vrijdag 18 februari 2011

Oranje naar de finale, met dank aan Renato Borghetti? (7 juli 2010)

Italianen zijn erg gelovig. En nog meer dan gelovig zijn ze bijgelovig. Bijna alles heeft wel een betekenis. Positief (een duif die in vogelvlucht juist jou weet te treffen met zijn uitwerpselen) of negatief. Gelukkig is er voor de meeste negatieve voorbodes een tegenmiddel om het lot te keren. Bijna dagelijks wordt ik geconfronteerd met een huisgenote die wat korrels zout over haar schouder naar achteren werpt als ze per ongeluk wat zout heeft gemorst bij het bereiden van de pasta.
Bijgeloof heeft niets met intelligentie te maken, of het gebrek daaraan. Iedereen heeft wel een tik, ongeacht in welke laag van de maatschappij hij of zij zich doorgaans beweegt. Ik ben er na ruim tien jaar in Italië gewend aan geraakt. Erger nog, ik heb er iets van overgenomen.

In mijn vorige bijdrage meldde ik al dat ik het Nederlands elftal nog niet had zien spelen op het WK. Niet omdat ik niet wil kijken, maar de eerste drie wedstijden werden gewonnen tijdens mijn vakantie zonder dat ik daarbij op afstand toeschouwer van was. Ik heb het beste met onze jongens voor, en daar kwam dus dat Italiaanse bijgeloof-duiveltje om de bocht kijken. Ik keek niet naar Nederland-Slovenië, en Oranje won. Ik keek niet naar Nederland-Brazilië, en Oranje won. En gisteren keek ik niet naar Nederland-Uruguay, en Oranje won. Ik begin me zo langzamerhand een echte octopus te voelen, heb er zelfs al even over nagedacht om mijn naam in Paul te veranderen.
Niet kijken was tot gisteren niet eens zo moeilijk. Tijdens de groepswedstrijden was ik immers op vakantie, en tijdens de achtste en de kwart finales was ik aan het werk. Maar gisteravond zou ik dus thuis zijn geweest. Lichte paniek. Wat moet ik doen? Eerst had ik het plan opgevat om naar de bioscoop te gaan, maar uitgerekend eergisteren was “mijn” Cinema Astra aan haar zomerreces begonnen. Victoria of Modena waren een alternatief, maar de weeїge geur van popcorn die daar in de zalen hangt ruik ik de volgende dag nog. Op de culturele agenda van Trento zie ik dat er een concert is in Piazza Battisti. Dan daar maar naartoe. Ook al zegt de naam van de groep me niets, een snelle blik op internet is veelbelovend...
 

 
Piazza Battisti is een plein dat aan de achterkant aan het Teatro Sociale grenst. Het is niet groot, maar imponeert. Vooral door de typische stijl van de gebouwen die het plein omgeven die bijna allemaal in de fascistische periode zijn opgetrokken. Rechte lijnen. Strak. Niet de meest romantische plaats van Trento.
Toch zijn de terrasjes van de twee café’s aan de noordzijde altijd druk bezet. Ook nu. Er wordt gelachen, gepraat, gediscusseerd over het voetbal, ook al ligt Italië er al lang uit. Voor het podium zit en staat een paar honderd koppend tellend publiek te wachten op wat komen gaat. Als Renato Borghetti om iets over half tien samen met zijn Quartet het licht van de schijnwerpers instapt klinkt applaus. Op de terrasjes kwebbelt men rustig voort. En dan begint Berghettinho, zoals hij door zijn fans genoemd wordt, te spelen. De eerste tonen die uit zijn ‘gaita ponto’ opstijgen zijn traag, fladderen als vlinders de zwoele zomeravondlucht in. Zijn kompanen vallen in, klarinet, piano en gitaar. Een rondreis door de, door Borghetti eigentijds ingekleurde volksmuziek van de Rio Grando do Sul, de meest zuidelijke van Brazilië's 26 deelstaten, begint. Het duurt niet lang of zelfs de drukste stemmen op het terras zijn verstomd. 'Magia', noemt men dat hier, magie.


Rio Grando do Sul, het grensgebied tussen Brazilië en Argentinië. De Milonga heerst er, de chamamé, de chacarera, de tango, en de samba natuurlijk. Toen de in 1963 in Porto Alegre geboren Borghetti op 16-jarige leeftijd de 'gaita ponto' (de Braziliaanse kleine versie van de knop-accordeon) begon te bespelen had hij na verloop van tijd eenvoudig in de anonieme massa van locale artiesten kunnen verdwijnen. Maar het liep anders, want hij had talent. En niet alleen dat. Hij wilde niet enkel de traditionele volksmuziek spelen, maar er een persoonlijke klank aan geven. En zo begon hij dus te componeren, creëerde een mix van de verschillende populaire muzikale stromingen uit zijn geboortestreek. Niet alleen met elkaar, maar ook met de jazz. Het verrassende was dat Borghetti's muziek, die duidelijk verwijst naar zijn roots, maar nergens puur folk wordt, geaccepteerd wordt. Sterker nog, zijn eerste cd, 'Gaita Ponto' uit 1984, gaat meer dan 200.000 keer de toonbank over. Het levert hem als eerste Braziliaanse artiest een gouden plaat op voor een album waarop slechts één enkel instrument te horen is. In zijn Rio Grando do Sul wordt hij op handen gedragen, en hij wordt als een van 's werelds beste accordeonspelers beschouwd. Sommigen vergelijken zijn werk als componist met dat van de grote Ástor Piazzola die de nuevo tango creëerde.

Het Renato Borghetti Quartet brengt moeiteloos de speciale mix van Zuidamerikaanse folk en jazz over op het publiek in Trento. Het wordt nergens te 'jazzy' voor de toevallige passant of de, zoals ik, nieuwsgierige bezoeker. Het wordt nergens zo 'folky' dat het publiek het publiek mee gaat klappen. Borghetti is vanzelfsprekend het centrale punt. Het typische geluid van de accordeon valt naadloos in op de momenten dat een vleugje 'pepe' gewenst is. Hij bespeelt de 'gaita' als Danny Boodman T.D. Lemon in Alessandro Baricco's “Novecento: la leggenda del pianista sull'oceano”.
Pedro Figueiredo is op sax, clarinet en dwarsfluit de tweede pijler. Zijn spel en dat van Borghetti sluiten heel mooi op elkaar aan. Gitarist Daniel Sá en pianist Vitor Peixoto zijn onhoorbaar aanwezig en zijn juist daardoor twee onmisbare elementen. Toch krijgen ze de ruimte die ze verdienen. Hun “duetten” met de 'gaita ponto' zijn pareltjes.
 

 
Tussen het laatste nummer en de 'bis' gaat Lief nog twee pilsjes halen. ,,Mag ik je het goeie nieuws vertellen'', vraagt ze als ze terugkomt. Ik heb werkelijk geen idee waar ze het over heeft.
,,Nederland heeft met 3-2 gewonnen!''
Ik was de wedstrijd compleet vergeten. Dat maakt het nieuws er niet minder leuk om. En de 'bis' is een mooie afsluiting.
Tijd om te bedenken waar ik zondagavond eens naartoe zou kunnen gaan.






Het Renato Borghetti Quartet treedt op 10 juli om 16.30 uur op tijdens het Brosella Festival in Brussel.

Put-toerist (24 mei 2010)

In Amsterdam wordt gewerkt. Altijd.
Als we het Centraal Station uitlopen is er eerst De Put. Het gat van Amsterdam. Ik kom zowat elk jaar voor een paar dagen of een weekje naar Amsterdam, en ik begin eraan gehecht te raken. De Put lijkt te leven, verandert van vorm, en als ik het goed heb zelfs af een toe een beetje van plaats. De Put is bijna het visitekaartje van Amsterdam, en daar bedoel ik niets negatiefs mee. Geloof me, een toerist heeft er helemaal geen problemen mee.

De Put is één. Maar ook elders wordt gewerkt, dus her en der kom je in Amsterdam putten tegen. Kleinere putten, dus kleine p's. Ze hebben niet zoveel als De Put, maar desondanks stralen ze iets van de werklust van de immer bezige Nederlander uit. Nederlanders zijn noeste werkers. Dijken bouwen, land veroveren op de zee en op, in of met dat land iets nuttigs doen. Een put graven lijkt nutteloos, maar in Amsterdam graaft men niet voor niks. Diepte op korte termijn is er vooruitgang op lange termijn.

Een put is op zich echter een lelijk ding en past dus niet echt in Amsterdam. Maar ook daar wordt aan gewerkt. Op het Rokin zie ik afbeeldingen van bukkende mensen rond een put, op weg naar kantoor, boodschappen doend of spelend met vriendjes en vriendinnetjes.
Op de kruising van de Utrechtsestraat en de Herengracht liggen twee prachtgaten. Het zijn de putten van de beste vrienden van de mens...

 


 


Ga er maar eens kijken als je in de buurt bent. Er hangen nog veel meer foto's.

Mooie putten in mooi Amsterdam. Ze hebben er het put-toerisme uitgevonden.

Manuel Álvarez Bravo, revolutionair of surrealist (7 mei 2010)

Hoewel de Mexicaanse revolutie altijd een geliefde achtergrond is geweest waartegen veel spaghettiwesterns zich hebben afgespeeld, is de strijd van de Mexicaanse massa tegen het Porfiriaat in onze geschiedenisboeken altijd in de schaduw gebleven van die andere grote wereldbrand uit het begin van de twintigste eeuw, de eerste wereldoorlog. Toch kwamen bij het omverwerpen van de macht van president Porfirio Díaz in 1910, na een dictatuur van 34 jaar, en de daaropvolgende machtstrijd binnen de revolutionaire bewegingen naar schatting één miljoen mensen om het leven. Pas halverwege de jaren dertig kwam Mexico in een enigszins stabiele situatie terecht.

Manuel Álvarez Bravo werd op 4 februari 1902 in Mexico Stad geboren en groeide dus min of meer op met de revolutie. Hij kwam uit een familie van artiesten en schrijvers, en wellicht was het niet meer dan logisch dat hij in 1918 schildertechniek en muziek ging studeren aan de Academia Nacional de Bellas Artes in San Carlos. In 1923 ontmoette hij de Duitse fotograaf Hugo Brehme die hem overtuigde een camera aan te schaffen. En zo werd Bravo, mede dankzij zijn vele contacten met revolutionaire kunstenaars de fotograaf van de Mexicaanse revolutie. Hij had die 'titel' vooral te danken aan de foto waarmee hij in 1934 beroemd werd, 'Obrero en huelga, asesinado' (staker, vermoord).

Obrere en huelga, asesinado (1934)

Toch zou het te ver gaan om Manuel Álvarez Bravo een politieke of revolutionaire fotograaf te noemen. Hij fotografeerde weliswaar op straat, daar waar de revolutie woedde en armoe heerste, maar hij bekeek zijn onderwerpen eerst en vooral vanuit een artistiek oogpunt. Hij was een meester in het vinden van een zekere balans, een symetrie in de onderwerpen die hij vastlegde.

Calabaza y caracol (1928)

Muchacha viendo pàjaros (1931)

Gorrión, claro (1939)


Daarnaast slaagde hij er vaak in een ietwat dromerige sfeer te creëren die min of meer een kenmerk voor Bravo's werk is geworden. Hij wist de werkelijkheid op die momenten iets van fantasie te geven, iets onwerkelijks misschien. Surrealistisch, volgens velen.

El ensueño (1931)

Retrato de lo eterno (1935)

La buena fama durmiendo (1938)

Manuel Álvarez Bravo overleed op 19 oktober 2002, honderd jaar oud, in zijn geboorteplaats Mexico Stad. De pionier voor van de Zuidamerikaanse fotografie is zijn hele leven lang blijven fotograferen, steeds op zoek naar de schoonheid in de gewone dingen. En tot het laatst bijna altijd in zwart-wit, op een enkele uitzondering na zoals de foto met de toepasselijke titel “El color”.

Acto primero (1975)

Los adioses (1984)

Uki (1986)

El color

Bronnen:



Eenvoudig gesnater (3 mei 2010)

Achter wat in onze mensenoren als eenvoudig gesnater klinkt gaan dikwijls hele diepzinnige gesprekken schuil van eend tot eend. Hele filosofieën, over hemel en aarde, water en lucht, leven en dood...


,,Mam.''
,,....''
,,Ma-am!''
,,...''
,,Ma-aaaaaaam!''
,,Ja, wat is er jongen?''
,,...''
,,Nou?''
,,Ja, nou weet ik het niet meer.''
,,...''
,,...''
,,...''
,,O ja. Waar gaan wij naartoe als we doodgaan?''
,,Naar de hemel, jongen. Dat heb ik je toch al eens gezegd.''
,,O ja.''
,,...''
,,Is er ook water in de hemel?''
,,Ja jongen. Er is ook water in de hemel.''
,,In een sloot?''
,,Ja, in een sloot. Waar anders?''
,,Nou, in een vijver.''
,,Daar heb ik nog nooit iets over gehoord. Maar ik denk dat er ook wel vijvers zijn in de hemel, hoor.''
,,Net als hier?''
,,Ja, net als hier. Maar dan in spiegelbeeld.''
,,In spiegelbeeld?''
,,Ja, in spiegelbeeld. Dat is hetzelfde wat je ziet als je hier in het water naar beneden kijkt. Maar dan net andersom.''
,,Dus in de hemel moet ik naar boven kijken om mezelf te zien?''
,,...''
,,Mam!''
,,Uh. Ja, ik denk het wel.''
,,En zijn er ook vissen in de hemel, mam?''
,,Ja, natuurlijk zijn er ook vissen in de hemel.''
,,En vliegen die?''
,,Nee, die vliegen niet. Heb je ooit al eens een vis zien vliegen?''
,,Uh... Nee.''
,,Nou dan.''
,,Dus de vissen in de hemel zwemmen?''
,,Ja.''
,,In spiegelbeeld.''
,,Ja.''
,,Maar zwemmen ze dan boven ons of onder ons?''
,,Boven ons. Dat lijkt me logisch. Niet?''
,,Uh... Ik denk het wel.''
,,...''
,,Mam.''
,,....''
,,Ma-am!''
,,...''
,,Ma-aaaaaaam!''
,,Ja, wat nou weer jongen?''
,,Zijn er ook mensen in de hemel?''
,,Ja, jongen. Er zijn ook mensen in de hemel. Maar niet veel.''
,,Niet veel?''
,,Nee. In de hemel zijn alleen maar mensen die de eendjes voeren.''
 

 
Bij het “opbergen” en terugkijken van wat foto's draaide ik deze per ongeluk 180 graden. Ik moest meteen aan Bart denken, en aan wat eendjes zoal onder elkaar te vertellen hebben.

Eindhoven, zondagmorgen (14 april 2010)

Eindhoven. Ben ik er ooit al eens geweest? Ik dacht het wel, maar weet het niet meer zeker. Ergens in een achterkamertje van mijn geheugen heb ik een impressie hangen van de binnenkant van het Evoluon. De entreehal. In zwart-wit, dus het kan best een foto uit een tijdschrift zijn geweest dat ik als kleine jochie door heb zitten te bladeren.

Het feest was leuk, en het werd dus laat. Dit, in combinatie met het begin van de zomertijd, laat alles nog vroeger aanvoelen dan dat het al is. Een douche en een ouderwets Hollands ontbijt (krentenbrood met kaas en beschuit met hagelslag) doen me echter aangenaam, als een eend dobberend op de korte golfjes van een vijver, het ritme van de vroege zondagmorgen aannemen. Ohé en Laak. De zon schijnt laag door het raam. Op een boerderij in de buurt kraait een haan. Nog een kop thee. Ik heb honger, neem ook een zacht gekookt eitje.
Het station in Echt, wachten tot het rode licht gedoofd is, er kan nog een trein komen. Niemand wacht. Echt slaapt nog of wordt pas wakker. Overstappen in Roermond, spoor 3 wordt spoor 2. Overstappen in Weert, spoor 2 wordt weer spoor 3. Station Eindhoven. Net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.

En lijn 401 brengt ons van het station naar het vliegveld. Ook net als gisteren, maar dan in omgekeerde volgorde.
Eindhoven en Philips zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het korte busritje door de stad laat ook aan de toeristen, dikwijls op doorreis van of naar Amsterdam, weinig aan duidelijkheid over. Ook mijn jeugd en Philips waren met elkaar verstrengeld, als de draadjes van de oordopjes van een ipod of een walkman. Mijn vader werkte bij Philips, en dus droeg de gloeilampengigant, als je het goed bekijkt, financieel direkt bij aan mijn opvoeding en opleiding. Indirekt zou je misschien heel ver door kunnen doorborduren en zelfs tot de conclusie komen dat dit stukje dankzij Philips tot stand is gekomen.
Mijn vader werkte op de flitslampen-afdeling in Terneuzen. Flitslampen waren kleine glazen kogeltjes met een blauwe glans erin. Aan de onderkant staken er twee draadjes uit, die je in een zogenaamd flitsapparaat duwde. Dit apparaat zat op zijn beurt weer met een stekkertje verbonden aan het fototoestel, die het glazen kogeltje in de flitser fel deed oplichten op het moment dat je de ontspanner indrukte. Daarna gooide je de flitslamp weg. Aan de buitenkant leek het glas met brandblaren overdekt en je kon het geen tweede keer gebruiken. Hetzelfde gold overigens voor het filmrolletje: eenmaal vol bracht je het naar de fotograaf die er negatieven van maakte en daar vervolgens foto's van afdrukte. Je moest daarna een nieuw rolletje kopen, want het oude was niet herbruikbaar. De rolletjes waren er in drie formaten: 12, 24 of 36 foto's.
Het was de tijd dat wachten nog gewoon was, net als geduld. Een rolletje laten ontwikkelen en er foto's van laten afdrukken duurde op z'n minst een aantal dagen. Als je ze daarna ging halen rukte ze je meteen uit de enveloppe om ze te bekijken. Het resultaat viel dikwijls tegen, omdat bepaalde dingen zich niet laten vangen in een klik, of heel eenvoudig omdat een bepaalde sfeer niet houdbaar blijkt te zijn op papier. De foto's werden dan thuis nog een keer uit de enveloppe gehaald, maar belandden daarna al snel in een la waar ze vervolgens jarenlang stofferig lagen te worden.
Onze flitslampjes waren dus van Philips, maar ook de batterijen, de gloeilampen, de radio, de televisie, de pick-up, de bandrecorder, de koelkast, de wasmachine, de broodrooster en, toen mijn vader dicht tegen zijn pensioen aanzat, de eerste spaarlampen die zowat een kilo wogen. Een geldstroom in een vrijwel gesloten circuit. Het was dat we ook aten, anders was mijn vader's salaris een perpetuum mobile geweest. En het was dat Philips geen auto's maakte, want anders zouden we ongetwijfeld in een Philips rond gereden hebben. Maar we bleven in de buurt. Mijn ouders zwoeren namelijk bij de volautomaat, de Daf, het unieke produkt van de Van Doornes Autofabrieken die net als Philips hun hoofdvestiging in Eindhoven hadden.

Eindhoven trekt als een enorm doek langs de ingelijste panoramavensters van de bus. Eindhoven op zondagmorgen. Er is weinig volk op straat.
Oude fabriekshallen ademen op een verder bijna braakliggend terrein nog iets van de oude glorie uit. De zestiger jaren, gevangen in de industriële archtectuur van die tijd, en een eindje verder in een woonwijk. Vijf hoog, zes hoog, kleine ramen waarachter ooit de Philips-gezinnen hun aardappelen met jus aten aan het eind van de werkdag. De vensters geven nu de indruk dat er studenten achter wonen. We zijn in de buurt van het Philips-stadion.
Halte Philips-stadion. Lief schrijft na de Arena, de Kuip, de Galgenwaard en het RBC-stadion een vijfde Nederlands voetbal-mekka bij op haar lijstje. Met uitleg. Voor het stadion staan de standbeelden van de topschutters van de club: Coen Dillen en Willy van der Kuijlen.




De eerste was van voor mijn tijd, de tweede viel precies in de periode dat ik mijn voetbalplaatjes verzamelde. Ik heb hem wel honderd keer gezien, want hij was elk seizoen één van die vele dubbele die je in de zakjes van een kwartje vond. Gert Bals was er ook zo één.
We rijden verder en stoppen bij de halte Evoluon. Ondanks haar leeftijd is het nog steeds een supermodern bouwwerk. ,,Ik denk dat ik het wel eens bezocht heb, maar ben niet zeker'', zeg ik tegen Lief.


De huizen worden lager. Het zicht wordt wijder. In de richting van het vliegveld heeft het vlakke landschap plaatsgemaakt voor een al bijna even vlak landschap van één verdieping hoog. Moderne huizen, veel groen, veel ruimte.
In de bus hangt een monitor, waarop beurtelings de volgende halte, de chauffeur, de aankomsttijd op het vliegveld, de slechts bij enkele haltes open en dichtsklappende deuren, en wijzelf te zien zijn. Ik heb niet kunnen ontdekken van welk merk de monitor was.

Als we twee uur voor vertrek willen inchecken krijgen we te horen dat we nog minstens 45 minuten moeten wachten. Perfect om even de kiosk binnen te stappen.
Ik sta op het punt om De Volkskrant van de dag daarvoor te kopen, maar er de zondag-editie van La Repubblica is er al. Dus ik neem die. De dag erna lees ik op internet dat het de laatste 'grote' Volkskrant is geweest. Heel even heb ik iets van 'jammer'. Ik had een stukje historie in mijn bezit kunnen hebben.
Wat boeken betreft is er niet erg veel keus, wat het voor mij een stuk gemakkelijker maakt. Ik kies voor 'Vals licht' van Joost Zwagerman en 'Caesarion' van Tommy Wieringa. En ik besluit een mooie traditie voort te zetten en met een Bril uit Nederland terug te komen: Jongensjaren. Een verzameling verhalen over de jaren zestig en zeventig, staat er op de achterkant geschreven. Onbewust dwalen mijn gedachten af... naar Philips.


Eugenio Prati, van realisme tot symbolisme (5 april 2010)

Ooit was Palazzo delle Albere een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen voor politiek en kerkelijk Trento. De villa van de familie Mudrazzo - één van de rijkste en invloedrijkste families in de geschiedenis van de noorditaliaanse provinciehoofdstad - lag aan het westelijke eind van een immense tuin aan de oever de Adige. De oprijlaan telde na de constructie in 1550 maar liefst 600 meter, en werd omzoomd door een haag van bomen. Vandaar de naam Palazzo delle Albere, Villa van de Bomen.
Tegenwoordig ligt het vierkante landhuis er wat verloren bij. Nog steeds in de nabijheid van de rivier de Adige, dat wel, maar van de immense tuinen en van de oprijlaan is niets meer over. Aan de noordkant ligt het stadion van de lokale voetbalclub, aan de zuidkant heeft een oud industrieterrein onlangs plaats gemaakt voor een kale vlakte waar men inmiddels een compleet nieuwe wijk uit de grond aan het stampen is.
Palazzo delle Albere was gedoemd ten onder te gaan als een van die vele Italiaanse monumenten in de ongelijke strijd van de laatste decennia met het beton. Gelukkig kwam het niet zover. In 1987 werd de villa door het MART (Museo d'arte moderna e contemporanea di Trento e Rovereto) overgenomen. Na een grondige verbouwing is het een vaste stek voor tentoonstellingen geworden.

Eugenio Prati werd op 27 januari 1942 in Caldonazzo geboren, op een steenworp van Trento vandaan. Hij was de oudste van de tien kinderen van landmeter Domenico Prati en Lucia Garbari. Reeds op 12-jarige leeftijd krijgt hij op de Accademia di belli arti in Venezië zijn eerste schilderslessen. Zijn meesters zijn Michelangelo Grigoletti, Pompeo Molmenti en Karl von Blaas. Ze leggen de basis voor het realisme dat de eerste periode van het werk van Prati typeert. In Florence, waar hij in 1866 is gaan studeren, komt Prati in aanraking met verschillende andere meesters en collega's. Zijn doeken nemen iets meer afstand van de 'pure waarheid', zijn kleuren worden warmer, intenser... Heel geleidelijk ontstaat een eigen stijl die door de decennia heen steeds meer symbolisch zal worden, maar nooit volledig het realisme los zal laten. Ook zijn 'wortels' blijven zichtbaar en de berglandschappen keren herhaaldelijk terug op zijn schilderijen, zelfs als hij later in Milaan en Parijs werkt.





In 1879 trouwt Eugenio Prato en samen met zijn vrouw Ersilia Vasselai keert hij terug naar zijn Trentino. Op 8 maart 1907 overlijdt hij na een kort ziekbed in zijn geboorteplaats Caldonazzo.


 
Veel van het werk van Eugenio Prati is op het ogenblik te zien in Palazzo delle Albere in Trento. De tentoonstelling Eugenio Prati (1842-1907) fra Scapigliatura e Simbolismo” loopt nog tot 25 april.

De foto's komen van internet.

De bomen groeien niet meer tot in de hemel, maar wonderen bestaan nog (29 maart 2010)

Zaterdagmiddag, half vijf. Precies negen-en-een-half uur geleden liep in Trento de wekker af.

Een wandelingetje in een oer-Nederlands landschap, net buiten Ohé en Laak. Electriciteitsmasten waarvan de kabels kilometers ver in een kaarsrechte lijn naar de horizon lopen. Een kerkje aan de horizon. Een kerkje dichtbij. Knotwilgen. Een molen. Een typisch Nederlandse hemel met de karakteristieke aan de onderkant afgevlakte wolken.


Twee kilometer en we zijn in het pittoreske dorpje Stevensweert. Een plein met twee kerken en een zegenende Jezus. “Kom tot mij”. Hij staat voor de grootste kerk. Daarachter de begraafplaats. Uitzicht op het water, het land, tot aan de horizon waar water en land in een dunne streep overgaan in lucht.
Nog een plein, de markt. Een restaurant, 't Oad Kloaster. Nog een restaurant, Stadt Stevenswaert. En een café. Op het raam een met de hand geschreven briefje. 'Geen koffie'. Gelukkig komen we daar niet voor.
De kroeg is ouderwets. Als we de deur openen moeten we ons een doorgang snijden door de blauwe rooklucht waarmee het lokaal tot in alle hoeken gevuld is. Aan de bar een stuk of acht lokale klanten. Hun stemmen verstommen een ogenblik als we binnenkomen, maar het gesprek herneemt zich snel. Geen idee waar ze het over hebben. Hun dialekt laat weinig openingen voor een interpretatie in welke richting dan ook, maar desondanks klinkt het lekker, gezellig. We passen ons naadloos aan de plaatselijke gebruiken aan: bestellen dus een pilsje, steken er een sigaretje bij op en praten onverstaanbaar.
De decoraties aan de wanden bestaan voor het grootste gedeelte uit foto's die door de decennia heen, waarin Stevensweert hier haar pilske achterover sloeg, gemaakt moeten zijn. Ik meen de vrouw achter de bar een aantal keren te herkennen in een jongere uitvoering. Generaties hangen hier aan de muur. Kinderen, vaders, en wie weet ook grootvaders. We zijn overduidelijk in het katholieke Zuiden der Nederlanden: boven de deur naar het toilet hangt Jezus aan het kruis en vanaf een zwart-wit foto boven de bar houdt paus Ratzinger zijn Stevensweertse schaapkes in de gaten. Kinderen zien we hier niet.

Zes uur. We moeten gaan. Ik vraag hoeveel ik betalen moet, en ik meen iets van twee euro te verstaan. Voor de zekerheid betaal ik met een briefje van tien. Ik krijg acht euro terug. Van verwondering vind ik buiten op het dorpsplein mijn stem pas terug.


Precies 24 uur later zijn we terug in Trento.