Posts tonen met het label openbaar vervoer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label openbaar vervoer. Alle posts tonen

vrijdag 18 februari 2011

Eindhoven, zondagmorgen (14 april 2010)

Eindhoven. Ben ik er ooit al eens geweest? Ik dacht het wel, maar weet het niet meer zeker. Ergens in een achterkamertje van mijn geheugen heb ik een impressie hangen van de binnenkant van het Evoluon. De entreehal. In zwart-wit, dus het kan best een foto uit een tijdschrift zijn geweest dat ik als kleine jochie door heb zitten te bladeren.

Het feest was leuk, en het werd dus laat. Dit, in combinatie met het begin van de zomertijd, laat alles nog vroeger aanvoelen dan dat het al is. Een douche en een ouderwets Hollands ontbijt (krentenbrood met kaas en beschuit met hagelslag) doen me echter aangenaam, als een eend dobberend op de korte golfjes van een vijver, het ritme van de vroege zondagmorgen aannemen. Ohé en Laak. De zon schijnt laag door het raam. Op een boerderij in de buurt kraait een haan. Nog een kop thee. Ik heb honger, neem ook een zacht gekookt eitje.
Het station in Echt, wachten tot het rode licht gedoofd is, er kan nog een trein komen. Niemand wacht. Echt slaapt nog of wordt pas wakker. Overstappen in Roermond, spoor 3 wordt spoor 2. Overstappen in Weert, spoor 2 wordt weer spoor 3. Station Eindhoven. Net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.

En lijn 401 brengt ons van het station naar het vliegveld. Ook net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.
Eindhoven en Philips zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het korte busritje door de stad laat ook aan de toeristen, dikwijls op doorreis van of naar Amsterdam, weinig aan duidelijkheid over. Ook mijn jeugd en Philips waren met elkaar verstrengeld, als de draadjes van de oordopjes van een ipod of een walkman. Mijn vader werkte bij Philips, en dus droeg de gloeilampengigant, als je het goed bekijkt, financieel direkt bij aan mijn opvoeding en opleiding. Indirekt zou je misschien heel ver door kunnen doorborduren en zelfs tot de conclusie komen dat dit stukje dankzij Philips tot stand is gekomen.
Mijn vader werkte op de flitslampen-afdeling in Terneuzen. Flitslampen waren kleine glazen kogeltjes met een blauwe glans erin. Aan de onderkant staken er twee draadjes uit, die je in een zogenaamd flitsapparaat duwde. Dit apparaat zat op zijn beurt weer met een stekkertje verbonden aan het fototoestel, die het glazen kogeltje in de flitser fel deed oplichten op het moment dat je de ontspanner indrukte. Daarna gooide je de flitslamp weg. Aan de buitenkant leek het glas met brandblaren overdekt en je kon het geen tweede keer gebruiken. Hetzelfde gold overigens voor het filmrolletje: eenmaal vol bracht je het naar de fotograaf die er negatieven van maakte en daar vervolgens foto's van afdrukte. Je moest daarna een nieuw rolletje kopen, want het oude was niet herbruikbaar. De rolletjes waren er in drie formaten: 12, 24 of 36 foto's.
Het was de tijd dat wachten nog gewoon was, net als geduld. Een rolletje laten ontwikkelen en er foto's van laten afdrukken duurde op z'n minst een aantal dagen. Als je ze daarna ging halen rukte ze je meteen uit de enveloppe om ze te bekijken. Het resultaat viel dikwijls tegen, omdat bepaalde dingen zich niet laten vangen in een klik, of heel eenvoudig omdat een bepaalde sfeer niet houdbaar blijkt te zijn op papier. De foto's werden dan thuis nog een keer uit de enveloppe gehaald, maar belandden daarna al snel in een la waar ze vervolgens jarenlang stofferig lagen te worden.
Onze flitslampjes waren dus van Philips, maar ook de batterijen, de gloeilampen, de radio, de televisie, de pick-up, de bandrecorder, de koelkast, de wasmachine, de broodrooster en, toen mijn vader dicht tegen zijn pensioen aanzat, de eerste spaarlampen die zowat een kilo wogen. Een geldstroom in een vrijwel gesloten circuit. Het was dat we ook aten, anders was mijn vader's salaris een perpetuum mobile geweest. En het was dat Philips geen auto's maakte, want anders zouden we ongetwijfeld in een Philips rond gereden hebben. Maar we bleven in de buurt. Mijn ouders zwoeren namelijk bij de volautomaat, de Daf, het unieke produkt van de Van Doornes Autofabrieken die net als Philips hun hoofdvestiging in Eindhoven hadden.

Eindhoven trekt als een enorm doek langs de ingelijste panoramavensters van de bus. Eindhoven op zondagmorgen. Er is weinig volk op straat.
Oude fabriekshallen ademen op een verder bijna braakliggend terrein nog iets van de oude glorie uit. De zestiger jaren, gevangen in de industriële archtectuur van die tijd, en een eindje verder in een woonwijk. Vijf hoog, zes hoog, kleine ramen waarachter ooit de Philips-gezinnen hun aardappelen met jus aten aan het eind van de werkdag. De vensters geven nu de indruk dat er studenten achter wonen. We zijn in de buurt van het Philips-stadion.
Halte Philips-stadion. Lief schrijft na de Arena, de Kuip, de Galgenwaard en het RBC-stadion een vijfde Nederlands voetbal-mekka bij op haar lijstje. Met uitleg. Voor het stadion staan de standbeelden van de topschutters van de club: Coen Dillen en Willy van der Kuijlen.




De eerste was van voor mijn tijd, de tweede viel precies in de periode dat ik mijn voetbalplaatjes verzamelde. Ik heb hem wel honderd keer gezien, want hij was elk seizoen één van die vele dubbele die je in de zakjes van een kwartje vond. Gert Bals was er ook zo één.
We rijden verder en stoppen bij de halte Evoluon. Ondanks haar leeftijd is het nog steeds een supermodern bouwwerk. ,,Ik denk dat ik het wel eens bezocht heb, maar ben niet zeker'', zeg ik tegen Lief.


De huizen worden lager. Het zicht wordt wijder. In de richting van het vliegveld heeft het vlakke landschap plaatsgemaakt voor een al bijna even vlak landschap van één verdieping hoog. Moderne huizen, veel groen, veel ruimte.
In de bus hangt een monitor, waarop beurtelings de volgende halte, de chauffeur, de aankomsttijd op het vliegveld, de slechts bij enkele haltes open en dichtsklappende deuren, en wijzelf te zien zijn. Ik heb niet kunnen ontdekken van welk merk de monitor was.

Als we twee uur voor vertrek willen inchecken krijgen we te horen dat we nog minstens 45 minuten moeten wachten. Perfect om even de kiosk binnen te stappen.
Ik sta op het punt om De Volkskrant van de dag daarvoor te kopen, maar er de zondag-editie van La Repubblica is er al. Dus ik neem die. De dag erna lees ik op internet dat het de laatste 'grote' Volkskrant is geweest. Heel even heb ik iets van 'jammer'. Ik had een stukje historie in mijn bezit kunnen hebben.
Wat boeken betreft is er niet erg veel keus, wat het voor mij een stuk gemakkelijker maakt. Ik kies voor 'Vals licht' van Joost Zwagerman en 'Caesarion' van Tommy Wieringa. En ik besluit een mooie traditie voort te zetten en met een Bril uit Nederland terug te komen: Jongensjaren. Een verzameling verhalen over de jaren zestig en zeventig, staat er op de achterkant geschreven. Onbewust dwalen mijn gedachten af... naar Philips.


woensdag 16 februari 2011

Ontbijten met Tom Waits (22 november 2009)

Terug in Italië. Op Malpensa weigert een bus-chauffeur de 50 euro aan te nemen van een Chinees die naar het centrum van Milaan wil. ,,Ga maar in de aankomsthal een kaartje kopen'', bijt hij de toerist toe. In het Italiaans natuurlijk.
Terug in Italië. Het centraal station van Milaan is een één grote bouwkeet. De nieuwe opzet van de loketten functioneert al, en doet een beetje aan Amsterdam denken. Jammer dat slechts de helft van de 18 loketten bezet is. Pas na 25 minuten ben ik aan de beurt en de trein richting Verona is al vertrokken. Anderhalf uur wachten dus. Zonder bankjes op de perrons, want die hebben ze in Milaan weg gehaald zodat zwervers er geen gebruik meer van kunnen maken. Ook als je iets te eten wil wat niet voorverpakt is, moet je het station uit.
Terug in Italië. De afstand Milaan-Verona is niet echt groot. Desondanks blijken de slechts 170 kilometer voldoende om de stampvolle trein een vertraging van 25 minuten op te doen lopen. De aansluiting naar Trento mis ik. Nog eens veertig minuten wachten. Maar op het station van Verona staan in ieder geval bankjes.
Terug in Italië. Ik ben maar een week weg geweest, maar sommige dingen was ik vergeten.

Als ik thuiskom zijn de bladeren van de bomen plotseling allemaal geel. Ze vallen met bosjes. De temperatuur is nog even aangenaam, maar binnen een week ligt de eerste sneeuw op de bergen rondom Trento. Als ik 's morgens ga werken is het nog donker, als ik 's avonds thuiskom na het werk is het al donker. De keukenlamp schijnt in m'n thee. November.




Ik ben een zomermens, doe mijn best niet neerslachtig te worden. Het valt niet altijd mee. Een brok in m'n keel als de supporters, 45.000, in het voetbalstadion van Hannover afscheid nemen van Robert Enke. Enke, 22 jaar, was doelman van de plaatselijke club en van het Duitse elftal. Hij had geen hulp gezocht tegen een depressie die hem jaren achtervolgd schijnt te hebben en hem tenslotte op een spoorwegovergang dichtbij Hannover te pakken heeft gekregen.
Jammer dat Milan nooit belangstelling heeft getoond voor Enke, of Inter, Juventus. Of welke andere Italiaanse club dan ook. In Italië is het niet zo eenvoudig je voor een trein van het leven te beroven. Nooit zijn ze op tijd.



De keukenlamp schijnt in m'n thee. Daarnaast de doos met Kellogg's Coco Pops. In september, toen ik ook terug kwam van vakantie, en alles nog veel groener was, had ik het er al over. Op de doos prijkt Gigi Buffon, keeper van Juventus en van het Italiaanse elftal. Zelfverzekerd prikt zijn wijsvinger in de richting van de lezer, de ontbijter. Zelfverzekerd zijn Gigi's woorden: ,,Begin opnieuw vanaf het ontbijt en merk dat het je beter maakt.''
Gigi Buffon, doelman, net als Robert Enke. Gigi Buffon, ooit slachtoffer van een enorme depressie, net als Robert Enke. Gigi kan het navertellen. Robert niet. Zou het aan de treinen in Italië liggen? Aan de Coco Pops? Of gewoon aan Italië?


In Trento is, weer iets vroeger als de voorgaande jaren, de traditionele kerstmarkt begonnen. Gisteren, de eerste dag van "il mercatino di Natale", werden er al 20.000 bezoekers geteld. Ik was er niet bij. Ik heb het al gezien, drie jaar geleden, vier jaar geleden, vijf. Het is steeds hetzelfde. Het enige wat elk jaar verandert is de prijs. Maar er zijn mensen die elk jaar gaan. Ze vinden het leuk, en ik vind het leuk voor ze dat ze het leuk vinden. Niet omdat het bijna kerst is, maar gewoon omdat ik zo ben.
Eén van mijn collega's probeert me ook nu weer een keer mee te krijgen. ,,Dan gaan we enkel voor de Brulé'', oppert hij. Vin brulé is warme rode wijn, de Italiaanse versie van de glühwein, maar warme alkohol stijgt me onmiddellijk naar m'n kop. Ik weet niet waarom, maar de opmerking van mijn collega doet me aan Tom Waits denken. Misschien heeft het met de alkohol te maken.
Ik heb wat jaren geleden - ik woonde al een tijdje in Italië - een aanval van nierstenen gehad. Dat wens ik niemand toe. Maar na een paar maanden kuren, bombarderen met geluidsgolven enzo, was ik er weer vanaf. Denk ik. Wel moest ik nog een paar keer op crontole komen. Bij de laatste controle vertelde ik de specialist dat ik geen last had van witte wijn, maar dat na een paar glazen rode wijn mijn nieren een beetje gevoelig werden. Hij keek me aan, de wenkbrouwen fronzend, dacht na en gaf me een hele wijze raad: ,,Dan zou ik me alleen bij witte wijn houden.''

November. De keukenlamp schijnt in m'n thee. En Tom Waits zingt.



zondag 6 februari 2011

La signora Giulia (short bus stories - 2) (21 april 2009)

Er wordt gewerkt in Gardolo. Aan de ene kant van de weg wordt een voetpad aangelegd, en als gevolg daarvan wordt het voetpad aan de andere kant versmald. De weg moet namelijk breed blijven zodat men daar voort kan blijven jakkeren zonder acht te hoeven slaan op de maximale snelheid die daar geldt. Tussen de bergen zand en de graafmachines door is het duidelijk dat er voor de voetgangers een smalle strook bewegingsvrijheid overblijft waar je met enige moeite met z'n tweeën naast elkaar kan lopen. De auto heeft voorrang in Italië, op alle gebied.
Maar voor een tijdje is de weg nu dus smal. De bushalte is een meter of vijftig verplaatst en ter hoogte daarvan staat een stoplicht. De passagiers stappen in en de bus wacht. Het stoplicht staat op rood.

In de verte komt la signora Giulia aangedribbeld. Ik heb er altijd moeite mee om leeftijden in te schatten, maar ze moet al een eindje in de zeventig zijn. De grijze haren kort geknipt, want dat is gemakkelijk. Niet alleen dankzij haar neus heeft haar gezicht iets haviksachtig, want ook de ogen kijken vanachter de smoezelige brilleglazen ietwat roofvogelig de wereld in. Haar grijze jas rijkt tot net over de knieën en onder haar arm houdt ze stevig haar tasje geklemd. Want tegenwoordig moet je overal op je hoede zijn, met al die buitenlanders. Ze vergeet dikwijls dat ik er ook een ben.
La signora Giulia is dus hoog bejaard en ze eist het respect voor haar vergevorderde leeftijd altijd ietwat hinderlijk op. Zo moet zij bijvoorbeeld altijd absoluut als eerste de bus in. Die drang is zo sterk dat ze zich wel eens in de bus vergist en op lijn 17 terecht komt in plaats van op 'haar' lijn 7.
Maar nu heeft la signora Giulia dus de bus gemist. De deuren zijn dicht, het wachten is enkel nog op het groen. Dat arriveert als ze tot op tien meter genaderd is. De bus trekt op en la signora Giulia begint als een bezetene te zwaaien, want iemand van haar leeftijd behoort niet vijf minuten tot de volgende bus te hoeven wachten. De chauffeur twijfelt even, maar besluit toch te remmen. De deuren gaan open en la signora Giulia heeft het gehaald. Ze is niet al te vlug en het stoplicht neigt al naar oranje als de deuren zich achter haar sluiten. De chauffeur trekt langzaam op maar geeft daarna flink gas bij om halverwege niet met tegemoetkomend verkeer geconfronteerd te worden. La signora Julia is ondertussen druk in de weer met het afstempelen van haar abonnement (afstempelen is niet het juiste woord, want je moet het abonnement voor een kastje houden en zo wordt het electronisch gelezen). In plaats van zich met haar vrije hand vast te houden gaat haar arm protesterend de lucht in, waarna ze als een ballerina met een slok teveel op enige ongecontroleerde pirouetten begint te draaien. Het is geen gracieuze uitvoering, en ook het sluitstuk van haar ballet heeft iets van ‘de stervende zwaan', maar dan letterlijk. Een student, de rossige haren in de war, zit afwezig naar buiten te staren. Zijn ogen zakken af en toe dicht en hij heeft duidelijk moeite het ritme van de nieuwe dag op te vatten. Totdat de grijze zwaan Giulia haar vlucht fladderend beëindigd op zijn schoot.
Twee, in vooroorlogs gepantserde kousen verscholen benen steken de lucht in en vanachter verschillende onderrokken klinkt een gesmoord en wanhopig 'Ooooo Madonna' van la signora Giulia. Een medepassagier helpt haar met wat moeite terug op de been. La signora Giulia lacht, een beetje beschaamd, en roept la Madonna nog enige keren aan. Haar schaamte valt echter in het niet bij die van de student, die met een vuurrood hoofd de blikken van de moeizaam hun lach inhoudende medepassagiers op zich voelt prikken. Hij weet het nog niet, maar dit is een van die ervaringen die je je hele leven bijblijven. Een van die ervaringen die je met niemand wil delen en die je dus voor altijd stil met je meedraagt. Een geheim, verankerd in de schaamte die het loslaten in de weg staat. Hij staat op en laat zijn plaats aan de oude dame die hem zojuist op een zo onbarmhartige wijze uit zijn dromen heeft gewekt. Niet uit respect voor de ouderdom, maar meer om uit het schelle licht van de onwelkome schijnwerpers te ontsnappen. Als we een minuut later bij de volgende halte stappen staat hij weggedoken in een hoek, zijn neus bijna tegen de langzaam beslaande ruiten van de bus gedrukt.
Een handvol reizigers stapt in. Ze hebben geen idee van wat ze gemist hebben.

Ook het meisje met de Cleopatra-ogen stapt op en vind haar vaste plaats bezet door la signora Giulia. Ze kijkt rond, op zoek naar een andere vrije plaats. Even kruist haar blik de mijne. Ik kan me niet voorstellen hoeveel jonge farao's er al zijn verdronken in deze kijkers, maar het moeten er veel zijn. Bij gebrek aan een zitplaats neemt ze genoegen met een plekje aan het raam dat nog vrij. De bus trekt op. De lichamen van het meisje met de Cleopatra-ogen en de jongen met het rossige haar naast haar vinden elkaar in de synchrone bewegingen op het ritme van de putten en de bochten in de weg die als de openingen van een orgelboek in een draaiorgel onder de wielen voorbij schuiven.

De mevrouw naast me niest haar handen vol. De bus nemen is goed voor het milieu, maar het is niet direct de meest gezonde manier om je je naar het werk te begeven.
Achter me vertelt een jongetje plagerig aan zijn vriendje dat hij vanaf morgen lekker drie dagen op schoolreis naar Venetië is terwijl die andere gewoon naar school moet. Van je vrienden moet je het hebben.
Twee andere jongetjes spelen boter, kaas en eieren ('tris' noemen ze dat hier) op de inmiddels geheel beslagen ruiten van de bus.

Als we in Trento aankomen heb ik een liedje in m'n hoofd....




Verlossing (27 maart 2009)



Zondag, 1 februari 2009 (1 v.A.).

Het regionale nieuws heeft zoals altijd weinig te bieden. Ik luister slechts met een half oor toe hoe onder begeleiding van een monotoon gebabbel een vallende fietser, een in het bezit van drugs gearresteerde buitenlander, een jubilerende priester en het gelijkspel van het voetbalelftal van Mezzolombardo de revue passeren. Een nagekomen bericht doet mijn wenkbrouwen echter enige millimeters in opwaartse richting van positie veranderen. Het maakt melding van een felgroen verlicht bolvormig object dat in de reeds donkere hemel van de vroege winteravond is waargenomen boven het meer van Caldonazzo. Het verplaatste zich geluidloos met grote snelheid van oost naar west en was slechts een tiental seconden zichtbaar. Op het nabijgelegen vliegveld Gianni Caproni in Trento kan men geen verklaring geven voor het verschijnsel. Net zomin als bij Meteo Trentino, dat afsluit met het weer voor morgen. Men verwacht een heldere dageraad, maar de bewolking zal in de loop van de dag toenemen en men moet rekening houden met sneeuw in de avond en de nacht.

Nog geen uur later ben ik het regionale nieuws al vergeten.

Maandag, 2 februari 2009 (0).

De discussies bij de halte Melta "case ITEA" gaan, zoals gebruikelijk op maandagmorgen, over het voetbal. Ook al is het grootste gedeelte van de wachtenden op lijn 7 op weg naar school, dat instituut lijkt melkwegen verder weg dan de stadions waarin de jongste miljonairs van Italië de kost verdienen. De kleinste van de groep wordt door zijn vrienden "Mosca" genoemd, "Vlieg". En Vlieg heeft de pest in, want zijn Juve heeft wederom verloren. Met 2-3 van Cagliari dit keer, in eigen huis nog wel. De hilariteit van de Milanisten en Interisten is groot, het bushokje gevuld met gejoel en gelach. Niemand heeft in de gaten dat vanuit de richting van Gardolo een ezeltje onze kant opkomt.
Pas als het beestje tot op honderd meter genaderd is hoor ik hoe vier hoefjes op het asfalt van de Via Matteotti klikken, als de hoge hakken van twee dikke dames. Ik keer me om, en ook de hoofden van de andere passagiers draaien eensgezind de kant van het niet alledaagse geluid op. De plotseling invallende verbaasde stilte is bijna tastbaar, en wordt slechts onderbroken door het bijna vrolijke klik-klak-klik-klak dat stopt als het ezeltje en zijn gevolg halt houden ter hoogte van het bushokje. De ezel, een hoogzwangere vrouw in het zadel, een man die het leidsel vasthoudt. Wolkjes adem die in de ijle, koude ochtendlucht oplossen.
,,Mogen we hier even uitrusten?'', vraagt de man. Als antwoord wijkt de groep in stilte uiteen en het echtpaar neemt op het bankje van het bushokje plaats. ,,We zijn moe'', verontschuldigt de bezoeker zich. ,,We hebben de hele nacht gelopen, want alle herbergen waren vol.''
Waar heb ik dit meer gehoord?.
,,Ik ben Josef'', stelt de man zich voor. ,,En dit is Maria.'' Dat is teveel voor Vlieg: ,,Ja, en ik ben Napoleon.'' De groep begint te proesten, wat in de kiem gesmoord wordt als er een siddering door het lichaam van Maria schiet en ze begint te kermen. ,,Mijn god, de weeën'', jammert Josef. Het koude zweet breekt hem letterlijk uit.

Gelukkig staat ook Cinzia bij de bushalte. Ze werkt als schoonmaakster in het ziekenhuis, en haar brede kennissenkring aldaar komt op dit moment wonderwel goed uit. Ze duwt haar boodschappentas in mijn armen en stroopt haar mouwen op. Nog geen tien minuten later ligt er een dot van een baby in de armen van Maria.
,,O, wat mooi'', klinkt Josef beduusd. ,,En..., hoe noemen we hem?''
,,Ale'', oppert Vlieg, ,,zoals Alessandro... Del Piero.'' Vlieg kijkt om zich heen, verbaasd, want niemand protesteert. Allemaal kijken we omhoog naar het vreemde groene schijnsel dat het bushokje verlicht.

Vrijdag, 2 februari 2525 (516 n.A.).
Joyce Innaritù, de 129e president van de Verenigde Staten van America, staat voor de spiegel. Ze moet haar ‘verlossingstoespraak' voor de natie houden en is gespannen. Niet voor de toespraak, maar ze krijgt een van haar oorbellen niet in. Haar man George schiet haar te hulp, neemt het sierraad over en, "klik", het zit. Hij legt zijn hand op haar schouder en kust haar zacht op een wang. ,,Je bent prachtig'', fluitert hij in haar oor.

Vijftien minuten later zit ze live voor de camera. De opening krijgt dankzij een close-up van president Innaritù bewust een heel persoonlijk karakter. Pas na ongeveer een minuut zoemt de camera heel langzaam uit en krijgen de kijkers zicht op een van de vensters van de "oval room" waarachter de laatste sneeuw van deze winter nog een deel van de tuin van het Witte Huis bedekt. En voor het raam staat een buscus, versierd met rode, witte en blauwe ballen, zilveren slingers en twinkelende lichtjes. Het hoort bij verlossingsdag, en doet vaag denken aan kerstmis dat tot zo'n 400 jaar geleden op grote schaal gevierd werd.
De camera zoomt nog iets verder uit, en daar, onder de verlossingsboom komt het langzaam maar zeker in beeld... Het bushokje. En de beeldjes van een groep personen.
Als je heel goed naar de figuurtjes kijkt zie je me staan, met de boodschappentas van Cinzia in m'n handen. En daar staat Vlieg, op het moment dat hij Josef op de schouders tikt en om een sigaret vraagt.
En op het bankje Maria, met in haar armen... Ale, nog totaal onwetend van de wonderen waarmee hij de wereld zal verbazen.




zaterdag 5 februari 2011

Short bus stories (1) (4 februari 2009)

Tot de vaste opstappers om vier minuten over zeven bij de halte Centochiave Chiochetti behoort Vince. Vincenzo heet hij voluit, maar zijn vrienden noemen hem Vince. Zijn vaste opstapgenoten Paolo en Stefania zijn er vanmorgen niet, want de bus is precies op tijd en Paolo en Stefy hebben er over het algemeen wat moeite mee om op te staan. Dikwijls zie ik ze hollen om de bus te halen. Bij gebrek aan zijn gebruikelijke kompanen probeert Vince een gesprek aan te knopen met Stefano, net als hij op weg naar school in de stad. Stefano heeft overduidelijk weinig zin in een gesprek. Vanonder zijn wollen muts klinkt het "buh" als Vince hem vraagt of hij gisteren een programma op MTV heeft gezien. "Buh" is waarschijnlijk een van de meest gebezigde termen in het Italiaans, maar je zult er desondanks tevergeefs naar zoeken in het woordenboek. Het geeft desinteressa aan, een verkorte vorm van "ik weet het niet, en het kan me niet schelen ook". Vince laat zich niet zomaar uit het veld slaan en wil weten of Stefano dan misschien Blob heeft gezien. Een tweede, vanachter de opstaande kraag van een dikke winterjas gemompeld "buh" is zijn deel. Stefano zucht, haalt een i-pod uit zijn jaszak en propt de dopjes in zijn oren. Even zoeken naar het juiste nummer, een in een zwarte want gehulde vinger die op "play" drukt, en we kunnen allemaal meegenieten van een onherkenbaar "tsss-tsk-tsk-boem-boem, tsss-tsk-tsk-boem-boem" dat uit de minispeakertjes dreunt. Stefano is er even niet. Of liever, Vince en ook de andere passagiers zijn er even niet voor Stefano. Hij is er wel, en hij zet die aanwezigheid kracht als hij met het geluid uit de oordopjes mee begint te neuriën.
Vince was redelijk goed gemutst toen hij op de bus stapte, maar dat is voorbij. Hij kijkt geërgerd naar de muts, de winterjas, de wanten en de oordopjes van Stefano en haalt op zijn beurt een i-pod uit zijn jaszak. Slechts één oordopje stopt hij op de daarvoor bestemde plaats. Het andere blijft onbestemd over de kraag van zijn jack bungelen. Een snelle, geoefende blik op het display en ook hij heeft zijn favoriete nummer gevonden. Vinces aanwezigheid lijkt minder nadrukkelijk, want het volume zo laag dat ik me afvraag of hij zowiezo wel naar iets aan het luisteren is. Eén minuut later begint echter ook hij te neurieën. Het is duidelijk dat hij een andere keus heeft gemaakt als Stefano.

En zo vervolgen we onze weg naar Trento. Vince en Stefano neuriën ieder hun eigen lied, en de motor van de autobus neuriet het zijne.
"On the road again"




foto: www.openbaarvervoerinboskoop.nl

donderdag 3 februari 2011

Pet (31 december 2008)

Bloothoofds keerde ik gisteren huiswaarts. ‘s Morgens had ik mijn pet vergeten in de bus die me van Trento naar Aldeno had gebracht, en bij de gevonden voorwerpen van "Trentino Trasporti" stond mijn verlies ‘s avonds nog niet als gevonden gerapporteerd. Afgezien van het feit dat de vrieswind nu vrij spel had op een van de weelderigste delen van mijn lichaam, voelde het ook als een emotioneel verlies. Mijn pet was namelijk een speciale pet, een kadootje als herinnering aan een uitermate aangenaam verblijf van een week in Dublin. Aan de binnenkant van het, in Shandon vervaardigde hoofddeksel een label met een persoonlijke noot van T. O'Gorman, de ontwerper:
,,This tradition of Irish headwear making has been handed down for centuries and is incorporated in this product. The fabric has the colors and character of our countryside. Ruggedness to wear well. Softness for comfort. Joy and health to you who wear this.''
Een pet om van te houden, dat moge duidelijk zijn.

Met de wind in de haren stond ik dus ‘s avonds te wachten op m'n bus, lijn 7, die me doorgaans vanaf Trento naar Gardolo vervoerd. Veel mensen werken niet deze dagen, en de scholen zijn dicht, dus het was aanzienlijk minder druk dan normaal aan de halte "Gazzoletti Piazza Dante". Afgezien van lijn 7 passeren hier de 1, de 2, de 3, de 4, de 5, de 6, de 8, de 9, de 11, de 12, de 13 en de 17 en er was dus nog genoeg volk om twintig over zes. Ik heb enige ervaring met het openbaar vervoer in Trento en zocht derhalve een plaatsje links van de halte. Meestal arriveren namelijk de 8 en de 7 op het zelfde moment, maar de 8 is altijd eerst. De 7 kan daarom niet stoppen voor de bushalte, maar net iets ervoor. Mijn positie kon daarom met een gerust hart strategisch genoemd worden.
Naast me stond een meisje van een jaar of 16, 17, denk ik. Een knap meisje, wat over een aantal jaren ongetwijfeld uit zou groeien tot een hele mooie jonge vrouw. Glanzend zwart haar tot over de schouders, een gaaf en onschuldig gezicht, diepdonkere ogen, parelwitte tanden, slank. Deze informatie had net mijn ietwat onderkoelde hersencellen bereikt toen ze zich heel licht, onmerkbaar bijna, iets voorover boog en een dikke rochel vantussen haar rode lippen toverde en deze achteloos op de koude tegels voor haar voeten spuugde.
Een plat "splatsj" weerklonk in de ijle avondlucht.
Ik moest denken aan toen ik de leeftijd van het meisje had (of iets jonger misschien) en gedurende de laatste dagen van het jaar nog wel eens vuurwerk afstak. Soms gebeurde het wel eens dat je het lont van een rotje aanstak, dat dan sissend in sneltreinvaart richting donderslag ging. Je deed dan snel wat stappen achteruit om van een veilige afstand op de klap te wachten en die bleef dan om de een of andere onverklaarbare reden uit.
Het paste niet bij het meisje, deze achteloze donatie van haar speeksel aan moeder aarde. Of zat er misschien iets meer achter. Zat ze wellicht ieder weekeind de voetbalwedstrijden op de televisie en volgde ze het voorbeeld van haar idolen? Want zoals men weet spugen voetballers wat raak. Her en der verspreiden ze als ware lama's op het veld hun overtollige mondvocht alsof ze bezig zijn een territorium af te bakenen.
Of zou het een "portafortuna" zijn, een talisman, een geluksafdinger? Dat zou best kunnen, want die heb je in Italië in alle soorten en maten. Het schijnt dat men in de oudheid hier immers ook al gebruik van maakte en men zich regelmatig drie maal op de borst spuwde om elke vorm van hekserij of ongeluk voor te zijn. Geen idee of dat men voor, tijdens of na het wassen deed. Ik heb zelfs eens gelezen dat sommige coryfeeën in de auto- en motorsport zich heden ten dage nog door hun technici op de rug laten spugen voordat ze de baan opgaan.
Een rochel dus, die me met de nodige vraagtekens achterliet.

Vandaag is het 31 december en ik moet werken.
Toen ik vanmorgen op de bus stapte om naar Aldeno te gaan duurde het even voordat de chauffeur zich liet zien. Doorgaans nemen ze de tijd in het busstation om even tussendoor een bak koffie te gaan drinken en de krant te kopen. En ach, waarom niet. We hadden tenslotte nog een paar minuten. Toen de goede man uiteindelijk arriveerde kwam hij meteen naar me toe en overhandigde me mijn pet. ,,Is het deze die je vergeten bent gisteren?''
,,Sì! Grazie mille!''
Op het werk heb ik een heleboel voor te bereiden voor de eerste week van het nieuwe jaar, maar alles verloopt op rolletjes. Ik denk zelfs een paar uur eerder als normaal naar huis te kunnen. Daar is Lief dan al bezig met de voorbereidingen voor vanavond. Zoals ieder jaar vieren we oudejaarsavond met een groep vrienden, de ene keer bij hun, en nu dus bij ons. Het is altijd eenvoudig, maar reuze gezellig (een woord waar overigens geen vertaling voor bestaat in het Italiaans). Lekker eten met een goed glas wijn, en daarna spelletjes tot ver na middernacht. En om 12 uur natuurlijk de beste wensen. ,,Auguri, buon anno.'' Ik heb me voorgenomen om deze keer, op de drempel van 2009, naar buiten te gaan en een flinke rochel op de stoep te deponeren. Wie weet brengt het geluk.

Ik wens jullie allemaal het allerbeste voor het nieuwe jaar.

De vogel die de schroeven van de wereld aandraaide (26 november 2008)



Puri
schrijft in haar blog op Hyves over God, over fluisteren en luisteren.

Wie de stem van God wil horen, moet stil kunnen zijn', vertelde een vriend mij.
"Waarom?", vroeg ik hem.
Hij keek me verbaasd aan en alsof dat logisch was zei hij: "Omdat God fluistert."
Mooi zei ik: "Luisteren vult mijn leven"
In mijn reaktie vertel ik haar onder andere dat ik op het ogenblik een boek aan het lezen ben van Murakami, "De opwindvogelkronieken".
Een passage die een ezelsoor oplevert is de dialoog tussen de protagonist Okada Toru en Kanō Creta, een mysterieuze jonge vrouw (het zusje van de al even geheimzinnige Kanō Malta). Hij heeft zojuist haar aanbod afgeslagen om samen met haar naar het Griekse eiland Creta af te reizen, waar ze haar ware identiteit hoopt terug te vinden.

,,Mag ik je wat zeggen'', zegt ze op een extreem kalme manier. ,,Ook jij weet dat dit een gewelddadige wereld is, die ruikt naar bloed. Wie niet buitengewoon sterk is overleeft niet. Tegelijkertijd is het ontzettend belangrijk stil te zijn, met de oren gespitst om het geringste geluid te kunnen horen. Goed nieuws wordt over het algemeen zacht verteld. Denk daaraan, alsjeblieft.''
Ik knikte.
Puri stuurt me een filmpje van You Tube. Het is een fragment van Matthijs van Nieuwkerks "De wereld draait door" uit februari 2007. Tim Krabbé vertelt over Haruki Murakami. Gedreven, gepassioneerd, hartstochtelijk. Een schrijver die zich niet te groot voelt om de loftrompet te steken over een andere schrijver.
Ik ben nog niet zo lang Hyver, maar voor de zoveelste keer verwonder ik me over het labyrint van straatjes die het medium aan me openbaart. Voor mij dikwijls onbekende streegjes waarin nu eens de ene, dan weer eens de andere Hyve-vriend wel bekend is en graag voor gids speelt. Zoals ik graag doe met de voor mij bekende adresjes. Virtuele vriendschappen (noem je ze zo?), ook op het VK-blog, die mijn reële horizon verbreden.

 
Het is een koud weekeind geweest. Vrijdagmiddag blies een Hollands aandoende gure wind de hemel azuurblauw, met in haar kielzog een polair aandoende kou die zodoende in de nacht vrij spel kreeg. Men had aanvankelijk sneeuw voorspelt maar zowel op zaterdag als op zondag laat zich geen wolkje zien. Trento beleeft haar eerste weekeind met de kerstmarkt. De stad is vol met in dikke sjaals gedraaide wandelaars die van het mooie weer profoteren en een rondje langs de, mij persoonlijk altijd ietwat triest, kunstmatig en consumptiegeil aandoende kraampjes op Piazza Fiera te maken. De eerste files op de A22 voor een dagje Mercato di Natale in Trento zijn een feit. Ik weet dat er tot aan de kerst nog velen zullen volgen.
Als om zes uur maandagmorgen de wekker afloopt weet ik onmiddellijk dat het gesneeuwd heeft. Het buitendonker dat vanuit de keuken de slaapkamerdeur bereikt heeft een andere kleur. Het is minder intens, lichter, heeft een gele ondertoon. Ik luister aandachtig, slalommend tussen de regelmatige ademhalingen van Lief en de honden. De normale buitengeluiden zijn verstomd, of hoogstens gedempt hoorbaar. Als vanonder het dikke donzen bekbed waarvan ik de warmte tussen nu en een paar minuten moet ruilen voor de kou die tijdens de nacht bezit heeft genomen van ons huis en straks het kippevel op mijn armen en benen zal doen verschijnen.
Mijn wereld draait op dit tijdstip nog heel langzaam De repeteer-functie van mijn wekker telt de minuten veel sneller dan ik ze tel. Een druk op de knop, diep ademhalen en m'n blote voeten maken contact met het koude parket. Hmpff.
In de keuken knip ik het buitenlicht aan en loop nog ietwat slaapdronken naar het venster. Daar waar een aantal maanden geleden de blogfee haar opwachting maakte rust nu een egaal wit tapijt. Nog niemand heeft zijn sporen achtergelaten op die, onder de sterren van het laatse nachtlicht glinsterende stille witte wereld.

Een uur later sta ik bij de bushalte. De normale groep schoolgangers heeft zoals altijd de beste plek onder de overkapping ingenomen. De overige wachtende passagiers zoeken kleumend onder een verscheidenheid aan paraplu's bescherming tegen de inmiddels weer gestaag neerwaarts dwarrelende sneeuwvlokken. Nog eens een uur later sta ik nog steeds bij de bushalte. In die tijdspanne hadden normaal gesproken elf bussen moeten passeren, maar het is overduidelijk dat de provinciale openbare vervoersonderneming Trentino Trasporti zich heeft laten verrassen door de ongebruikelijke, maar desondanks toch aangekondigde vroege entree van Koning Winter. Slechts twee bussen komen voorbij. Maar die zijn zo overvol dat de chauffeurs niet eens de moeite nemen om bij onze halte te stoppen. Ik wacht nog een kwartiertje, maar dan houd ik het voor gezien en ga terug naar huis.
De honden zijn blij verrast me nu al terug te zien, maar na een korte uiting van deze blijdschap stoppen ze al snel hun rondjes om mijn verkleumde benen en zoeken ze hun mand weer op. Ze zijn niet in het bezit van een bordje "niet storen", hebben dat ook niet nodig. De manier waarop ze zich behaaglijk opkrullen en met een diepe zucht de ogen sluiten zegt genoeg.

Ik bel naar m'n werk dat het wat later wordt vandaag, waarna ook ik me opkrul op de bank. De voeten warm onder m'n achterwerk pak ik m'n boek en laat me voor een uurtje door Haruki Murakami meevoeren naar een wereld, warvan de schroeven door een vogel worden aangedraaid. Zo luidt de titel van het boek in het Italiaans, "L'uccello che girava le viti del mondo", de vogel die de schroeven van de wereld aandraaide. En buiten heerst nog steeds een bijna vredig aandoende stilte.













Aan het eind van het liedje heb ik me toch nog redelijk nuttig weten te maken voor m'n baas. De maandag gaat snel voorbij en voor ik er erg in heb is het alweer tijd om naar huis te gaan. De bus arriveert precies zeven minuten later dan dat er op het dienstrooster aangegeven staat. Maar dat is normaal en wordt door ons, wachtend bij de bushalte niet meer als een vertraging gezien.
Terug thuis het rondje met de honden. Halverwege de ochtend is het opgehouden met sneeuwen, maar de vrieskou is gebleven. De vriendelijk zachtdonzen stem van de verse sneeuw van vanmorgen is veranderd en kraakt als een bejaarde op het onregelmatige ritme van mijn onzekere tred. Het vredige is verworden tot een dun laagje schijn, waaronder het gevaarlijk glad is op sommige plaatsen. Maar ik blijf op de been, en mijmerend volg ik Cicia en Oronzo die her en der hun profile pimpen en een blog plaatsen op de nog zo goed als onbeschreven website van de winter van 2008. Mijn adem schildert wolkjes in de koude avondlucht.
  Thuis is het aangenaam warm. De kuil in de kussens op de bank is dezelfde als vanmorgen, uitnodigend. Het boek is hetzelfde als vanmorgen, en net als vanmorgen verlies ik mezelf, verdwaal, verdwijn, in de eindeloze doolhof die Kuramaki in zijn "Opwindvogelkronieken" creëert.
Tim Krabbé vertelde aan Matthijs van Nieuwkerk dat de Japanse "meester" geen vooraf uitgestippelde route volgt, maar gewoon schrijft wat er op het moment in hem opkomt. Het lijkt me stug, maar ik kan me toch ook niet van de indruk onttrekken dat er iets van waar is. Hij gebruikt bepaalde personen om een bepaald verwachtingspatroon op te bouwen, ze krijgen zelfs gedurende enige honderden bladzijden een hoofdrol maar verdwijnen daarna bijna volledig uit het verhaal. Voor de sensuele zussen Kanō is zo'n rol weggelegd, en zo ook voor een muzikant die bijna uit het niets verschijnt en weer net zo gemakkelijk in datzelfde niets verdwijnt. Ze dragen echter allemaal op de een of andere manier een steentje bij aan de oplossing van de zoektocht Okada Toru naar zijn vrouw Kumiko. Zij verdwijnt van het ene moment op het andere uit het leven van Toru. Net zoals hun kat, met wiens verdwijning de schrijver aan het begin van deze 832 bladzijden tellende roman het pad voor zijn lezers effent. De kat luistert naar de bijzondere naam Wataya Noboru, genoemd naar de broer van Kumiko die, zonder dat Toru het wil, een ontzettend grote invloed op het leven van het echtpaar heeft. De sleutel van Okada Toru's zoektocht blijkt te liggen op de bodem van een oude, inmiddels drooggevallen waterput in de achtertuin van een huis waarvan de bewoners elke keer op de meest vreemde manier om het leven zijn gekomen. Een sleutel die leidt naar de geheimzinnige, immer duistere suite 208 van een immens hotel. Toru vindt er in de stilte en het donker min of meer een antwoord op al zijn vragen.
Wie van de films van David Lynch houdt, zal ook "De opwindvogelkronieken" kunnen waarderen. Het is op sommige momenten of je in een van de films van de exentrieke regisseur terecht bent gekomen. De films van Lynch zijn moeilijk te omschrijven. Het is vooral de sfeer die opgewekt wordt die je gemakkelijk twee uur of meer aan je stoel gekluisterd houdt, zonder dat er echt iets gebeurt. En zo is het ook met dit boek van Murakami. Niets is logisch. Verleden, droom, werkelijkheid, heden, het loopt op een waanzinnige manier door elkaar. En terwijl de grenzen vervagen wordt het steeds moeilijker om je uit het boek los te rukken.
Hoe moet je het noemen? Magie, denk ik, betovering.

Als ik pas een boek uit heb valt het me moeilijk om onmiddellijk in een ander te beginnen. Het moet even bezakken. Dus als ik naar bed ga draaien de vogels van Murakami de schroeven van mijn wereld nog geruime tijd aan. In het donker geniet ik na van de geniale invallen die hij heeft, en de pareltjes van herkenning die ik desondanks een immens cultuurverschil heb kunnen voelen. Iedereen die als kind zonder broertjes of zusjes opgroeid is heeft schijnbaar toch iets gemeen. Japanner of Nederlander, het maakt niets uit. En de waanzin van de oorlog wordt overal ter wereld op eenzelfde manier gevoeld. Murakami schildert een tragische scène in een Chinese dierentuin op het eind van de tweede wereldoorlog, die alle "horror" op een  bloedstollende manier samenvat.
Als om zes uur de wekker afloopt, merk ik dat het donker anders is dan gisteren. In de verte hoor ik hoe het geluid van een goederentrein weerkaatst wordt door de bergen. De kerkklok in het dorp slaat de laatste van zes slagen. Een hond blaft. Ik hoef niet op te staan om te weten dat het vannacht niet gesneeuwd heeft, en blijf nog een paar minuten liggen. Mijn wereld draait nog heel langzaam op dit tijdstip.

Hieronder het interview van Matthijs van Nieuwkerk met Tim Krabbé.




Foto Haruki Murakami: Sutton-Hibbert/Rex Features.

donderdag 27 januari 2011

7 minuten (6 juni 2008)

Ik heb het niet zo op busreisjes. Met mijn 1 meter 88 heb ik altijd een teveel aan centimeters ten opzichte van het aantal dat een enigszins geriefelijke zithouding garandeert. Ik beperk dit soort van uitstapjes dan ook zoveel mogelijk tot het streekvervoer. De doorgaans korte tijdspanne die met deze puur noodzakelijke bezigheid overbrugd wordt is echter vaak al lang genoeg om me de term "streek" in "streekvervoer" een ietwat dubieus klank in de oren te geven. Mogen we ons werkelijk beperken tot de betekenis van "gebied"? Of moeten we ons achter het oor krabbelend afvragen wat voor streek ze ons nu weer leveren als tegenprestatie voor het duurbetaalde buskaartje? Bus te laat, bus te vroeg (wat erger is dan eerste), raampjes gaan niet open of gaan niet dicht, luidruchtige medepassagiers, een gebezigde rijstijl die het drie uur daarvoor genuttigde toetje een gratis retourtje richting keelgat aanbiedt. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
En toch zweer ik bij het openbaar vervoer. Maar het moge duidelijk zijn dat daaraan andere redenen ten grondslag liggen.

Als de atmosferische toestanden het toelaten pak ik de fiets om de 18 kilometer naar en van het werk te overbruggen. Als dat niet het geval is, of in geval van niet onmiddellijk overbrugbare technische mankementen aan mijn rijwiel neem ik de bus. Eerst lijn 7 tot in Trento en daarna lijn 302 naar Aldeno. 's Avonds neem ik om wellicht begrijpbare redenen eerst de 302, die om 17:51 zou moeten vertrekken vanaf de Viale Europa. Ik zeg opzettelijk "zou moeten vertrekken", want dat gebeurt nooit. In de praktijk komt erop neer dat we om 17:58 vertrekken. Precies. Elke avond. Dus elke avond vertrekt de bus precies 7 minuten te laat, en sta ik dus minstens 7 minuten te wachten. Want je kunt geen risico's nemen en zelf te laat komen. Toch?
Met dat "toch" vul ik noodgedwongen de 7 minuten wachttijd. 7 minuten, er voor het gemak even vanuit gaande dat ik precies op tijd bij de bushalte arriveer. Gek dat 7 minuten zo verschillend van lengte kunnen zijn. Soms vliegen ze voorbij. Vooral als er andere reizigers staan waarmee je een praatje kunt maken. Dikwijls gaat dat over het weer, want daarin is de Italiaan niet anders dan de Nederlander of elke andere wereldburger. Het weer heeft een echt sociale betekenis van 360 graden. Een opstapje naar een uitgebreide discussie of slechts naar een beleefde uitwisseling van enige klanken. Je kan er letterlijk alle kanten mee op. De 7 minuten zijn inmiddels dermate legendarisch dat ook zij dikwijls onderwerp van gesprek zijn. Ze hebben bijna dezelfde functie als het weer aangezien het een vast gegeven is. Het weer is er, hoort bij het leven. De 7 minuten zijn er, horen bij ons leven. Weddenschappen worden er al lang niet meer op afgesloten.
Andere keren duren de 7 minuten een eeuwigheid. Als het weer slecht is, of als er geen andere medereizigers zijn waarmee je een praatje kunt maken. Dan worden de 7 minuten een uitgebreid moment van overpeinzing. Over 7 minuten bijvoorbeeld. Als een bus altijd precies 7 minuten te laat is, kun je dan nog zeggen dat hij niet stipt is? Of kun je überhaupt nog zeggen dat hij te laat is? Zulke dingen...
Vandaag worden de grenzen van mijn gedachtenveld verlengd door de bijdragen van een aantal mede VK-bloggers die ik gelezen heb. Mijn pad kronkelt tussen akkers van vers geploegde indrukken, bijna tot aan de horizon. Ik sta nu stil bij "The Artist Way and I", met zorg ingezaaid door Maria-Dolores. Het intrigeert me. Het zomaar schrijven wat in je opkomt heeft een groep aanhangers, volgens wie het de beste methode is. Het brengt je dus werkelijk ergens. Een interessante invalshoek denk ik en denk mijn pen op het papier, mijn vingers boven het toetsenbord. Ik denk de letters die verschijnen, de woorden. Zonder indicatie. Zonder richting. Zonder tijd. Ik denk 7 minuten in mijn gedachten geschreven. Ik denk een akker, een horizon. Ik denk de vage contouren van een bus. Ik denk zonder richting en schrijf in gedachten zonder tijd wat zomaar in me opkomt. De benedenwindse eilanden. Vangen hoge bomen daar ook veel wind? Komt in me op. En de contouren van een bus die scherper worden. Scherp als een mes, komt in me op. Snijden, bezuinigen, minder blauw op straat. De bus rijdt voorbij, zonder gas te minderen. Blauw. Het zien duurt een seconde, de gedachte blijft voor altijd. Een scene. Tijdloos. Een wilde stroom in wiens beukende spetterende versnellingen zalmen opspringen. Hoog. Omhoog. Stroomopwaarts. Met een doel. Daar waar het water rustiger is worden eitjes afgezet. Kroost. Toekomst. Ideeën.

Een beekje kabbelt rustig, vindt zijn weg tussen vers geploegde akkers. Vlak onder de oppervlakte zwemmen kleine visjes. In de waterspiegel de reflectie van een klok waarvan de wijzers net naar één minuut voor zes springen. De regels op het papier in mijn gedachten vervagen, zoals de contouren van een autobus in de verte. Blauw. De 302 op weg naar Trento.
En ik sta nog steeds bij de bushalte in Viale Europa. De seizoenen vervagen. Bladeren dwarrelen neer. Ik ga nog steeds op blind, op wat zomaar in me opkomt, maar nu slechts druppelsgewijs. Geen idee of het me werkelijk ergens brengt. Ik heb de bus gemist. Stop mijn handen misnoegd in mijn zakken. In de rechter rinkelen de huissleutels zonder doel. In de linker knispert een vel papier. Ik haal het uit mijn zak en vouw het open.
,,Ik heb niet zo op busreisjes'', lees ik. Het is een regel die ik vanmiddag heb opgeschreven. Misschien iets voor een blog. Ik denk erover na. Heb nu een zee van tijd. En aan het eind is de kust, het zand, waarop mijn golven stranden. Ik verfrommel het vel papier tot een prop en gooi het in de prullebak.