, Corneille, die natuurlijk in de eerste plaats, maar ook het werk van Carl-Henning Pedersen spreekt me aan. Kunst is dikwijls (of altijd?) reaktie, en ik geloof dat het diezelfde Pedersen was die zei: ,,Het wordt tijd dat we die lege vlakken van Mondriaan eens in gaan vullen.''

Ook de permanente collectie van het museum is meer dan de moeite waard. Men begint in de vijftiende eeuw, en daarna wordt je, verdieping na verdieping, eeuw na eeuw, steeds verder de museumkelders en de toekomst doorgeloodst. Het museum leeft, een kleuterklasje zit in de buurt van Fernand Khnopffs "De Kunst / De liefkozingen" op de grond met viltstiften tekeningen te maken, en in de rode zaal luisteren studenten bijna in dezelfde positie ademloos naar het gedreven betoog van hun professor. Achter hem rijzen engelen en gelovigen torenhoog op. We zijn onze kruistocht 's morgens om tien uur begonnen, en rond een uur of vijf blijken we nog één eeuw voor de boeg te hebben. We beginnen enigszins met de tong op onze schoenen rond te lopen, dus we besluiten ook die laatste honderd jaar, net als de stoemp, te laten staan voor de volgende keer.





















's Woensdags regent het niet in Brussel. We trekken er op goed geluk op uit.

Vlakbij ons hotel bevinden zich de botanische tuinen, maar in deze periode van het jaar is er weinig te bewonderen. Ook de serres zijn leeg. De Botanique is nu een cultureel centrum, waar concerten worden georganiseerd en de filmzaal is, op het moment dat wij in Brussel zijn, de zetel van de tiende editie van het Festival Cinéma Mediterranéen. Het complex werd in 1829 ingehuldigd en in de kelders werd ooit de eerste witlof gekweekt. Van die hoogtijdagen is echter weinig meer te merken.
De Rue Royale gaat richting Museumberg. Halverwege komen we langs de Colonne du Congrès, de Congreskolom. Architect Joseph Poelaert, onder wiens leiding dit herdenkingsteken tussen 1850 en 1859 langzaam maar zeker 25 meter de hoogte in werd geboetseerd, schijnt zich te hebben laten inspireren door de Trajanuskolom in Rome.
Een eindje verder zuidwaarts staat de indrukwekkende kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele. De glas-in-lood-ramen zijn als enorme stripboeken en vertellen hun verhalen terwijl de zon zowaar af en toe bijlicht. Bij de ingang hangen wat foto's van de groten der aarde die de kathedraal bezocht hebben, Paus Johannes Paulus II, koning Boudewijn en koningin Fabiola, prins Filip en prinses Mathilde, prins Laurent en prinses Claire. De laatste zes om te trouwen. Met enige tussenpozen, dat zal duidelijk zijn.

Brussel is behalve de stad van het stripverhaal ook en vooral de stad van de "art-nouveau". Er zijn zelfs speciale routes die je langs de hoogtepunten van beide oeuvres voeren. Een paar keer worden we tijdens ons rondje op aangename wijze geconfronteerd met deze specialiteiten van het huis. Vlakbij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten vind je een toonbeeld van de "art-niveau", namelijk het voormalige Old England. Het werd door Paul Saintenoy ontworpen en is sinds zijn bouw in 1899 lange tijd in gebruik geweest als warenhuis. Tegenwoordig is het MIM erin gevestigd, het muziekinstrumentenmuseum. Lief weet me om te praten om eens een uurtje binnen te gaan. Het wordt wat meer want het museum is heel bijzonder. Als bezoeker krijg je koptelefoon en middels een infrarood systeem hoor je bij elk instrument een aantal muziekstukken waarin het een rol speelt. En dan kom je er pas achter wat een rijke muzikale historie dat België wel niet blijkt te hebben. En brokjes uit een ver verleden komen weer boven drijven, muziek die ik ooit op een kermis in Vlaanderen heb gehoord toen ik nog klein was, de televisieserie "Wij, Heren van Zichem", het typische geluid van de mondtrommel. Maar men neemt je ook mee over de Belgische grenzen, Europa in en de wereld over. Je hoeft geen kenner te zijn, maar ook een beetje muziekliefhebber loopt in dit prachtige pand met volle teugen te genieten. Ik kan het van harte aanraden.
Als we buitenkomen schijnt zowaar de zon, en we hebben nog wat tijd over om wat te winkelen, zoals het shoppen vroeger heette. Lief weet vriendin Giusi te strikken, en ik trek er alleen op uit.

Als we donderdags in de trein zitten is m'n bagage twee cd's van Arno Hintjes rijker.

We gaan richting west, naar Brugge, en vandaar zullen we de bus naar Oostburg nemen. Het is de enige manier om met het openbaar vervoer vanuit België naar Zeeuws Vlaanderen te reizen.
We hebben een plaatsje gevonden naast een echtpaar, aan het accent te horen uit de buurt van Leuven of Aarschot. Hij leest Het Laatste Nieuws, vooral de sportpagina's. Zij zit verlegen om een praatje en vertelt dat ze voor controle naar het ziekenhuis in Gent moet. Om half twaalf. Dat komt goed uit, want dan kunnen ze daarna ook gelijk eten in het ziekenhuis. Soep, aardappelen met groente en een stukske vlees, en een toetje voor maar zeven euro. ,,Jao, daor kunt ge zelf toch nie veur koken é meneer.'' Als ze opstaan om op hun bestemming uit te stappen wens ik haar veel succes met de controle.

Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Liefs vakantiestemming gaat er niet onder gebukt. ,,Ach ja, het is in ieder geval geen sneeuw.''

Nog geen vijf minuten later dwarrelen de eerste sneeuwvlokken in het mistroostig langstrekkende polderlandschap naar beneden.





Het kaartje is een van de velen die in Brussel te koop zijn ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958.

Het boek "Stoemp" van Albert Verdeyen is uitgegeven door Lannoo (isbn: 9789020976366).

Op de videoclip zingt Arno Hintjes "Les yeux de ma mère".

Ik was van 1 tot 4 december in de Belgische hoofdstad.

woensdag 2 februari 2011

Een kaartje uit... Parijs (7 oktober 2008)

Het is best leuk om in het buitenland te wonen. Tenminste als je er, zoals ik, zelf voor hebt kunnen kiezen. Ook al blijven er altijd typisch Nederlandse dingen die je mist. De kans om een oude bekende tegen te komen op straat, pepernoten, Hollandse nieuwe, uitwaaien op het strand, om er maar een paar te noemen. En de bloggersborrel, ook die lopen wij, de "buitenlandse correspondenten" steevast mis.
Gelukkig is op die bloggersborrel een leuk alternatief op gang gekomen... Het bloggerskaartje.

Toen ik en aantal weken geleden de zomer had afgesloten op het Griekse eiland Samos, kwam ik thuis en vond de brievenbus gevuld met een redelijke hoeveelheid minder en meer gewenste communicaties. De gebruikelijke rekeningen, de loze beloftes van een rijke schakering aan politieke partijen die zo vlak voor de verkiezingen niet weten in welke bochten ze zich moeten wringen om je best vriend te mogen zijn, wat reclame, en - hé - twee kaartjes. M'n gemoed - tot op dat moment iets beneden peil dankzij het einde van de vakantie - maakte een huppelsprongetje. Want een kaartje sturen is leuk, afgezien van de nare nasmaak van de postzegel (dat ze daar nog nooit eens iets op gevonden hebben), maar een kaartje krijgen is misschien nog wel leuker.
Het eerste kaartje is een geboortekaartje. Vrolijk gekleurde vierkanten met daarop eenvoudig maar herkenbaar een schaap, een bloemetje, een giraf, een slabbetje. Mijn achterneefje Tom doet kond van de geboorte van zijn zusje Lone. Ik heb Tom, en ook Lone, nog nooit in het echt gezien. Maar er is zoiets als een familieband, die is sinds een tijdje weer aangehaald. Op Hyves hebben we onze familie-Hyve, en daar prijkt de jongste telg nu tussen de zwart-wit prentjes van haar overgrootouders.
Het tweede kaartje is een kaartje uit Parijs! Van Amélie! In haar blog "En dus de groeten uit Parijs" gaf ze aan graag nog eens op haar onafscheidbare fiets een ritje naar het centrum van de stad te maken om daar enige kaartjes voor geïnteresseerde VK-bloggers op de post te doen. Ik zou heel ridderlijk kunnen zeggen dat ik haar dat plezier niet wilde ontnemen, maar daarmee zou ik aan de waarheid voorbij gaan. Ik heb namelijk nog nooit een kaartje uit Parijs gekregen en ja, eigenlijk wilde ik die kans niet aan mijn neus voorbij laten gaan. En dus schreef ik aan Amelie: JAAAAAAAA!!! IK WIL EEN KAART UIT PARIJS!!! Achteraf realiseer ik me dat ik wellicht wat gretig heb gereageerd. Maar wat wil je? Ik zit hier in dat door god, jan en alleman verlaten Italië waar geen fluit te doen, te beleven en te zien is, en dan krijg je Parijs op een presenteerblaadje aangereikt. Blijf daar maar eens rustig onder...

Dit is het kaartje...




Het spreekt voor zich dat er ook een achterkant aan het kaartje vastzat, maar die houdt ik voor mezelf. Een alleraardigste groet. Een beetje diepzinnig, waarmee de afzendster zich een waar observeerster toont. Maar die kunst had ik al eerder op haar blog ontdekt.
Amélie voegt in een PS toe (een betere plaats had ze er niet voor uit kunnen kiezen) dat de paus ook daar de stad in de gaten laat houden. O ja, daar had ik iets over gezien in de krant. Gezien, niet gelezen. Nog een geluk dat de paus af en toe eens naar het buitenland gaat, want anders zouden we hier in Italië nooit iets over het buitenland in de kranten kunnen lezen. Want naar het niet Italiaanse nieuws in de pers moet je hier werkelijk met een lantaarntje zoeken.
Dus ik weet dat de paus in Parijs was geweest. En dat hij ook door Sarkozy (gescheiden) en zijn Carla (gescheiden) is ontvangen. Niet lang daarna kom ik het koppel opnieuw tegen op een foto, nu joggend in New York. Zij schijnt harder te lopen dan hem. Kijk, dat is dan weer iets wat ik weet over Parijs. Voor de rest moet ik toegeven dat mijn kennis van de Franse hoofdstad op een bedenkelijk laag niveau rust. Ik ben ook nog nooit "echt" in Parijs geweest. Wel eens voor het werk, in een vorig leven. Twee dagen, waarin ik een aantal fraaie originele Parijs kantoren geruime tijd aan de binnenkant in me heb mogen opslaan om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat ze een opvallende overeenkomst vertoonden met de kantoren in Oslo en Brussel.
Mijn verdere kennis over Parijs komt uit wat boeken, van internet (het blog van Amélie) en uit een film uit 2001 die - geloof het of niet - "Le fabuleux destin d'Amélie Poulain" heet. Totdat ik een maand of vijf geleden het VK-blog binnenstapte is deze film mijn voorstelling van de combinatie Parijs-Amélie geweest.


Voor wie de film niet gezien heeft, Amélie is een serveerster in het Café des Deus Moulins. Als ze niet werkt leeft ze teruggetrokken in haar eigen droomwereldje. Dat verandert als ze in op een verborgen plaats in haar appartement een kistje vind met daarin wat oude spulletjes. Ze gaat op zoek naar de eigenaar, en vanaf dat moment stort haar leventje zich van het ene bizarre avontuur in het andere. De regisseur van "Amélie Poulain" is Jean-Pierre Jeunet, die na zijn Amerikaanse "Alien" uit 1997 besloot terug naar huis te keren en daar in zijn wijk Montmartre een film op te nemen. Ook al kreeg de film wat kritiek als zou hij te Disney-achtig zijn, het werd een succes. Zelfs nu nog zijn er Amélie-fans die in hun vakantie naar Parijs gaan op zoek naar de locaties van de film.
En zo weet ik dus dat het Café des Deux Moulins echt bestaat, in de Rue Lepic, op nummer 15. En dat het Canal St. Martin, waar Amélie haar tijd graag doorbracht met stenen op het water te laten stuiteren, echt schilderachtig is. De Engelse impressionist Alfred Sisley (zijn ouders waren Engels, maar hij is geboren in Parijs) wist dat lang geleden al en schilderde het kanaal in 1870.


Op de plaats van de groente- en fruitkraam van Collignon, in de Rue des Trois Frères 56, vind je de Brasserie Le Carrousel. En een echte victoriaanse carrousel uit de film vind je op de Place St-Pierre, met de indrukwekkende koepel van de Sacre Coeur op de achtergrond.
Voor bijzonder Parijse souvenirs van locaties uit de film kun je terecht bij "Au Clown de la République" op de Boulevard St-Martin 11, waar je allerlei kostuums kunt kopen en kunt huren. Amélie slaagde er voor haar Zorro-outfit.




De muziek voor de film "Le fabuleux destin d'Amélie Poulain" is gemaakt door Yann Tiersen. De musicus-componist werd in 1970 in Brest geboren, maar hij woont tegenwoordig in... Parijs. Hij heeft met Carla Bruni (ja, zij weer) het nummer Le Parapluie van George Brassens opgenomen.




Goh, ik blijk best nog redelijk wat te weten over Parijs, hè? Maar toch, ik wil er ook nog wel eens in het echt naartoe. Wie weet komt het er nog eens van. En dan stuur ik zeker een kaartje.


Wil jij een bloggerskaartje uit Italië? Stuur gerust een berichtje. Ook ik stuur het echt. En maak je geen zorgen, ik kom het niet persoonlijk brengen.

PS: Bedankt voor je kaartje Amélie!

zaterdag 29 januari 2011

Een kaartje uit... Samos (24 september 2008)



Wie wat sfeermuziek voor een Griekse bijdrage zoekt, komt al snel bij Zorba the Greek uit, de klassieker van Mikis Theodorakis. Ik ben geen uitzondering op de regel. Maar ik ben graag aan André Rieu voorbij gegaan en heb gekozen voor deze bijzondere opname uit de jaren zestig. In zwart-wit, en met een hele jonge meester Theodorakis voor zijn orkest.



Een kaartje uit... Italië (17 augustus 2008)






Kaartjes uit Italië. Zelfs de groep Beirut zingt erover.





"Postcards from Italy" is het vierde nummer op de eerste cd van Beirut, Gulag Orkestar, die in 2006 verscheen. Ook al komt de groep uit New York, hun geluid is allesbehalve Amerikaans te noemen. Op Gulag Orkestar ligt overduidelijk de Oost-europese folk aan de basis van hun muziek.

Beirut zou dit jaar een zomertour door Europa hebben gemaakt, waarbij ze ook Torhout-Werchter aangedaan zouden hebben. Helaas is het hele feest niet doorgegaan.



Bron: Wikipedia en de site van Beirut.